Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BV7185

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-02-2012
Datum publicatie
28-02-2012
Zaaknummer
06-940409-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor belaging en vernieling. De rechtbank legt op een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk. Als bijzondere voorwaarde is een contactverbod voor een jaar met aangeefster opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940409-10

Uitspraak d.d. 28 februari 2012

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1983],

wonende te [plaats, adres].

Raadsman: mr. F.E.C Koopman advocaat te 's-Hertogenbosch.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

28 januari 2011, 25 maart 2011, 10 juni 2011 en 14 februari 2012.

Ter terechtzitting gegeven beslissing

Door de raadsman is ter terechtzitting van 14 februari 2012 ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde belaging als preliminair verweer gevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging nu belaging een klachtdelict betreft en de klacht van aangeefster niet voldoet aan de eisen van de wet.

De rechtbank heeft dit preliminair verweer als zodanig ter terechtzitting gemotiveerd verworpen. Het verweer zal hierna inhoudelijk worden besproken.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2010

tot en met 13 oktober 2010, te Apeldoorn en /of Dieren, althans in Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met

het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te

doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft/is hij in

genoemde periode:

- een of meerdere malen telefonisch contact met [slachtoffer] gezocht,

- een of meerdere malen (een) sms-bericht(en) naar [slachtoffer] verzonden,

- een of meerdere malen naar en/of in en/of in de omgeving van de woning van deze M. van

Aggelen gegaan en/of geweest en/of zich opgehouden,

- een of meerdere malen (een) e-mailbericht(en) naar [slachtoffer] verzonden,

- een of meerdere malen via internet (hyves en/of facebook) contact gezocht met en/of (een)

bericht(en) verstuurd naar [slachtoffer],

- een of meerdere malen (een) brie(f)(ven) en/of (een) (beschreven) stuk(ken) papier en/of

goed(eren) en/of een (dood) vogeltje in haar brievenbus gestopt;

art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 19 augustus 2010 te Apeldoorn opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Volkswagen Fox), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Voorvragen1

Door de verdediging is bepleit het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in haar vervolging met betrekking tot feit 1 op de dagvaarding, inhoudende belaging in de periode van 1 april 2010 tot en met 13 oktober 2010. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat artikel 285b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht een klachtdelict betreft en dat de klacht gelet op artikel 66, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht te laat is ingediend. Uit het dossier volgt dat de klacht is ingediend op 13 oktober 2010 en derhalve meer dan zes maanden na 1 april 2010. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de klacht niet met inachtneming van de voorgeschreven vormen is ingediend. Daartoe heeft de raadsman verwezen naar de artikelen 163,164 en 165 van het Wetboek van Strafvordering. Ten eerste is aangevoerd dat de klacht niet door aangeefster of de verbalisant is ondertekend. Ten tweede is aangevoerd dat de klacht niet door een officier van justitie of hulpofficier van justitie is ontvangen. Uit het dossier volgt dat de klacht door twee verbalisanten op 13 oktober 2010 is opgenomen en niet is gebleken dat zij hulpofficieren van justitie zijn, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman dient te worden verworpen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de klacht niet te laat is ingediend nu aangeefster in haar aangifte van 26 augustus 2010 heeft aangegeven dat zij uitdrukkelijk wenste aangifte te doen. Zij verwijst daartoe naar pagina 55 van het dossier. Stalking is een delict dat zich in de loop van de tijd opbouwt en over een bepaalde periode voordoet. Uit de jurisprudentie blijkt dat het kenbaar moet zijn dat een slachtoffer aangifte wil doen. In het onderhavige geval is hiervan gebleken. Daarmee voldoet de klacht aan de daartoe gestelde vereisten, aldus de officier van justitie.

De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt.

Ingevolge artikel 285b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht vindt vervolging van belaging niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan. Ingevolge artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering bestaat uit een klacht uit een aangifte en een verzoek tot vervolging. Ingevolge artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht dient een klacht te worden ingediend gedurende drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit.

In het dossier bevindt zich een aangifte van aangeefster van 11 mei 20102 tegen verdachte wegens stalking. In deze aangifte is vermeld dat aangeefster uitdrukkelijk verzoekt om strafvervolging van verdachte.3 Aangeefster heeft voorts op 12 mei 2010 aangifte gedaan van vernieling en stalking door verdachte.4 In de aangifte heeft zij aangegeven dat zij wil dat verdachte wordt vervolgd wegens het haar structureel lastig vallen via de telefoon en op haar huisadres.5 Verder heeft aangeefster op 26 augustus 2010 aangifte tegen verdachte gedaan6 en aangegeven dat verdachte strafrechtelijk moet worden vervolgd voor wat hij haar heeft aangedaan.7 Ten slotte heeft aangeefster op 13 oktober 2010 aangifte gedaan van stalking door verdachte.8 Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de aangiftes van 11 en 12 mei 2010, 26 augustus 2010 en 13 oktober 2010 en gelet op de aard van het delict de drie maanden-termijn van artikel 66 van het Wetboek van Strafvordering niet overschreden, zodat het verweer van de verdediging te dien aanzien wordt verworpen. Uit de aangiftes blijkt bovendien dat aangeefster verzoekt om vervolging van verdachte. Aan de materiële voorwaarden voor het aannemen van een klacht is derhalve voldaan.

Ten aanzien van het ontbreken van de ondertekening van de aangiftes door aangeefster en verbalisanten overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 163, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient de schriftelijke aangifte door de aangever of diens gemachtigde te worden ondertekend. Uit het dossier blijkt dat de aangiftes van 11 en 12 mei 2010 niet zijn ondertekend door aangeefster. Uit de aangiftes van aangeefster, mede gelet op de ondertekende aangiftes van 26 augustus 2010 en 13 oktober 2010, blijkt dat zij uitdrukkelijk heeft verzocht om een vervolging tegen verdachte in te stellen. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 1992 (LJN: ZC8971, NJ 1992, 545) overweegt de rechtbank dat volgens de Hoge Raad het feit dat onder de aangifte dan wel klacht een handtekening van aangeefster ontbreekt er niet toe hoeft te leiden dat aan de klacht geen gevolg wordt gegeven. Het ontbreken van de handtekening kon worden toegeschreven aan het verzuim van de bevoegde opsporingsambtenaar. Ook in het onderhavige geval kan het ontbreken van de handtekening aan de opsporingambtenaar worden toegeschreven. Het verweer te dien aanzien wordt verworpen.

Ten aanzien van het verweer dat de klacht niet door een (hulp)officier van justitie is ontvangen overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn tot kennisneming van die klacht uitsluitend de officier van justitie en de hulpofficier van justitie bevoegd. De Hoge Raad heeft hieromtrent overwogen dat indien buiten twijfel staat dat de tot klacht gerechtigde een klacht heeft willen indienen in bijzondere omstandigheden, met name indien de klacht niet aan een formeel vereiste voldoet en zulks redelijkerwijs kan worden toegerekend aan de politie, kan worden aangenomen dat een zodanig verzuim niet behoeft te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging. Het gaat hier immers om een aan de tot klacht gerechtigde toekomende bevoegdheid voor de verwerkelijking en juiste vormgeving waarvan deze is aangewezen op de medewerking van opsporingsambtenaren. Indien de betrokkene zich tot de politie wendt voor het doen van een klacht, zal deze moeten worden verwezen naar een hulpofficier van justitie. Indien zulks wordt verzuimd en de klacht door een onbevoegde ambtenaar wordt ontvangen, welk verzuim voor de klachtgerechtigde in de regel niet kenbaar zal zijn, zal die omstandigheid op zichzelf niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging behoeven te leiden, aldus de Hoge Raad in het arrest van 14 oktober 1997 (LJN: ZD0821, NJ 1998, 661). In het onderhavige geval staat buiten twijfel dat aangeefster een klacht heeft willen indienen en dat het verzuim kan worden toegeschreven aan de opsporingsambtenaar. Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de raadsman verworpen. Bijkomende omstandigheden die zouden moeten leiden tot een ander oordeel, zijn gesteld noch gebleken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Aanleiding van het onderzoek

In het begin van 2009 kregen verdachte en aangeefster een relatie met elkaar. Begin 2010 beëindigde aangeefster deze relatie. Dit leidde tot meerdere voorvallen/gebeurtenissen die ook de nodige interventies van de politie Apeldoorn met zich brachten. Op 30 augustus 2010 werd verdachte aangehouden door de politie als verdachte van belaging en bedreiging. Op

13 oktober 2010 is verdachte in de woning van aangeefster wederom aangehouden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie en van de verdachte / de verdediging

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder het onder 1 tenlastegelegde aangezien verdachte dit feit heeft ontkend en het feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat pas sprake is van een inbreuk op de op de persoonlijke levenssfeer wanneer de privacygerechtigde de storing in zijn persoonlijke levenssfeer niet wenst. Het gedrag van aangeefster zelf heeft bijgedragen c.q. tot gevolg gehad dat verdachte contact met haar heeft opgenomen. Aangeefster heeft immers herhaaldelijk contact met verdachte opgenomen en in de periode van 1 april 2010 tot en met 13 oktober 2010 heeft verdachte herhaaldelijk met aangeefster afgesproken en zijn zij op een positieve manier met elkaar omgegaan. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aangeefster leugenachtige verklaringen heeft afgelegd. In dit verband zijn onder meer de verklaringen van getuigen [getuige A], [getuige B] en [getuige C] van belang. De raadsman heeft verzocht aangeefster op een nadere terechtzitting te doen horen.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onder 1 ten laste gelegde feit uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 11 mei 2010 heeft [slachtoffer] aangifte van stalking tegen verdachte gedaan. Nadat aangeefster in maart 2010 de relatie met verdachte had beëindigd, bleef verdachte contact opnemen via de telefoon, email, hyves en door aan te bellen bij haar woning. Verdachte heeft bij Hyves een nepprofiel van aangeefster gemaakt. Op 1 mei 2010 heeft verdachte uren aangebeld en in de hal gewacht van de flat van aangeefster.9

Op 12 mei 2010 heeft [slachtoffer] aangifte tegen verdachte gedaan. Verdachte heeft aangeefster die dag meerdere sms'en gestuurd vanaf het nummer [06-nummer 1].10

Op 26 augustus 2010 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan tegen verdachte van bedreiging en stalking.11 Aangeefster was op zaterdagavond 21 augustus 2010 in Dieren op een feest. In de omgeving van de woning van de vader van aangeefster kwam zij verdachte tegen. Verdachte riep naar haar. Zij was bang voor verdachte. Hij bedreigde haar regelmatig via de sms. Dit alles speelde vanaf april 2010.12

Op 13 oktober 2010 heeft [slachtoffer] aangifte tegen verdachte gedaan. Zij heeft tevens een klacht ingediend tegen verdachte.13 [slachtoffer] liep die dag om omstreeks 07:10 uur naar haar auto en zag verdachte bij haar auto. Verdachte zei tegen [slachtoffer] dat zij zich stil moest houden, niet de politie moest bellen en dat hij met [slachtoffer] wilde praten. Verdachte ging voor het portier staan zodat [slachtoffer] niet in kon stappen. [slachtoffer] heeft verdachte weggeduwd. [slachtoffer] was erg bang. Verdachte zei vervolgens tegen [slachtoffer] dat hij die middag terug zou komen en dat als [slachtoffer] niet tussen een en drie zou komen hij wat zou doen. Verdachte wilde binnen met [slachtoffer] praten over wat er verder zou gaan gebeuren.14 Die middag kwam [slachtoffer] thuis en zag verdachte bij haar appartementencomplex. Toen [slachtoffer] de deur van de centrale hal van het complex opende, stapte zij naar binnen. Verdachte liep vlak achter [slachtoffer]. [slachtoffer] wilde snel de deur dicht doen maar verdachte kwam nog met [slachtoffer] mee naar binnen. [slachtoffer] heeft gezegd dat verdachte weg moest gaan en haar met rust moest laten. [slachtoffer] was bang voor verdachte.15 Verdachte liep achter [slachtoffer] aan naar boven naar de kamer van [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft de deur geopend en verdachte liep mee naar binnen. [slachtoffer] liep naar haar slaapkamer en verdachte liep de slaapkamer binnen.16

Op 20 oktober 2010 heeft [slachtoffer] verklaard dat zij in februari 2010 een relatie heeft gekregen met verdachte en dat zij in maart 2010 heeft gezegd dat zij de relatie niet wilde voortzetten.17 Aangeefster heeft een brief verstuurd naar verdachte. Dit was een mededeling dat [slachtoffer] geen contact met hem wilde. Deze brief heeft zij ondertekend. Aangeefster heeft na het verzenden van de brief nog contact opgenomen met verdachte omdat zij bang was dat verdachte haar auto zou vernielen. Verdachte heeft toen tegen aangeefster gezegd dat hij haar niet met rust zou laten. Verdachte heeft een aantal keren op de bel van haar woning gedrukt.18

Na zijn aanhouding zijn bij verdachte een mobiele telefoon merk Samsung en twee simkaarten aangetroffen. De telefoon van verdachte is uitgelezen. Vanaf het nummer van verdachte [06-nummer 2] zijn van 21-08-2010 tot en met 29-08-2010 33 sms berichten verzonden aan aangeefster.19

In het proces-verbaal van bevindingen van 2 september 2010 is gerelateerd dat aangeefster, sms'en overhandigt aan de politie met dreigende taal afkomstig van telefoonnummer [06-nummer 2].20 In het bijzijn van de politie heeft aangeefster contact opgenomen met dit nummer. Zij kreeg verdachte aan de telefoon. Aangeefster heeft een afspraak gemaakt bij haar woning. De politie was op dat tijdstip bij de woning van aangeefster. Verdachte kwam naar de woning van aangeefster en drukte op de deurbel.21

In het proces-verbaal van bevindingen van 26 augustus 2010 is gerelateerd dat verbalisant sms berichten in de telefoon van aangeefster heeft gezien onder andere van telefoonnummer

[06-nummer 2].22

In het proces-verbaal van bevindingen van 2 september 2010 is gerelateerd dat verdachte op

1 september 2010 heeft verklaard dat hij een mobiele telefoon heeft gebruikt voor het verzenden van bedreigende sms'en aan aangeefster. Hij heeft deze telefoon neergelegd op 30 augustus 2010 in een plantenbak bij de flat van aangeefster terwijl hij naar haar onderweg was. Verbalisanten hebben op aanwijzingen van verdachte een Nokia telefoon gevonden.23 Dit bleek het toestel met nummer [06-nummer 2] te zijn waarvan verdachte had verklaard dat hij deze telefoon met dat nummer in de plantenbak had achtergelaten.24

In het proces-verbaal van bevindingen van 14 oktober 2010 is gerelateerd dat verbalisant de hem ambtshalve bekende verdachte op 24 september 2010 om omstreeks 17:45 uur en om omstreeks 19:05 uur heeft gezien bij het appartementencomplex van aangeefster, kijkend in de richting van het appartementencomplex.25

In het proces-verbaal van aanhouding van 13 oktober 201026 is het volgende gerelateerd. Nadat aangeefster [slachtoffer] de politie had gemaild dat verdachte haar die middag op zou wachten bij haar woning, hadden verbalisanten zich verdekt opgesteld bij haar woning. Verbalisanten zagen verdachte bij de woning van aangeefster. Zij zagen dat verdachte naar de woning van aangeefster liep. Zij zagen vervolgens dat verdachte tijdens het aanlopen naar de voordeur van de centrale hal iets van het trottoir oppakte en daarmee in de richting van de brievenbus liep. Zij zagen dat verdachte de brievenbus van aangeefster opende en daar iets in deponeerde en weer wegliep. Verdachte liep daarna achter aangeefster aan naar binnen. Eenmaal binnen in het appartementencomplex is verdachte achter aangeefster aan haar woning binnengelopen.27 In het proces-verbaal van bevindingen van 14 oktober 2010 is gerelateerd dat verbalisanten op

13 oktober 2010 verdachte in de woning van aangeefster hebben aangehouden. Na de aanhouding hebben verbalisanten de postbus van aangeefster opengemaakt. Zij hebben in de postbus een dode vogel aangetroffen in een plastic zak.28

Verbalisanten liepen de woning van aangeefster binnen en troffen verdachte aan op de slaapkamer van aangeefster. Verdachte werd aangehouden. In de brievenbus van aangeefster werd een dood vogeltje gevonden.29 Verdachte heeft verklaard dat hij ervan baalde dat aangeefster niet met hem wilde praten, dat zij zijn leven kapot had gemaakt en dat hij direct na een vrijlating naar aangeefster toe zou gaan om zijn recht te krijgen en tekst en uitleg te vragen.30

Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat verdachte ontkent het vogeltje in de brievenbus te hebben gegooid en dat ook een poststuk in die bus zat, wordt het (bewijs)verweer verworpen. Daarbij speelt een rol, dat verdachte op dit punt bij de politie niet heeft willen verklaren en ter terechtzitting een beroep op zijn zwijgrecht heeft gedaan. Daar staat tegenover dat verbalisanten verdachte iets van het trottoir hebben zien oppakken en vervolgens hem naar de brievenbus hebben zien lopen waar zij zagen dat verdachte die opende en er iets in stopte. Later bleek een dood vogeltje in de bus te liggen. Op grond hiervan komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte dat vogeltje in de bus heeft gedaan.

Getuige [getuige D] heeft op 20 oktober 2010 bij de politie verklaard dat hij in hetzelfde appartementencomplex als aangeefster woont. Het is hem bekend dat op [adres] een meisje woont dat wordt lastig gevallen door een man. [getuige D] kent deze man als [verdachte]. Hij ziet [verdachte] regelmatig voor de flat lopen. In de afgelopen twee maanden heeft hij [verdachte] vijf of zes keer gezien. De laatste keer was ongeveer twee weken geleden.31 [verdachte] kwam meestal op de fiets aanrijden en bleef dan uren rondhangen bij haar flat. Hij staarde dan naar haar flat. Dit kon hij uren volhouden. Hij maakte ook foto's of opnames van haar flat met zijn mobiele telefoon. Begin oktober zag [getuige D] dat [verdachte] de banden van de auto van aangeefster leeg liet lopen. [getuige D] rende naar buiten om [verdachte] aan te spreken. Soms kwam [verdachte] ook met een andere man in een grijze auto langsrijden.32

Getuige [getuige E] heeft op 19 oktober 2010 bij de politie verklaard dat zij in hetzelfde appartementencomplex als aangeefster woont. Zij heeft verklaard dat eind 2009 begin 2010 voor de deur van de beneden buurvrouw een jongen zat. Hij zat daar soms uren. Hij krabde dan zijn arm open. Hij zei dat hij [verdachte] heette en dat hij zenuwachtig was omdat hij op haar zat te wachten. Hij vertelde [getuige E] dat ze problemen hadden gehad en dat de benedenbuurvrouw hem niet meer wilde spreken en dat ze ook de telefoon niet meer opnam. Als [getuige E] dreigde met de politie ging [verdachte] wel weg. [getuige E] heeft een keer de benedenbuurvrouw aangesproken. Zij vertelde dat ze door hem werd gestalkt en dat hij niet meer naar binnen mocht van de politie. [getuige E] zag [verdachte] ook regelmatig buiten, zeker wekelijks.33 Soms bleef hij uren staan. [getuige E] denkt dat ze hem twee á drie weken geleden voor het laatst heeft gezien. Afgelopen zomer heeft hij een steen tegen de ruit van de woning van de benedenbuurvrouw gegooid. [getuige E] zag dat hij een woedeaanval had. [getuige E] heeft ook gezien dat hij stenen of bierblikjes tegen de voorruit van de auto van de benedenbuurvrouw gooide. Als hij door de politie was weggestuurd, liep hij later gewoon weer rond.34

Verdachte heeft op 31 augustus 2010 bij de politie verklaard dat de navolgende e-mailadressen zijn [e-mailadres 1], [e-mailadres 2] en [e-mailadres 3] van hem zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij de afgelopen twee weken dagelijks contact had met aangeefster35 36 en dat als hij begint met sms'en hij niet meer kan stoppen. Dan wil hij een reactie en dan kan hij vervelend worden. Verdachte heeft voorts verklaard dat zij eerder wel contact via MSN hadden gehad en dat zij elkaar sinds medio augustus sms-berichten versturen.37 Volgens verdachte had hij dagelijks contact met aangeefster via internet (MSN).38

Verdachte heeft op 1 september 2010 bij de politie verklaard dat hij in Dieren is geweest om aangeefster te zien39 en dat in de telefoon die in de plantenbak is gevonden sms-berichten staan die bedreigend van aard zijn. Hij pakte aangeefster terug voor de dingen die zij met hem had gedaan.40 Hij doet dit vanaf 30 april 2010 naar aangeefster.41

De rechtbank acht, gelet op de aangiftes, de getuigenverklaringen en de processen-verbaal van bevindingen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is als het gaat om de aard van de verweten gedragingen, de frequentie en intensiteit daarvan. Daarin ligt ook de stelselmatigheid besloten. Aangeefster heeft uitvoerig, consistent en gedetailleerd verklaard over het grensoverschrijdende gedrag van verdachte. De beschrijving van aangeefster over het gedrag van verdachte komt overeen met de getuigenverklaringen van [getuige F] en [getuige D] en de verklaringen van verbalisanten. Gelet op voormelde omstandigheden, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de feitelijke gedragingen van verdachte zoals door aangeefster en ook door verbalisanten beschreven.

De rechtbank acht het horen van aangeefster op een terechtzitting niet noodzakelijk en wijst dit verzoek af nu aangeefster door de rechter-commissaris onder ede en in aanwezigheid van de raadsman is gehoord. De raadsman heeft derhalve voldoende gelegenheid gehad om aangeefster te bevragen. In de eerst bij pleidooi overgelegde producties ziet de rechtbank evenmin noodzaak aangeefster te horen, om na te melden redenen.

De rechtbank overweegt verder dat verdachte meerdere keren door de politie is gewaarschuwd en aangehouden in verband met belaging van aangeefster. Uit het dossier blijkt dat aangeefster verdachte een brief heeft gestuurd met de mededeling dat hij geen contact met haar mocht zoeken. Verdachte was derhalve bekend met de omstandigheid dat aangeefster geen contact met hem wenste. Verdachte heeft deze waarschuwingen naast zich neergelegd en is doorgegaan met het op verschillende manieren zoeken van contact met aangeefster. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat verdachte op 31 augustus 2010 bij de politie heeft verklaard dat hij dagelijks contact had met aangeefster en dat als hij begint met sms'en hij niet meer kan stoppen, dan wil hij een reactie hebben en dat hij dan hij vervelend kan worden. Op

1 september 2010 heeft verdachte verklaard dat hij aangeefster dreigende sms'jes heeft gestuurd en dat hij dit vanaf 30 april 2010 heeft gedaan. Voor zover de verdediging aan de hand van eerst bij pleidooi overgelegde stukken gedateerd op tijdstippen in de periodes april, mei en juni 2010 en mei, juni en augustus 2011 (nader) heeft betoogd dat aangeefster zelf meermalen contact met verdachte zou hebben gezocht, overweegt de rechtbank als volgt. De betreffende kopieën, waarvan is gesteld noch gebleken dat deze niet (veel) eerder konden worden overgelegd terwijl in september 2011 de verhoren bij de rechter-commissaris nog niet waren afgerond, kunnen door de rechtbank niet op authenticiteit worden onderzocht. Het betoog van de verdediging dat aangeefster zelf contact heeft gezocht met verdachte en dat (aldus) geen sprake is van een inbreuk op haar privacy, acht de rechtbank in het licht van het vorenstaande niet aannemelijk geworden. Het doet derhalve niet af aan het strafwaardige van verdachtes handelen in de hier ten laste gelegde periode. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de periode van 1 april 2010 tot en met 13 oktober 2010 wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster met de bedoeling om contact tussen hen beide af te dwingen, desnoods op intimiderende wijze. Daarmee heeft verdachte het vereiste oogmerk gehad. Het onder

1 tenlastegelegde kan derhalve worden bewezen verklaard.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 2 ten laste gelegde vernieling kan worden bewezen verklaard.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat verdachte het tenlastegelegde heeft ontkend.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onder 2 ten laste gelegde feit uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 19 augustus 2010 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van vernieling van haar auto. Die dag werd [slachtoffer] omstreeks 18.37 uur gebeld door een huisgenoot met de mededeling dat verdachte in haar straat was gezien. Toen [slachtoffer] naar huis ging, zag zij dat de voorruit van haar auto stuk was.42

Getuige [getuige F] heeft op 19 augustus 2010 tegenover de politie verklaard dat hij op 19 augustus 2010 omstreeks 18.20 uur had gezien dat de ex-vriend van aangeefster bij haar auto stond met iets in zijn hand. Hij sloeg hiermee op de voorruit van de auto van aangeefster. Toen getuige naar buiten rende, liep de man weg. Vijf minuten later kwam hij weer terug op de fiets met iets grijs in zijn handen waarmee hij op de voorruit van de auto van aangeefster sloeg.43 De man die de auto heeft vernield, kent hij als [verdachte]. Hij had een relatie met aangeefster, getuiges bovenbuurvrouw. Hij heeft de man al veel vaker gezien.44

Getuige [getuige D] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 19 augustus 2010 omstreeks 18.30 uur een jongen op een fiets zag. Het was de ex-vriend van een buurvrouw. Deze jongen fietste met iets in zijn hand langs de auto van de buurvrouw. Hij sloeg maar een keer. De voorruit van de auto van aangeefster barstte toen hij erop sloeg.45 Hij weet zeker dat het de

ex-vriend van de buurvrouw was.46

De rechtbank hecht meer belang aan de gedetailleerde verklaringen van [getuige F] en [getuige D] dan aan de ontkennende verklaring van verdachte. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank, ondanks de ontkenning van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 ten laste gelegde vernieling heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 2010 tot en met 13 oktober 2010, te Apeldoorn en Dieren, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft/is hij in genoemde periode:

- meerdere malen telefonisch contact met [slachtoffer] gezocht,

- meerdere malen (een) sms-bericht(en) naar [slachtoffer] verzonden,

- meerdere malen naar en/of in en/of in de omgeving van de woning van deze

[slachtoffer] gegaan en/of geweest en/of zich opgehouden,

- meerdere malen (een) e-mailbericht(en) naar [slachtoffer] verzonden,

- meerdere malen via internet contact gezocht met en/of (een) bericht(en) verstuurd naar

[slachtoffer],

- een brief of (een) (beschreven) stuk(ken) papier en een (dood) vogeltje in haar brievenbus

gestopt;

2.

hij op of omstreeks 19 augustus 2010 te Apeldoorn opzettelijk en wederrechtelijk een auto (Volkswagen Fox), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft beschadigd.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1: Belaging;

Feit 2: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele

toebehoort aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Naar de geestvermogens van verdachte is een psychiatrisch onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn opgenomen in een Pro Justitia rapport van drs. L.P. Heinsman, psychiater van 31 januari 2011. In dit rapport wordt - onder meer - het volgende geconstateerd:

Betrokkene lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een pervasieve ontwikkelingsstoornis Niet Anders Omschreven en cannabisafhankelijkheid. De herhaalde dreiging van verlating werd vanuit zijn voorgeschiedenis met verlating niet verdragen. Vanuit zijn pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO beet betrokkene zich op een rigide manier vast waarbij zijn kwalitatieve beperkingen in de wederkerige sociale interactie aanleiding gaf tot oplopende spanningen. Betrokkene heeft de neiging de realiteit in te kleuren aan de hand van eigen rigide opvattingen en de eigen belevingswereld. De cannabis draagt bij aan een verdere afname van innerlijke remming met effecten als onverschilligheid, afname van gewetensfuncties en een afname van empathie.

Geadviseerd wordt om betrokkene voor beide ten laste gelegde feiten, voor zover bewezen geacht, als verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en zij neemt deze over.

Verdachte is strafbaar nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 250 dagen, waarvan 87 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die door verdachte en in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht met een proeftijd van twee jaren. Als bijzondere voorwaarde dient een contactverbod met aangeefster in het vonnis te worden opgenomen. Bij de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het psychiatrisch rapport en het reclasseringsrapport. De officier van justitie heeft aangegeven geen reclasseringstoezicht te vorderen nu de reclassering daartoe geen mogelijkheden ziet omdat verdacht hiervoor niet gemotiveerd is.

De raadsman heeft bepleit een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Hij heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de omstandigheden dat de reclassering verdachte heeft benadeeld, dat het Openbaar Ministerie ervoor heeft gezorgd dat verdachte zonder dat daartoe aanleiding was in een politiecel is beland en dat verdachte al meerdere keren in verzekering is gesteld voor deze strafzaak. De raadsman heeft verzocht de reclassering nader te doen horen door de rechtbank. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat een lagere straf dan de strafeis dient te worden opgelegd omdat de politie verdachte onjuist heeft voorgelicht omtrent de consultatiebijstand door een raadsman. Tevens wordt verzocht om de eventueel op te leggen straf te verlagen in verhouding tot de ernst van het verzuim met betrekking tot de klacht. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte een first offender is, weer een vaste woon- en verblijfplaats heeft, aan het solliciteren is en bezig is met het vinden van een geschikte opleiding.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zijn ex-vriendin gedurende een periode van ongeveer een half jaar meermalen gebeld, ge-sms't, met haar via internet contact gezocht en zich in de buurt van haar woning opgehouden, terwijl aangeefster heeft aangegeven dat zij daar geen prijs op stelde en dat verdachte daarmee moest stoppen. Verdachte heeft haar stelselmatig lastiggevallen en inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Ondanks verschillende waarschuwingen van de politie is verdachte niettemin doorgegaan met het lastigvallen van zijn ex-vriendin, omdat hij contact met haar wilde. Een dergelijke stelselmatige inbreuk op de privacy raakt de persoon en het welbevinden van de betrokkene. De ervaring leert dat slachtoffers van belaging hiervan nog geruime tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden, zoals ook is gebleken uit de ter terechtzitting voorgehouden schriftelijke verklaring van aangeefster.

Verdachte heeft voorts de voorruit van de auto van aangeefster stuk geslagen. Door het plegen van dit feit heeft hij aangeefster niet alleen angst aangejaagd maar ook schade berokkend.

De rechtbank houdt ten voordele van verdachte rekening met de hiervoor vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor dergelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft voorts laten meewegen dat in het voormelde rapport van de psychiater is vermeld dat door het ontbreken van structuur of behandeling de kans op recidive als hoog wordt ingeschat. De psychiater heeft derhalve een poliklinische behandeling geadviseerd. Uit het reclasseringsadvies van 26 januari 2012 volgt dat recidive niet is uitgesloten, maar een behandelverplichting lijkt niet uitvoerbaar. Verdachte heeft zich niet gehouden aan de voorwaarden en aanwijzingen die hem in het kader van een schorsingstoezicht zijn opgelegd en zijn gegeven. Verdachte heeft ook bij Kairos een weinig meewerkende houding laten zien, aldus de reclassering. De reclassering heeft geadviseerd om geen reclasseringstoezicht op te leggen.

De rechtbank zal derhalve geen reclasseringstoezicht opleggen, nu verdachte ter terechtzitting heeft aangegeven geen vertrouwen in de voorgestelde behandeling te hebben en hiervoor niet gemotiveerd te zijn. De rechtbank ziet geen noodzaak om de reclassering te doen horen nu de inhoud van de reclasseringsadviezen daartoe geen aanknopingspunten bieden en het verzoek overigens onvoldoende is onderbouwd. Verdachte heeft aangegeven dat hij met hulp van zijn huisarts een behandeling zal ondergaan. De rechtbank zal ter bescherming van aangeefster en teneinde recidive te voorkomen een aanzienlijk voorwaardelijk strafdeel opleggen, waaraan gekoppeld een contactverbod voor de duur van het eerste jaar van de proeftijd. Die keuze is ingegeven door de inmiddels verstreken tijd en de omstandigheid dat niet is gebleken van mogelijk nieuw grensoverschrijdend gedrag van verdachte jegens aangeefster.

Alles overwegende zal de rechtbank de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht met een proeftijd van twee jaren.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 76,29 (schade van een ruitenwisser en een fietsslot) gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de ruitenwisser. De benadeelde partij dient ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van het fietsslot niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De raadsman heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij af te wijzen als zijnde onbewezen en/of ongegrond. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte schade aan de ruitenwisser en een fietsslot zou hebben toegebracht. De raadsman verzoekt de benadeelde partij te veroordelen in de proceskosten.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, niet althans onvoldoende komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Nu de behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, met compensatie van de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 57, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* wijst af het verzoek van de verdediging tot het horen van [slachtoffer] als getuige;

* wijst af het verzoek van de verdediging tot het horen van (een medewerker van) de reclassering;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1: Belaging;

Feit 2: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele

toebehoort aan een ander toebehoort, vernielen.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde gedurende het eerste jaar van de proeftijd, op geen enkele wijze contact zal leggen of laten leggen met [slachtoffer];

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering, met compensatie van de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs. Kropman, voorzitter, Van der Mei en Gilhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 februari 2012.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0625 2010134721-1, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 14 oktober 2010.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 217-219.

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 217.

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 225-228.

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 227.

6 (stam)Proces-verbaal, nummer PL0625 2010126482-1, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 5 oktober 2010, p. 53-58.

7 stam)Proces-verbaal, nummer PL0625 2010126482-1, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 5 oktober 2010, p. 55.

8 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 11-18.

9 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 217 en 218.

10 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 225 en 226.

11 (stam)Proces-verbaal, nummer PL0625 2010126482-1, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 5 oktober 2010, p. 53-58.

12 (stam)Proces-verbaal, nummer PL0625 2010126482-1, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 5 oktober 2010, p. 53 en 54.

13 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 11.

14 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 12.

15 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 13.

16 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 14.

17 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer], p. 202.

18 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer], p. 203.

19 stam)Proces-verbaal, nummer PL0625 2010126482-1, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 5 oktober 2010, p. 75-145.

20 (stam)Proces-verbaal, nummer PL0625 2010126482-1, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 5 oktober 2010, p. 66 en 67.

21 (stam)Proces-verbaal, nummer PL0625 2010126482-1, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 5 oktober 2010, p. 68 en 69.

22 (stam)Proces-verbaal, nummer PL0625 2010126482-1, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 5 oktober 2010, p. 71.

23 (stam)Proces-verbaal, nummer PL0625 2010126482-1, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 5 oktober 2010, p. 73.

24 (stam)Proces-verbaal, nummer PL0625 2010126482-1, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 5 oktober 2010, p. 74.

25 Proces-verbaal van bevindingen van 14 oktober 2010, p. 64.

26 Proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2010, p. 31-34.

27 Proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2010, p. 32.

28 Proces-verbaal van bevindingen van 14 oktober 2010, p. 59 en 60.

29 Proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2010, p. 33.

30 Proces-verbaal van bevindingen van 13 oktober 2010, p. 33.

31 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige D], p. 210.

32 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige D], p. 211.

33 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige G] p. 208.

34 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige G] p. 209.

35 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0625 2010126482-1, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 5 oktober 2010.

36 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 215.

37 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 216.

38 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 218.

39 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 223.

40 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 223.

41 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 224.

42 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 17-19.

43 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige F], p. 29.

44 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige F], p. 30.

45 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige D], p. 31.

46 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige D], p. 32.