Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BV3654

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
10-02-2012
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
06-940432-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, een 22 jarige man uit Zutphen, heeft bekend dat hij in oktober 2011 van twee oudere dames het tasje heeft geprobeerd te stelen. Bij de eerste dame, destijds 84 jaar oud, slaagde hij er niet in om het tasje te pakken te krijgen. Wel kwam de vrouw ten val en brak haar bovenarm op meerdere plaatsen. De tweede poging was wel succesvol: met geweld trok verdachte de tas uit de handen van een 86-jarige vrouw. Verdachte werd achtervolgd en ingesloten door voorbijgangers, waarna de politie hem heeft aangehouden.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij de tasjes wilde stelen omdat hij honger had. Dat vindt de rechtbank niet geloofwaardig. Verdachte heeft namelijk eerder verklaard dat hij dit deed om te kunnen blowen. Hij rookte destijds 2 tot 20 joints per dag en gebruikte af en toe ook harddrugs. Behalve de tasjesroven bekende verdachte ook twee vernielingen (beide aan dezelfde voordeur) in januari 2011.

Voor deze vier feiten wordt aan verdachte een gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940432-11

Uitspraak d.d.: 10 februari 2012

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1990],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Doetinchem te Doetinchem.

raadsman: mr. J.A.B.H.M. Willemse advocaat te Zutphen.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 januari 2012.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, na mondelinge aanvulling van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Feit 1

hij op of omstreeks 15 oktober 2011 in de gemeente Zutphen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf op of aan de openbare weg, De Barlheze, in ieder geval op of aan een openbare weg,

om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een (hand)tas, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer A], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren,

immers heeft verdachte met voornoemde oogmerk die [slachtoffer A] (onverhoeds) van achteren benaderd en/of (vervolgens) (met kracht) aan de (hand)tas van die [slachtoffer A] gerukt en/of getrokken, waardoor die [slachtoffer A] zwaar lichamelijk letsel (een gebroken arm) heeft bekomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2

hij op of omstreeks 15 oktober 2011 in de gemeente Zutphen op of aan de openbare weg, het Oskamstraatje, in ieder geval op of aan de openbare weg,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (hand)tas (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die [slachtoffer B] (onverhoeds) van achteren heeft benaderd en/of (met kracht) die tas en/of de arm van die [slachtoffer B] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) de arm en/of de pols van die [slachtoffer B] (met kracht) naar achteren heeft gedraaid en/of de tas (met kracht) heeft losgerukt en/of losgetrokken;

Feit 3

hij op of omstreeks 1 januari 2011 in de gemeente Zutphen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een (voor)deur (van een woning / appartementencomplex), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Feit 4

hij op of omstreeks 7 januari 2011 in de gemeente Zutphen opzettelijk en wederrechtelijk een (voor)deur (van een woning / appartementencomplex), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Aanleiding tot het onderzoek ter zake de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten was de melding dat een vrouw in Zutphen was beroofd van haar tas. Kort daarop volgde de melding dat de verdachte van deze beroving na een achtervolging door een burger was aangehouden.2

Aanleiding tot het onderzoek ter zake de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten was in beide gevallen de aangifte door [slachtoffer C] namens haar huurbaas [slachtoffer D].3,4

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, maar dat hij van het onder 3 en 4 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Immers blijkt niet van enige schade aan de deur, als gevolg van de trappen die verdachte daartegen heeft gegeven.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Verdachte heeft zowel bij de politie5 als ter terechtzitting6 ten aanzien van dit feit bekennende verklaringen afgelegd. Hier zal dan ook volstaan worden met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Voorts is voor het bewijs voorhanden:

- de aangifte door [slachtoffer A];7

- de door aangeefster afgelegde aanvullende verklaring,8 en

- een brief van 4 januari 2012, opgesteld door dr. Van Geffen over het letsel dat aangeefster door het feit heeft opgelopen.9

Feit 2

Verdachte heeft zowel bij de politie10 als ter terechtzitting11 ten aanzien van dit feit bekennende verklaringen afgelegd. Hier zal dan ook volstaan worden met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Voorts is voor het bewijs voorhanden:

- de aangifte door [slachtoffer B].12

Feiten 3 en 4

Verdachte is op 1 januari 2011 samen met drie anderen naar de woning van aangeefster gegaan. Toen aangeefster niet open deed, schopte één van de anderen in het gezelschap twee keer tegen de voordeur, maar er gebeurde niet veel. Vervolgens schopte nog een ander twee à drie keer tegen de deur, eveneens zonder resultaat. Ten slotte plaatste verdachte "één goeie trap" tegen de deur, waarna deze open vloog.13

Aangeefster, woonachtig aan de [adres] te Zutphen, hoorde dat er vier of vijf keer tegen de deur aan werd getrapt.14 Haar vriend is beneden gaan kijken en zag dat de toegangsdeur was ingetrapt. Aangeefster huurt dit pand van [slachtoffer D] en deed mede namens deze aangifte.15

De vrijdagavond daarop, 7 januari 2011, liep verdachte langs de woning van aangeefster en trapte daarbij opnieuw haar voordeur in, 'om [slachtoffer C] te pesten'.16 Aangeefster hoorde gebonk bij de voordeur. Zij liep hierop naar het raam, om te zien wie dat deed, en hoorde op dat moment de deur beneden open gaan. Zij hoorde daarbij een harde knal en een metalen voorwerp dat op de grond viel. Vanuit het keukenraam zag zij verdachte van haar woning weglopen in de richting van de Beukerstraat. De voordeur bleek open te staan. Het slot was van het hout van de deur gebroken en lag op de grond. Dit was een tijdelijk slot, aangebracht nadat de deur in de nacht van 31 december 2010 op 1 januari 2011 vernield was.17

Bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 3 en 4

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier wel blijkt van schade aan de voordeur van aangeefster. Zij spreekt immers in haar tweede aangifte over een slot dat in de voordeur was aangebracht, omdat het slot op 1 januari 2011 was vernield door het intrappen van de deur door verdachte. Op 7 januari 2011 is het slot niet alleen uit de deur op de grond gevallen, maar bovendien losgebroken van het hout van de deur. Hieruit blijkt dat er schade is toegebracht aan de voordeur als gevolg van het opentrappen: de eerste keer is het slot (kennelijk) dusdanig beschadigd dat het vervangen diende te worden. De tweede keer is het zelfs van het hout van de deur gebroken en op de grond gevallen. De onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten zijn daarom wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

Feit 1

hij op 15 oktober 2011 in de gemeente Zutphen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf op de openbare weg, De Barlheze, om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een handtas, toebehorende aan [slachtoffer A] en daarbij die voorgenomen diefstal te doen vergezellen van geweld tegen die [slachtoffer A], te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken

immers heeft verdachte met voornoemd oogmerk die [slachtoffer A] onverhoeds van achteren benaderd en vervolgens met kracht aan de handtas van die [slachtoffer A] gerukt en getrokken, waardoor die [slachtoffer A] zwaar lichamelijk letsel (een gebroken arm) heeft bekomen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2

hij op 15 oktober 2011 in de gemeente Zutphen op de openbare weg, het Oskamstraatje,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een handtas met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer B], welke diefstal werd vergezeld van geweld gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte die [slachtoffer B] onverhoeds van achteren heeft benaderd en die tas en de arm van die [slachtoffer B] heeft vastgepakt en vervolgens de arm en/of de pols van die [slachtoffer B] met kracht naar achteren heeft gedraaid en de tas met kracht heeft losgerukt;

Feit 3

hij op 1 januari 2011 in de gemeente Zutphen tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur van een appartementencomplex, toebehorende

aan [slachtoffer D], heeft vernield;

Feit 4

hij op 7 januari 2011 in de gemeente Zutphen opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur van een appartementencomplex, toebehorende aan [slachtoffer D], heeft vernield.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1: Poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

Feit 2: Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

Feit 3: Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

Feit 4: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering.

De raadsman heeft geconcludeerd dat aan verdachte ten hoogste een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd gelijk aan de periode die hij thans in voorarrest heeft doorgebracht, eventueel aangevuld met een werkstraf. Hij heeft daartoe aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zijn persoonlijke omstandigheden, het feit dat verdachte zich vrijwillig en zelfstandig heeft aangemeld bij het Jeugd-ACT, zijn slechte financiële situatie en zijn gebrek aan eten ten tijde van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ten slotte heeft de raadsman gewezen op het beperkte strafblad van verdachte.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op de over verdachte opgemaakte rapporten van Reclassering Nederland d.d. 30 november 2011 en van psychiater J.H. Verhoef, alsmede dat van Trajectonsult d.d. 31 oktober 2011.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee vernielingen van (één en dezelfde) voordeur, zonder enige aanleiding. Vernieling is een ergerlijk feit, dat aan de betrokkenen overlast en schade berokkent. Bovendien moet het opentrappen van hun voordeur in de avond- en nachtelijke uren voor de bewoners in kwestie als zeer bedreigend zijn ervaren.

Maar daarenboven heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een voltooide straatroof en een poging daartoe. Hij is naar eigen zeggen doelbewust op zoek gegaan naar personen van wie hij de tas kon stelen. Op de Barlheze te Zutphen trof hij zijn eerste slachtoffer, een vrouw van 84 jaar (aangeefster [slachtoffer A]). Verdachte benaderde haar van achteren en rukte hard aan haar handtas. Daarbij kwam de vrouw ten val, waardoor zij haar arm op meer plaatsen gebroken heeft. Onduidelijk is of dit geheel zal herstellen.

Deze mislukte poging heeft verdachte er niet van weerhouden om nog diezelfde middag op zoek te gaan naar een nieuw slachtoffer. Dat vond hij in de persoon van aangeefster [slachtoffer B], eveneens een hoogbejaarde vrouw (86 jaar oud). Verdachte heeft haar handtas weggenomen door haar arm en pols naar achteren te trekken en haar handtas, waarvan zij de hengsels om haar pols gewikkeld had, met kracht los te rukken.

Dat verdachte doelbewust op zoek is gegaan naar hoogbejaarde, dus kwetsbare dames, om handtassen van te stelen, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij de diefstallen gepleegd heeft om te voorzien in zijn cannabisbehoefte; ter zitting echter zei hij gedreven te zijn door honger, na vijf dagen zonder eten. Uit de over verdachte opgemaakte rapportages blijkt voorts dat hij destijds twee tot twintig joints per dag rookte en ook incidenteel harddrugs gebruikte. Gelet op die omstandigheden acht de rechtbank de latere verklaring van verdachte, dat hij de tasjes probeerde te stelen omdat hij honger had, nauwelijks geloofwaardig. De rechtbank hecht daaraan dan ook geen waarde bij de bepaling van de straf.

De rechtbank houdt bij het opleggen van na te melden straf op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening met de veroordeling door de kantonrechter te Arnhem d.d. 18 november 2011.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk passend en geboden. De voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Gelet op hetgeen door de reclassering en de psychiater is opgemerkt, ziet de rechtbank geen aanleiding tot het opleggen van bijzondere voorwaarden aan verdachte. Verdachte heeft zich in het voortraject immers niet bereid getoond mee te werken met de reclassering en/of aan verder onderzoek naar zijn persoon. Ter terechtzitting heeft verdachte voorts te kennen gegeven geen schorsing van het onderzoek te wensen om alsnog een reclasseringsrapport te laten opstellen, om eventuele bijzondere voorwaarden te kunnen formuleren. Bij die stand van zaken acht de rechtbank het onwenselijk om verdachte te verplichten tot reclasseringscontact, nu deze instelling zich niet heeft kunnen uitlaten over de wenselijkheid en de mogelijke invulling daarvan.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer A] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.460,65 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van deze vordering, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft geconcludeerd tot matiging van het bedrag voor zover het immateriële schade betreft, aangezien de casus waarnaar verwezen wordt in de vordering een zwaarder geval betreft. Voorts betekent het feit dat 100% herstel niet kan worden voorspeld, niet dat dit is uitgesloten. Matiging is voorts van belang gelet op de financiële situatie van verdachte.

De rechtbank komt het gevorderde bedrag aan vergoeding van immateriële schade niet onredelijk voor, gelet op de gevolgen die het feit voor dit (hoogbejaarde) slachtoffer heeft gehad. De omstandigheid dat verdachte momenteel in een slechte financiële situatie verkeert, mag- gelet op zijn nog jonge leeftijd - naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg staan aan toewijzing van dit bedrag.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is niet althans onvoldoende weersproken en komt de rechtbank niet bovenmatig voor. Deze is derhalve voor toewijzing vatbaar.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 07/653005-10

Door de meervoudige strafkamer te Zwolle is bij vonnis van 21 september 2010 aan verdachte onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden opgelegd, waarbij de proeftijd is bepaald op 2 jaar. Dit vonnis is bij verstek gewezen. De mededeling voorwaardelijke veroordeling dateert van 21 december 2010 en de proeftijd is ook op die datum ingegaan.

De officier van justitie vordert thans de tenuitvoerlegging van deze straf, omdat verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet schuldig zal maken aan een nieuw strafbaar feit.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen. Subsidiair heeft hij verlenging van de proeftijd met één jaar bepleit, dan wel (meer subsidiair) omzetting van de gevangenisstraf in een werkstraf.

Bewezen is dat verdachte zich na aanvang van de proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een viertal strafbare feiten. De vordering van de officier van justitie is daarom voor toewijzing vatbaar.

Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de (on)mogelijkheid tot oplegging van bijzondere voorwaarden aan verdachte, ziet de rechtbank geen aanleiding voor verlenging van de proeftijd of omzetting van de gevangenisstraf in een werkstraf. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aan verdachte bij voornoemd vonnis opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf ten uitvoer gelegd dient te worden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14g, 27, 45, 47, 57, 63, 310, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1: Poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

Feit 2: Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

Feit 3: Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

Feit 4: Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (ACHTTIEN) MAANDEN,

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (ZES) MAANDEN niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

* veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer A], van een bedrag van € 1.460,65 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2011 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A], een bedrag te betalen van € 1.460,65 (veertienhonderd en zestig euro en vijfenzestig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2011 met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 24 (vierentwintig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Zwolle van 21 september 2010 (parketnummer 07/653005-10), te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) MAANDEN

Aldus gewezen door mrs. Kropman, voorzitter, Kleinrensink en Prisse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Brugman, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 februari 2012.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0630 2011145574-17, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district IJsselstreek, gesloten en ondertekend op 19 oktober 2011.

2 Proces-verbaal van relaas d.d. 19 oktober 2011, p. 3-4.

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer C] d.d. 1 januari 2011, p. 75-79.

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer C] d.d. 10 januari 2011, p. 95-99.

5 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 16 oktober 2011, p. 70-71.

6 Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 27 januari 2012.

7 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer A] d.d. 15 oktober 2011, p. 55-56.

8 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer A] d.d. 16 oktober 2011, p. 58-60.

9 Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van dr. H.J.A.A. Van Geffen, chirurg, d.d. 4 januari 2012.

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 16 oktober 2011, p. 71-72.

11 Proces-verbaal van terechtzitting d.d. 27 januari 2012.

12 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer B] d.d. 15 oktober 2011, p. 33-35

13 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 17 oktober 2011, p. 91-92.

14 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer C] d.d. 1 januari 2011, p. 75-76.

15 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer C] d.d. 10 januari 2011, p. 96.

16 Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 17 oktober 2011, p. 102.

17 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer C] d.d. 10 januari 2011, p. 95-99.