Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BV9960

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-03-2012
Datum publicatie
26-03-2012
Zaaknummer
06/925001-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2014:2144, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een verdachte (LJN BV9954) is veroordeeld voor het feitelijk leiding geven aan twee bedrijven waarbinnen milieuvergunningsvoorschriften niet werden nageleefd. Verder heeft de verdachte co-substraten in een co-vergister verwerkt die niet specifiek op de positieve lijst stonden vermeld. Ook op die manier is in strijd met vergunningsvoorschriften gehandeld.

De economische politierechter heeft vastgesteld dat de officier van justitie haar eis, die wegens het ontbreken van vergelijkbare gevallen niet kon worden gebaseerd op wat al als transactie is aangeboden of als straf is opgelegd, in belangrijke mate heeft gebaseerd op de aanname dat de verdachte door zijn handelen met de bewuste co-substraten zeer aanzienlijke milieurisico’s heeft genomen. Nog afgezien van het feit dat die gestelde risico’s niet of nauwelijks zijn geconcretiseerd, blijft het in het leven roepen daarvan een aanname die noch in het dossier noch tijdens het onderzoek ter terechtzitting is onderbouwd. Een dergelijke veronderstelling mag naar het oordeel van de economische politierechter dan ook niet leidend zijn bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf, te minder nu de positieve lijst en daarmee het vergunningvoorschrift dat er naar verwijst aan duidelijkheid te wensen over laat. Daarom, en omdat – mede gelet op de aard van het organische materiaal – onzeker blijft welke (milieu)risico’s door het bewezen verklaarde handelen (wel) zijn ontstaan, is een aanzienlijk lagere en deels voorwaardelijke straf in de vorm van een geldboete aan de verdachte opgelegd.

Aan de twee bedrijven is eveneens telkens een deels voorwardelijke geldboete opgelegd (LJN BV9956 en BV9960).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

economische politierechter

parketnummer: 06/925001-11

datum uitspraak: 26 maart 2012

tegenspraak/dip

VONNIS

in de zaak tegen:

de besloten vennootschap [Naam C B.V.],

gevestigd te [plaats, adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 maart 2012.

Tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging ter zitting van 12 maart 2012 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

verdachte op of omstreeks 21 januari 2009, althans in in of omstreeks de maand januari 2009, in de gemeente Putten, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, zonder vergunning, al dan niet opzettelijk, op andere wijze dan met behulp van een werk, een hoeveelheid percolaatwater, zijnde (een) afvalstof(fen), verontreinigende en/of schadelijke stof(fen) heeft gebracht in een sloot op of nabij perceel [perceel], zijnde een oppervlaktewater, door dat percolaatwater weg of af te laten stromen of vloeien in die sloot;

(deel 2)

art 4 lid 1 Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid WVO

2.

verdachte op of omstreeks 21 januari 2009, althans in of omstreeks de maand januari 2009, in de gemeente Putten, terwijl aan [verdachte A] door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Putten bij besluit van 9 augustus 2004 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [perceel], oprichten en/of veranderen en/of de werking daarvan veranderen en/of in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 7.1, 8.1, 12.1 en 28.1 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers

- werd in strijd met voorschrift 1.2 van genoemde vergunning het buitenterrein van de inrichting niet schoon en ordelijk gehouden; buiten de mestopslag op het middenterrein werd mest opgeslagen en/of gelost en/of

- werden in strijd met voorschrift 6.16 van genoemde vergunning landbouwmachines gestald die olie bevatten, terwijl dat stallen niet plaatsvond op een vloeistofdichte voorziening en/of

- waren in strijd met voorschrift 6.6. van genoemde vergunning in de "veestal" negen, althans een of meer drums, geheel of gedeeltelijk gevuld met olie - zakelijk weergegeven - niet opgesteld boven een lekbakconstructie als bedoeld in dat voorschrift (6.6) en/of

- vond op diverse plaatsen in/op de inrichting in strijd met voorschrift 16.13 van genoemde vergunning de opslag van oude accu's niet plaats in een vloeistofdichte bak die bestand is tegen het aanwezige elektrolyt en/of

- waren in strijd met voorschrift 9.3 van genoemde vergunning vloeibare bestrijdingsmiddelen niet opgesteld in of boven een lekbakconstructie;

(deel 4)

art 18.18 Wet milieubeheer

3.

verdachte in/ op nader te noemen periode(s)/tijdstip(pen), in de gemeente Putten, terwijl aan [verdachte A] door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Putten bij besluit van 29 januari 2007 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [perceel], oprichten en/of veranderen en/of de werking daarvan

veranderen en/of in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 7.1, 8.1, 12.1 en 28.1 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk,

(telkens) heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers

- werd in strijd met voorschrift (D) 2.1 van genoemde vergunning op of omstreeks 31 december 2008, althans in of omstreeks de maand december 2008, althans in of omstreeks het jaar 2008, binnen de mestvergistingsinstallatie een hoeveelheid uienpulp, zijnde materiaal dat niet op de positieve lijst van het ministerie van LNV was genoemd, verwerkt

(deel 5, afvalstroom nr. 1)

en/of

- werd in strijd met voorschrift (D) 2.1 van genoemde vergunning op of omstreeks 18 december 2008, althans in of omstreeks de maand december 2008, althans in of omstreeks het jaar 2008, binnen de mestvergistingsinstallatie een mix van schillen van verschillende (soorten) citrusvruchten en/of citruspulp, althans materiaal dat niet op de positieve lijst van het

ministerie van LNV was genoemd, verwerkt

(deel 5, afvalstroom nr. 2)

en/of

- werd in strijd met voorschrift (D) 2.1 van genoemde vergunning op of omstreeks 12 december 2008, althans in of omstreeks de maand december 2008, althans in of omstreeks het jaar 2008, binnen de mestvergistingsinstallatie een mix van schillen van verschillende (soorten) citrusvruchten en/of citruspulp, althans materiaal dat niet op de positieve lijst van het

ministerie van LNV was genoemd, verwerkt

(deel 5, afvalstroom nr. 4)

en/of

- werd in strijd met voorschrift (D) 2.1 van genoemde vergunning op of omstreeks 16 januari 2009, althans in of omstreeks de maand januari 2009, althans in of omstreeks het jaar 2009, binnen de mestvergistingsinstallatie een mix van schillen van verschillende (soorten) citrusvruchten en/of citruspulp, althans materiaal dat niet op de positieve lijst van het

ministerie van LNV was genoemd, verwerkt

(deel 5, afvalstroom nr. 6);

(deel 5)

art 18.18 Wet milieubeheer

4.

verdachte op of omstreeks 5 december 2008 en/of op of omstreeks 19 december 2008, althans in of omstreeks de maand december 2008, althans in of omstreeks het jaar 2008, in de gemeente Putten, terwijl aan [verdachte A] door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Putten bij besluit van 29 januari 2007 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [perceel], oprichten en/of veranderen en/of de werking daarvan veranderen en/of in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 7.1, 8.1, 12.1 en 28.1 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk, (telkens) heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers

- werd (telkens) in strijd met voorschrift (D) 2.1 van genoemde vergunning binnen de mestvergistingsinstallatie een hoeveelheid gesmolten snoepgoed, zijnde materiaal dat niet op de positieve lijst van het ministerie van LNV was genoemd, verwerkt;

(deel 6)

art 18.18 Wet milieubeheer

5.

verdachte op of omstreeks 1 december 2008, althans in of omstreeks de maand december 2008, althans in of omstreeks het jaar 2008, in de gemeente Putten, terwijl aan [verdachte A] door Burgemeester en Wethouders van de gemeente Putten bij besluit van 29 januari 2007 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [perceel], oprichten en/of veranderen en/of de werking daarvan veranderen en/of in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 7.1, 8.1, 12.1 en 28.1 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in elk geval een inrichting als bedoeld in de bijlagen I en/of III van voornoemd besluit, zich, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk, (telkens) heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning,

immers

- werd (telkens) in strijd met voorschrift (D) 2.1 van genoemde vergunning binnen de mestvergistingsinstallatie een hoeveelheid glycerine, die/dat is vrijgekomen bij de winning van biodiesel uit koolzaadolie en/of andere olie/oliën, zijnde materiaal dat niet op de positieve lijst van het ministerie van LNV was genoemd, verwerkt;

(deel 7)

art 18.18 Wet milieubeheer

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op het adres [adres in plaats] zijn [Loonbedrijf B V.O.F.] en [naam C B.V.] gevestigd. Aan [verdachte A] is een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor (het in werking hebben van) een melkrundveehouderij, een varkenshouderij, een loonbedrijf en een mestvergistingsinstallatie. Naar aanleiding van waarnemingen vanuit de lucht en een anonieme melding is in samenwerking met het bevoegde gezag een integrale controle uitgevoerd. Tijdens die controle werden meerdere overtredingen van verschillende aard geconstateerd. Uit het daarop volgende onderzoek is naar voren gekomen dat de verschillende bedrijfsactiviteiten binnen de inrichting onder de vlag van beide rechtspersonen worden verricht. De in de inrichting aanwezige co-vergister is bestemd voor het produceren van biogas uit dierlijke mest en co-substraten.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen toegelicht en opgesomd.

Beoordeling door de economische politierechter

Feiten 1 en 2:

De vertegenwoordiger van de verdachte heeft ter terechtzitting van 12 maart 2012 verklaard dat [Loonbedrijf B V.O.F.] en [naam C B.V.] zijn gevestigd op het adres [adres te plaats] en dat de activiteiten van beide bedrijven (inderdaad) door elkaar heen lopen. Hij en zijn zoon, die de ondernemingen te zijner tijd zal overnemen, hebben samen de leiding over het geheel aan activiteiten. De vertegenwoordiger van de verdachte heeft erkend dat er op en omstreeks 21 januari 2009 een hoeveelheid percolaatwater via een overloop van de opslag van mest en co-substraten naar en in een perceelsloot op (of nabij) het perceel [adres te plaats] is gestroomd. Ook waren er landbouwmachines die olie bevatten aanwezig. Die machines waren gestald onder een afdak met een verharde, maar niet vloeistofdichte, vloer. De vertegenwoordiger van verdachte heeft ook erkend dat een aantal geheel of gedeeltelijk gevulde oliedrums niet in een lekbakconstructie stond en dat een aantal oude accu's niet in een vloeistofdichte bak was geplaatst. De vertegenwoordiger van de verdachte heeft in 2004 een milieuvergunning ontvangen en hij wist dat daar voorschriften aan waren verbonden. Hij heeft die vergunning echter slechts vluchtig gelezen. De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter zitting erkend dat in een aantal gevallen de gehanteerde werkwijze in strijd was met de voorschriften van de milieuvergunning.

De vertegenwoordiger van de verdachte heeft verder verklaard dat op 21 januari 2009 inderdaad enige mest buiten de eigenlijke mestopslag lag, maar dat die mest daar net was neergelegd en op een vloeistofdichte vloer lag alsmede dat het eventuele percolaat in de mestopslag zelf afvloeide. Het was gebruikelijk de mest eerst voor de mestopslag neer te leggen om die vervolgens, dezelfde dag nog, met behulp van een shovel op de mestopslag te schuiven.

De ruimte waarin de bestrijdingsmiddelen werden opgeslagen was voorzien van een vloeistofdichte vloer met een hoge drempel en opstaande randen, waardoor de (vloer van de) ruimte zelf als lekbakconstructie fungeerde. De opslagruimte is bewust zo geconstrueerd. De vloer met opstaande randen en drempel had voldoende capaciteit om alle aanwezige bestrijdingsmiddelen op te kunnen vangen. De ruimte is vaker gecontroleerd en eerder altijd akkoord bevonden.

Uit een proces-verbaal van bevindingen2 komt naar voren dat er percolatievloeistof afstroomde van op het terrein opgeslagen maïs en mest. Dit stroomde op verschillende punten in een perceelsloot, die in open verbinding stond met een andere sloot. Er zijn in beide sloten metingen verricht en monsters genomen. De uitslagen van de metingen vormden een indicatie dat het water verontreinigende stoffen bevatte. De analyse van de genomen monsters heeft uitgewezen dat de waarden van de verontreinigende stoffen ver boven de landelijke streefwaarden uitkwamen.3

Bij besluit van 9 augustus 2004 heeft het gemeentebestuur van Putten aan de [verdachte A] ingevolge de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend en daaraan voorschriften verbonden4 (hierna: de Wm-vergunning van 9 augustus 2004).

De economische politierechter is van oordeel dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, met uitzondering van de onder feit 2, onder het eerste gedachtestreepje, ten laste gelegde overtreding van voorschrift 1.2 en de onder feit 2, onder het vijfde gedachtestreepje, ten laste gelegde overtreding van voorschrift 9.3. De vertegenwoordiger van verdachte heeft verklaard, wat de officier van justitie niet heeft weersproken, dat door derden op 21 januari 2009 op de vloeistofdichte vloer vlak voor de mestopslag mest is gedeponeerd en dat die mest, zoals te doen gebruikelijk, kort daarna met een shovel op de mestopslag is gebracht. Naar het oordeel van de economische politierechter is de door de vertegenwoordiger van de verdachte beschreven gang van zaken, die een bewezenverklaring op dit onderdeel uitsluit, aannemelijk geworden.

Wat de opslagruimte voor bestrijdingsmiddelen betreft is van belang dat de verbalisant, na die ruimte te hebben beschreven, als zijn conclusie (niet meer of anders) vermeldt (dan) dat de opslag in strijd zou kunnen zijn met (een tweetal voorschriften waaronder evenwel niet voorschrift 9.3 bij) de Wm-vergunning van 9 augustus 2004.5 De foto's (op p. 123) geven ook niet meer zekerheid over de constructie van de opslagruimte. Nu bovendien de officier van justitie de vertegenwoordiger van verdachtes verweer over de opslagruimte voor bestrijdingsmiddelen niet heeft weersproken, is er onvoldoende reden om er van uit te gaan dat de vloeibare bestrijdingsmiddelen niet in of boven een lekbakconstructie waren opgesteld.

Feiten 3, 4 en 5:

Ingevolge voorschrift 2.1 bij een aan de [verdachte A] bij besluit van 29 januari 2007 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning mogen binnen de mestvergistingsinstallatie alleen co-substraten die op de positieve lijst van het Ministerie van LNV (hierna: de positieve lijst) zijn vermeld, worden verwerkt.

De vertegenwoordiger van de verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat uienpulp en pulp van sinaasappelen of (een mix van) schillen van andere citrusvruchten onder de begrippen 'groente' en 'fruit' van de positieve lijst vallen en dat zij daarmee op grond van de milieuvergunning als co-substraten in zijn co-vergister mogen worden verwerkt. Het gesmolten snoepgoed valt onder de categorie 'o. uitgepakte voedingsmiddelen...' en de toegepaste glycerine onder categorie t van de positieve lijst.

Op de positieve lijst zijn categorieën van producten opgenomen die een afgeleide zijn van een compleet product. Een voorbeeld daarvan zijn aardappels, vermeld in categorie a, en het daarvan afgeleide product uit categorie e waarin het gaat om (een): 'vloeibaar product dat bestaat uit schillen die met stoom zijn verwijderd van vooraf gewassen aardappelen (aardappelstoomschillen)'. Het systeem van de positieve lijst houdt naar het oordeel van de economische politierechter in dat restproducten die een onderdeel vormen van één van de producten uit categorie a slechts onder de reikwijdte van de positieve lijst vallen als zij als zodanig, dat wil zeggen specifiek, daarop staan vermeld, zoals schilresten van sinaasappelen (categorie l) of aardappelstoomschillen (categorie e).

Vaststaat dat er bij de in het geding zijnde transporten telkens sprake was van een product dat niet (specifiek) op de positieve lijst stond vermeld en dat dus ook niet tot één van de categorieën van de positieve lijst mocht worden gerekend. Van belang hierbij is ook dat het snoepgoed was gesmolten en niet (direct) afkomstig was van een groothandel, een detailhandel of een voedingsmiddelenfabriek en dat de glycerine was vrijgekomen bij de winning van biodiesel uit koolzaadolie en andere plantaardige oliën en in ieder geval niet (uitsluitend) uit raapzaadolie.

Verder staat vast dat de producten direct of kort na het transport in de co-vergister zijn verwerkt.

De economische politierechter is van oordeel dat de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten daarom bewezen kunnen worden verklaard.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de economische politierechter is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

de verdachte op of omstreeks 21 januari 2009, in de gemeente Putten, tezamen en in vereniging, zonder vergunning, opzettelijk op andere wijze dan met behulp van een werk een hoeveelheid percolaatwater, zijnde een afvalstof en een verontreinigende en schadelijke stof, heeft gebracht in een sloot op of nabij perceel [perceel], zijnde een oppervlaktewater, door dat percolaatwater weg of af te laten stromen of vloeien in die sloot;

2.

de verdachte op of omstreeks 21 januari 2009 in de gemeente Putten, terwijl aan [verdachte A] door burgemeester en wethouders van de gemeente Putten bij besluit van 9 augustus 2004 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [perceel], oprichten en/of veranderen en/of de werking daarvan veranderen en/of in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 7.1, 8.1, 12.1 en 28.1 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zich tezamen en in vereniging opzettelijk heeft gedragen in strijd met voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers:

werden in strijd met voorschrift 6.16 van genoemde vergunning landbouwmachines gestald die olie bevatten, terwijl dat stallen niet plaatsvond op een vloeistofdichte voorziening; en

waren in strijd met voorschrift 6.6. van genoemde vergunning in de veestal negen drums, geheel of gedeeltelijk gevuld met olie niet opgesteld boven een lekbakconstructie als bedoeld in dat voorschrift; en

vond op diverse plaatsen in/op de inrichting in strijd met voorschrift 16.13 van genoemde vergunning de opslag van oude accu's niet plaats in een vloeistofdichte bak die bestand is tegen het aanwezige elektrolyt;

3.

de verdachte in/op nader te noemen periodes/tijdstippen in de gemeente Putten, terwijl aan [verdachte A] door burgemeester en wethouders van de gemeente Putten bij besluit van 29 januari 2007 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [perceel], oprichten en/of veranderen en/of de werking daarvan

veranderen en/of in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 7.1, 8.1, 12.1 en 28.1 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zich tezamen en in vereniging, telkens opzettelijk (telkens) heeft gedragen in strijd met een voorschrift verbonden aan voormelde vergunning, immers

werd in strijd met voorschrift (D) 2.1 van genoemde vergunning in of omstreeks de maand december 2008 binnen de mestvergistingsinstallatie een hoeveelheid uienpulp, zijnde materiaal dat niet op de positieve lijst van het ministerie van LNV was genoemd, verwerkt; en

werd in strijd met voorschrift (D) 2.1 van genoemde vergunning in of omstreeks de maand december 2008, binnen de mestvergistingsinstallatie een mix van schillen van verschillende soorten citrusvruchten en citruspulp, zijnde materiaal dat niet op de positieve lijst van het ministerie van LNV was genoemd, verwerkt; en

werd in strijd met voorschrift (D) 2.1 van genoemde vergunning in of omstreeks de maand december 2008, binnen de mestvergistingsinstallatie een mix van schillen van verschillende soorten citrusvruchten en citruspulp, zijnde materiaal dat niet op de positieve lijst van het ministerie van LNV was genoemd, verwerkt; en

werd in strijd met voorschrift (D) 2.1 van genoemde vergunning in of omstreeks de maand januari 2009, binnen de mestvergistingsinstallatie een mix van schillen van verschillende soorten citrusvruchten en citruspulp, zijnde materiaal dat niet op de positieve lijst van het ministerie van LNV was genoemd, verwerkt;

4.

de verdachte in of omstreeks de maand december 2008 in de gemeente Putten, terwijl aan [verdachte A] door burgemeester en wethouders van de gemeente Putten bij besluit van 29 januari 2007 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [perceel], oprichten en/of veranderen en/of de werking daarvan veranderen en/of in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 7.1, 8.1, 12.1 en 28.1 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zich tezamen en in vereniging telkens opzettelijk (telkens) heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers:

werd telkens in strijd met voorschrift (D) 2.1 van genoemde vergunning binnen de mestvergistingsinstallatie een hoeveelheid gesmolten snoepgoed, zijnde materiaal dat niet op de positieve lijst van het ministerie van LNV was genoemd, verwerkt;

5.

de verdachte in of omstreeks de maand december 2008 in de gemeente Putten, terwijl aan [verdachte A] door burgemeester en wethouders van de gemeente Putten bij besluit van 29 januari 2007 een vergunning krachtens de Wet milieubeheer was verleend tot het in die gemeente in of op het perceel [perceel], oprichten en/of veranderen en/of de werking daarvan veranderen en/of in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 7.1, 8.1, 12.1 en 28.1 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, zich tezamen en in vereniging met anderen of een ander, telkens opzettelijk heeft gedragen in strijd met een of meer voorschriften verbonden aan voormelde vergunning, immers:

werd telkens in strijd met voorschrift (D) 2.1 van genoemde vergunning binnen de mestvergistingsinstallatie een hoeveelheid glycerine, die is vrijgekomen bij de winning van biodiesel uit koolzaadolie en andere oliën, zijnde materiaal dat niet op de positieve lijst van het ministerie van LNV was genoemd, verwerkt.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de economische politierechter niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

2, 3, 4 en 5 (telkens):

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, meermalen opzettelijk begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 35.000,-. Ter toelichting heeft de officier van justitie aangevoerd dat er aanzienlijke risico's zijn genomen door niet toegestane materialen in de co-vergister te verwerken waardoor gevaar voor lekkage of ontploffing van de co-vergister met alle milieurisico's van dien is ontstaan.

De vertegenwoordiger van de verdachte heeft aangevoerd dat hij de eis van de officier van justitie (veel) te zwaar vindt.

De economische politierechter heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de (rechts)persoon en de (financiële) omstandigheden van de verdachte zoals van één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte is er verantwoordelijk voor dat door het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen milieuvergunningvoorschriften niet zijn nageleefd en dat het milieu daardoor is of kon worden benadeeld. Verder heeft de verdachte co-substraten die niet specifiek op de positieve lijst stonden vermeld in een co-vergister verwerkt en ook op die manier in strijd met de vergunningvoorschriften gehandeld. De verwerking van zulk materiaal heeft tot gevolg dat het restproduct van het vergistingsproces - het digestaat - niet als mest mag worden verwerkt maar verder als afvalstof moet worden behandeld. De economische politierechter stelt vast dat de officier van justitie zijn eis, die wegens het ontbreken van vergelijkbare gevallen niet kon worden gebaseerd op wat al als transactie is aangeboden of als straf is opgelegd, in belangrijke mate heeft gebaseerd op de aanname dat de verdachte door haar handelen met de bewuste co-substraten zeer aanzienlijke milieurisico's heeft genomen. Nog afgezien van het feit dat die gestelde risico's niet of nauwelijks zijn geconcretiseerd, blijft het in het leven roepen daarvan een aanname die noch in het dossier noch tijdens het onderzoek ter terechtzitting is onderbouwd. Een dergelijke veronderstelling mag naar het oordeel van de economische politierechter dan ook niet leidend zijn bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf, te minder nu de positieve lijst en daarmee het vergunningvoorschrift dat er naar verwijst aan duidelijkheid te wensen over laat. Daarom, en omdat - mede gelet op de aard van het organische materiaal - onzeker blijft welke (milieu)risico's door het bewezen verklaarde handelen (wel) zijn ontstaan, zal een aanzienlijk lagere en deels voorwaardelijke geldboete aan de verdachte worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen:

- 1, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51, 57, en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

- 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

- 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;

- 4 van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wet verontreiniging oppervlaktewateren (oud);

- 18.18 van de Wet milieubeheer;

- 2.1 van het Inrichtingen en vergunningsbesluit milieubeheer.

Beslissing

De economische politierechter:

* verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen wat de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

1

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

2, 3, 4 en 5 (telkens):

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, meermalen opzettelijk begaan door een rechtspersoon;

* verklaart de verdachte strafbaar;

* veroordeelt de verdachte veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 7.500,-;

* bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete, groot € 2.500,-, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mr. Van Lookeren Campagne, economische politierechter, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 maart 2012.

Voetnoten:

1 Als hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0600/09-205338, Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland, Divisie Ondersteuning, Regionaal Milieuteam, gesloten en ondertekend op 10 augustus 2010.

2 Een proces-verbaal bevindingen HHFH21012009, gesloten en ondertekend op 5 januari 2010 door toezichthoudende ambtenaren, tevens buitengewoon opsporingsambtenaren, in dienst van het Waterschap Veluwe.

3 Analyserapporten Al-West BV, p. 30-36.

4 Proces-verbaal deelonderzoek (4) Inrichting, p. 5 en bijlage A.

5 Proces-verbaal deelonderzoek (4) Inrichting, p. 11.