Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BV7135

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-02-2012
Datum publicatie
28-02-2012
Zaaknummer
06/940484-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft bij tussenbeslissing bepaald dat de verdachte van een steekpartij op een bungalowpark opnieuw onderzocht wordt door gedragsdekundigen over de wenselijkheid van het opleggen van een TBS-maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940484-10

Uitspraak d.d.: 28 februari 2012

tegenspraak / oip

TUSSENBESLISSING

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1954],

wonende te [plaats],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Flevoland, locatie Almere Binnen te Almere.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

14 februari 2012.

Procesverloop

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 februari 2012 heeft de rechtbank te beslissen op:

- het verzoek van de officier van justitie om te zaak aan te houden teneinde aanvullend te laten rapporteren omtrent de persoon van verdachte;

Beslissing ten aanzien van de aanhouding

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de strafzaak dient te worden aangehouden om meer informatie te verkrijgen van deskundigen over de wenselijkheid van het opleggen van een TBS-maatregel.

Verdachte is met een bevel observatie opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum (verder: PBC), maar nu verdachte heeft geweigerd mee te werken, heeft het PBC geen diagnose kunnen stellen en kan geen uitspraak gedaan worden over verminderde toerekeningsvatbaarheid, het recidivegevaar en behandelingsnoodzaak.

Omdat verdachte weigert mee te werken, komt de wettelijke eis te vervallen dat er een met redenen omkleed advies van twee gedragsdeskundigen moet zijn (art 37a lid 3 jo 37 lid 2 en 3, Wetboek van Strafvordering).

Wel moet de rechtbank zich zoveel mogelijk laten voorlichten omtrent de wenselijkheid en noodzakelijkheid van een TBS-maatregel, bijvoorbeeld door middel van oude rapporten, waaraan verdachte wel mee heeft willen werken (37a lid 4, Wetboek van Strafvordering).

In het dossier bevindt zich een rapport van psychiater Boksem, waarin staat dat sprake is van narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken, verminderde toerekeningsvatbaarheid ten tijde van het plegen van het delict en recidivegevaar en dat behandeling noodzakelijk is. Voorts blijkt uit de rapportage van het PBC dat deze zelfde diagnose in 1997 is gesteld door psychiater Schoevers en psycholoog Oudejans en dat destijds door deze deskundigen advies is gegeven TBS met dwangverpleging op te leggen. Oudejans heeft toen geconcludeerd dat behandeling in een ambulant kader, gelet op de aard en de ernst van de narcistische stoornis, weinig of geen kans van slagen had. De conclusie van Schoevers was dat hij niet overtuigd was geraakt van een enigszins gewortelde motivatie voor verandering, bijvoorbeeld door middel van gerichte behandeling, zeker niet wanneer die op vrijwillige basis zou moeten geschieden.

Aangezien verdachte niet heeft willen meewerken met het PBC-onderzoek, is de officier van justitie van mening dat alsnog de rapporten uit 1997 en 1998 in hun geheel in het dossier moeten worden gevoegd. Mocht de zaak worden aangehouden dan zal de officier van justitie ook de rapporten van de contra-expertise alsnog in dit dossier voegen.

Naast de conclusies van Boksem en de rapporten uit 1997 en 1998 acht de officier van justitie het van belang dat de rapporteurs van PBC aangeven dat de huidige gedragsobservaties aansluiten bij het beeld dat over betrokkene wordt geschetst in 1997 (Schoevers en Oudejans) en 2011 (Boksem). Hierdoor zal, aldus de officier van justitie, het beeld ontstaan dat de destijds beschreven gedragspatronen de afgelopen jaren niet wezenlijk zijn veranderd.

Voorts geldt dat vanuit de collaterale informatie er voldoende gegevens zijn om te kunnen stellen dat betrokkene sinds geruime tijd bekend is met gebruik van alcohol en dat er volgens de DSM IV-classificatie gesproken kan worden van misbruik van alcohol. Echter over de invloed van alcohol op betrokkene kunnen door gebrek aan onderzoek geen uitspraken worden gedaan.

Op grond van de genoemde rapporten kan volgens het openbaar ministerie wel vastgesteld worden dat sprake is van stoornissen bij verdachte. Ook heeft psychiater Boksem duidelijk aangegeven dat die stoornissen van invloed zijn geweest ten tijde van het tenlastegelegde en dat verdachte daardoor licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Recidivegevaar kan op grond van de stoornissen, de omstandigheden/toedracht van het onderhavige feit en het strafblad van verdachte worden vastgesteld.

Het punt waarop volgens de officier van justitie op dit moment onvoldoende informatie over voorhanden is, is de wenselijkheid van een TBS-kader. Door de psychiater wordt een behandeling in kader voorwaardelijk strafdeel geadviseerd. Echter, gelet op de ernst van het feit is daar wat het openbaar ministerie betreft geen ruimte voor. Niet duidelijk is of de psychiater TBS als mogelijk op te leggen maatregel heeft overwogen, en zo niet, waarom niet. In een recent telefoongesprek met de officier van justitie heeft psychiater Boksem aangegeven dat zij, nu verdachte medewerking aan onderzoek PBC heeft geweigerd, desgevraagd bereid is de wenselijkheid van de TBS-maatregel verder te onderzoeken. Daarvoor zou zij verdachte nog nader willen/moeten spreken Ook gaf zij nog aan, aldus de officier van justitie, dat de kans van slagen van behandeling in voorwaardelijk kader niet heel groot moet worden geacht, gelet op de problematiek van verdachte.

Het PBC doet in het geheel geen uitspraken over behandeling indien een verdachte weigert mee te werken aan observatie/onderzoek.

Bovenstaande in aanmerking nemende is de officier van justitie van mening het van belang is dat meer informatie wordt verkregen van deskundigen over de wenselijkheid van oplegging van een TBS-maatregel.

Daartoe verzoekt zij de rechtbank de zaak aan te houden en op de volgende zitting de psychiater Boksem en de deskundigen van het PBC, Van Helvoirt en Geldermalsen, als deskundigen te horen en hen vóór die zitting schriftelijk te laten rapporteren over de wenselijkheid van een ambulante behandeling of een behandeling in het kader van een TBS-maatregel.

De raadsman heeft zich verzet tegen het verzoek tot aanhouding. Dat cliënt niet heeft willen meewerken aan een onderzoek in het PBC is zijn goed recht. De oude pro justitia rapporten zien op andere feiten en zijn bovendien veel te oud om nog in deze strafzaak te betrekken.

De rechtbank overweegt als volgt.

De officier van justitie heeft kenbaar gemaakt dat zij gelet op de ernst en de omstandigheden van de feiten overweegt een TBS-maatregel te eisen.

Voor het opleggen van de TBS is een noodzakelijke voorwaarde dat de rechtbank het bestaan van een psychische stoornis in de zin van artikel 37a, lid 1 aanhef van het Wetboek van Strafvordering tijdens het begaan van de feiten heeft vast gesteld.

Verdachte is met een bevel observatie van de rechtbank opgenomen geweest in het PBC, maar heeft zijn medewerking aan een deskundigenonderzoek geweigerd. Bij een weigerende observandus is de eis van multidisciplinair onderzoek als bedoeld in artikel 37, lid 2 Wetboek van Strafvordering niet van toepassing, maar bevordert de rechtbank dan wel zoveel mogelijk dat hem een ander advies of rapport over de wenselijkheid van last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis wordt overgelegd. Hierbij kan ook gebruik worden gemaakt van oudere psychiatrische en/of psychologische rapporten die over de persoonlijkheid van verdachte zijn uitgebracht (bijvoorbeeld in een andere strafzaak) en langer dan een jaar vóór de aanvang van de terechtzitting zijn gedateerd. Deze adviezen en/of rapporten dienen deel uit te maken van het nieuwe strafdossier.

Dit in aanmerking nemende, onderkent de rechtbank het belang van de officier van justitie bij de door haar gewenste aanvullende informatie, nu zij voornemens is het opleggen van een TBS-maatregel te eisen.

De rechtbank is van oordeel dat de stukken in handen van de rechter-commissaris dienen te worden gesteld ter benoeming van twee nieuwe gedragsdeskundigen, een psychiater en een psycholoog, die niet eerder bij deze zaak betrokken zijn geweest, en dat door hen een multidisciplinair rapport zal worden opgesteld. De deskundigen dienen bij hun advisering ook de door de officier van justitie overgelegde oude rapporten uit 1997 en 1998 van psychiater Schoevers en psycholoog Oudejans en de nog te overleggen stukken van de eerder opgemaakte contra-expertise te betrekken.

BESLISSING

De rechtbank:

• schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd.

• stelt de uiterste termijn waarbinnen het onderzoek ter terechtzitting dient te worden hervat op drie maanden. Deze termijn is langer dan een maand om de klemmende reden dat moet worden aangenomen dat een kortere termijn ontoereikend zal zijn voor het afronden van het onderzoek door de deskundigen en het appointeren van de zaak ter voortzetting van de behandeling ter terechtzitting.

• stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde een persoonlijkheidsonderzoek, bestaande uit een psychiatrisch- en psychologisch onderzoek betreffende verdachte in te stellen en daartoe twee nieuwe, niet eerder bij deze strafzaak betrokken, gedragsdeskundigen te benoemen. Bij de advisering van de gedragsdeskundigen dienen ook betrokken te worden;

o de oude rapporten van psychiater Schoevers en psycholoog Oudejans uit 1997 en 1998;

o de stukken van de contra-expertise;

• beveelt dat de officier van justitie het dossier zal completeren met de stukken van de contra-expertise en een exemplaar daarvan aan de raadsman doet toekomen;

• beveelt de oproeping van verdachte en de benadeelde partijen tegen een nader te bepalen terechtzitting met kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

Aldus beslist door mr. Follender Grossfeld, mr. Van Valderen en mr. Van der Hooft, rechters, in tegenwoordigheid van De Badts, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 februari 2012.

Mr. Follender Grossfeld is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.