Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BV3638

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
25-01-2012
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
121538 - HA ZA 11-413
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid civiele niet kantonrechter bij eiswijziging na wijziging competentiegrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 121538 / HA ZA 11-413

Vonnis van 25 januari 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INSTORE RETAIL SOLUTIONS B.V.,

gevestigd te Zeewolde,

eiseres,

advocaat mr. E.A.C. Nijhof- Top te Zeewolde,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHOORL RECREATIEBOUW B.V.,

gevestigd te Ermelo,

gedaagde,

advocaat mr. A. Schrik te Putten.

Partijen zullen hierna IRS en Schoorl genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 juli 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 9 september 2011

- de akte van IRS houdende wijziging van eis

- de akte van Schoorl.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Schoorl heeft een recreatiepark. Zij had het voornemen daarop onder de projectnaam ‘Vlindervallei’ negen boerderijtjes te bouwen met prijzen vanaf € 350.000,00. Zij is met IRS in contact getreden voor de promotie van de Vlindervallei.

2.2. Op 6 april 2009 heeft IRS een projectvoorstel huisstijl aan Schoorl gestuurd.

2.3. Per e-mailbericht van 28 april 2010 heeft IRS de samenwerking beëindigd.

3. Het geschil

3.1. IRS vordert – na wijziging van eis, samengevat - veroordeling van Schoorl tot betaling van € 12.760,75 inclusief BTW, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.

3.2. Schoorl voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De bevoegdheid van de sector civiel

4.1. IRS heeft bij akte van 30 november 2011 haar eis verminderd van € 16.996,96 tot € 12.760,75, telkens te vermeerderen met wettelijke rente. Dat brengt de rechtbank tot een ambtshalve te beoordelen bevoegdheidsvraagstuk omdat artikel 95 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna Rv) bepaalt dat voor de toepassing van artikel 93 Rv, waarin de bevoegdheid van de (kanton)rechter is bepaald, mede wordt gelet op een wijziging van de eis. Op de datum van dagvaarding bepaalde artikel 93 Rv dat “door de kantonrechter worden behandeld en beslist: a. zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 5000 (…)”. Door de Evaluatiewet modernisering rechterlijke organisatie (Stb 2011, 255) (hierna: de Evaluatiewet) is dit bedrag met ingang van 1 juli 2011 verhoogd naar € 25.000,00.

De overgangsregeling die is opgenomen in artikel XXII van de Evaluatiewet heeft alleen betrekking op zaken die bij de kantonrechter aanhangig waren op het moment van inwerkingtreding: “1. Op de behandeling van en de rechterlijke bevoegdheid ten aanzien van kantonzaken die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van een daarop betrekking hebbend artikel of onderdeel van deze wet bij een gerecht aanhangig waren, blijft het recht zoals het gold vóór dat tijdstip van toepassing. (…)”. Voor overige civiele zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van de Evaluatiewet aanhangig waren bij een gerecht of waarin tijdens de procedure op grond van artikel 95 Rv een eiswijziging beoordeeld moet worden, is niets bepaald.

4.2. Naar de regels die golden vóór 1 juli 2011 zou de onderhavige zaak zowel voor als na de eiswijziging tot de bevoegdheid van de sector civiel van de rechtbank behoren. Slechts de tussentijdse wijziging van de compententiegrens leidt tot vragen. De bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit XXII van de Evaluatiewet is dat reeds aanhangige zaken in behandeling blijven bij de rechter bij wie zij reeds aanhangig waren zodat naar het oordeel van de rechtbank de eiswijziging moet worden beoordeeld aan de hand van het op de datum van dagvaarding geldende procesrecht.

Derhalve dient de onderhavige zaak, gelet op het beloop van de vordering, verder te worden behandeld en beslist door de sector civiel van deze rechtbank. Ambtshalve verwijzing is niet aan de orde.

Opdracht

4.3. IRS stelt na eiswijziging dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen als bedoeld in artikel 7:750 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), aanneming van werk. Schoorl erkent dit zodat vast staat dat sprake is van aanneming van werk.

4.4. IRS stelt dat de overeenkomst vijf onderdelen omvat, te weten:

1. huisstijlontwikkeling: het ontwikkelen van een huisstijl voor promotie, inclusief naamgeving;

2. promotiemateriaal: het opmaken van een luxe uitgevoerde brochure, voorzien van DVD inlage, opmaak van de brochure inclusief fotoshoot ter plaatse en 3 D animaties,

3. levering van promotiemateriaal,

4. levering van advertenties: opmaak advertenties en promoties in vakliteratuur, inclusief tarief advertenties,

5. een website: ontwerp en opmaak website ter promotie.

Deze vijf onderdelen zijn beschreven in het projectvoorstel van 6 april 2009.

Schoorl erkent dat zij opdracht heeft gegeven voor de huisstijlontwikkeling als bedoeld onder 1 zodat vast staat dat er tussen partijen een overeenkomst bestaat met betrekking tot dit projectonderdeel.

IRS heeft haar stelling dat er een opdracht is gegeven voor het geheel onderbouwd door het projectvoorstel, door haar aangeduid als offerte, te overleggen en te verwijzen naar een presentatie van die offerte. Schoorl heeft gemotiveerd betwist dat zij naar aanleiding van die presentatie opdracht aan IRS heeft gegeven voor het geheel. Volgens haar is het niet zo ver gekomen. Omdat zij overzicht wilde houden zijn de werkzaamheden in onderdelen opgedeeld. Omdat het allemaal zo moeizaam ging heeft Schoorl ervan afgezien om alle werkzaamheden uit de offerte te laten verrichten. Zij heeft toegelicht wat er volgens haar allemaal moeizaam ging.

IRS heeft ondanks deze betwisting haar stelling niet nader onderbouwd zodat zij niet aan haar stelplicht heeft voldaan en de rechtbank niet toekomt aan bewijslevering.

4.5. Tussen partijen staat vast dat Schoorl de overeenkomst op 28 april 2010 heeft opgezegd. IRS stelt dat Schoorl op grond van artikel 7:764 lid 2 BW daardoor de vaste aanneemsom min besparingen aan haar verschuldigd is. Gezien het hiervoor overwogene kan dit slechts zien op de huisstijlontwikkeling. Schoorl heeft onvoldoende betwist dat een vaste aanneemsom was overeengekomen zodat dit vast staat.

Uit het projectvoorstel blijkt dat voor huisstijlontwikkeling een prijs van € 5.000,00 exclusief btw was overeengekomen. Schoorl erkent dat de subonderdelen A tot en met C, zoals benoemd in de ‘toelichting en stand promotie’ die als productie 4 bij dagvaarding is overgelegd, door IRS zijn uitgevoerd. Alleen met betrekking tot onderdeel D, dat zie op promotieteksten) bestaat verschil van mening. IRS stelt dat zij dat onderdeel voor 75% heeft uitgevoerd en berekent daarvoor € 900,00. De rechtbank begrijpt daaruit dat zij ter zake dit onderdeel een besparing van € 300,00 heeft gehad door de beëindiging van de overeenkomst door Schoorl. Schoorl voert slechts aan dat dit onderdeel niet is geleverd en dat IRS onvoldoende gegevens heeft verstrekt om zicht te krijgen op de besparingen van IRS door de opzegging. Zij neemt echter geen stelling in ter zake besparingen zodat onduidelijk is of zij van mening is dat IRS besparingen heeft gehad op het punt van de ontwikkeling van de huisstijl en, gezien de hoogte van het reeds betaalde bedrag, zo ja, in welke orde van grootte zij die schat of welke gegevens IRS zou moeten overleggen zodat Schoorl de besparing kan begroten.

De rechtbank gaat dan ook conform de stellingen van IRS uit van een besparing van € 300,00. Dat betekent dat Schoorl aan IRS verschuldigd is: € 5.000,00 min € 300,00 = € 4.700,00 x 1,19 = € 5.593,00. Tussen partijen staat vast dat Schoorl € 5.000,00 en € 579,53, beide bedragen inclusief btw, heeft voldaan. Gezien het feit dat het percentage dat IRS hanteert kennelijk berust op een schatting, is er geen reden om Schoorl tot verdere betaling te veroordelen. De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.6. IRS zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van Schoorl worden begroot op:

- griffierecht € 1.181,00

- salaris advocaat € 960,00 (2,5 punten x tarief € 384,00)

Totaal € 2.141,00

4.7. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt IRS in de proceskosten, aan de zijde van Schoorl tot op heden begroot op € 2.141,00,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.I. Spoor en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2012