Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BV3593

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-02-2012
Datum publicatie
10-02-2012
Zaaknummer
92568 / HA ZA 08-395
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank beslist ten aanzien van gedaagde A: Wijst de vorderingen van af en veroordeelt Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde sub 1.

De rechtbank veroordeelt gedaagde sub 2 om aan Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland te betalen een bedrag van € 4.531,23 (vierduizendvijfhonderdéénendertig euro en drieëntwintig eurocent) en veroordeelt gedaagde B in de proceskosten, aan de zijde van Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 92568 / HA ZA 08-395

Vonnis van 8 februari 2012

in de zaak van

AMBULANCEZORG NOORD EN OOST GELDERLAND,

gevestigd te Zutphen,

eiseres,

advocaat mr. F.F. Scheffer te Deventer,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [plaats]

advocaat jhr. mr. E.A.C. Sandberg te Vorden,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats]

advocaat mr. D.J.L. Wijnveldt te Arnhem,

gedaagden.

Partijen zullen hierna Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 april 2011

- de akte overlegging producties van Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland van 4 mei 2011

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 7 juli 2011

- het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 21 september 2011

- de akte uitlating van Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland van 9 november 2011

- de antwoordconclusie na enquête van [gedaagde sub 1] van 14 december 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In haar akte uitlating verzoekt Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland om pleidooi. Ter onderbouwing van dat verzoek wijst Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland er op dat, gelet op de uiteenlopende lezing van de gebeurtenissen vanwege het tijdsverloop, het haar geraden lijkt de “reeds eerder als producties overgelegde getuigenverklaringen bij de Rechtbank en het Hof hier een belangrijke rol te laten spelen bij het bepalen wat er naar alle waarschijnlijkheid is gebeurd op de avond van 29 april 2006”. Naar de rechtbank aanneemt doelt Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland hier kennelijk op getuigenverklaringen die in de strafzaak bij de rechtbank en het hof als producties zijn overgelegd. In deze stelling van Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland is geen grond gelegen om pleidooi toe te staan nu het op de weg van Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland lag, en zij daartoe ook ruimschoots de gelegenheid heeft gehad, om die getuigenverklaringen in deze procedure in het geding te brengen. Door dat niet te doen heeft zij zelf bewerkstelligd dat die getuigenverhoren niet reeds in een veel eerdere fase van de procedure onderdeel zijn gaan uitmaken van het tussen partijen gevoerde debat en bijvoorbeeld ook hadden kunnen worden meegenomen in de getuigenverhoren aan de zijde van [gedaagde sub 1]. Bovendien hebben er in deze procedure, zoals door [gedaagde sub 1] is aangegeven, al twee comparities van partijen plaatsgevonden en heeft Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland ook na de getuigenverhoren aan de zijde van [gedaagde sub 1] ter zitting nogmaals haar standpunt naar voren kunnen brengen. Ook heeft Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland zelf in deze procedure afgezien van het doen horen van getuigen hetgeen niet goed valt te rijmen met de door haar gegeven onderbouwing van het verzoek om pleidooi.

Gelet op een en ander is het verzoek om pleidooi in deze fase van de procedure in strijd met de beginselen van een goede procesorde, zodat het wordt afgewezen.

Ten aanzien van [gedaagde sub 1]

2.2. In het tussenvonnis van 6 april 2011 is [gedaagde sub 1] toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het, ingevolge het in kracht van gewijsde gegane strafvonnis, dwingend bewijs van het feit dat hij, in groepsverband, geweld heeft gepleegd tegen zowel de bestuurder van de ambulance, de heer [bestuurder ambulance], als tegen de ambulance.

2.3. De rechtbank stelt voorop dat aan het tegenbewijs tegen de dwingende bewijskracht van een in kracht van gewijsde gegaan strafvonnis geen andere, meer in het bijzonder: geen zwaardere eisen worden gesteld dan die in het algemeen in een civiele procedure voor het leveren van tegenbewijs gelden. Dat brengt mee dat dit tegenbewijs door alle middelen kan worden geleverd, zoals is bepaald in de artikelen 151 en 152 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en dat op [gedaagde sub 1] niet het bewijs rust van het tegendeel van de in de strafzaak bewezen verklaarde feiten. Voor het hier bedoelde tegenbewijs is het voldoende als op grond van het door [gedaagde sub 1] geleverde bewijs het door het strafvonnis geleverde bewijs is ontzenuwd (vgl. Hoge Raad 16 maart 2007, NJ 2008, 219).

2.4. [gedaagde sub 1] heeft 6 getuigen doen horen, waaronder zichzelf. Alle door [gedaagde sub 1] aangedragen getuigen zijn in meer of mindere mate direct aanwezig geweest bij het incident in de nacht van 29 april 2006 in de binnenstad van Doetinchem, waarbij de ambulancebestuurder werd mishandeld en de ambulance beschadigd.

Door [gedaagde sub 2] is als getuige onder meer verklaard:

“(…)

Ik heb niet gezien dat de heer [gedaagde sub 1] de ambulancebestuurder of de ambulance heeft geslagen. Ik weet niet of de heer [gedaagde sub 1] geprobeerd heeft mij van die plaats weg te halen. Ik had die avond ongeveer 15 glazen bier gedronken. Er stonden wel meerdere mensen om die ambulance, ook ervoor.

(…)

Ik heb niemand de ambulancechauffeur zien slaan. Ik heb [gedaagde sub 1] niet ergens in de buurt van de ambulancebestuurder gezien. (…) Ik heb [gedaagde sub 1] niet gezien met de sleutels van de ambulance. (…)”

Getuige [getuige A] heeft onder meer verklaard:

“Ik was bij het incident met de ambulance in Doetinchem op 29 april 2006, inmiddels was het 30 april. Ik heb het gezien. Wij hoorden de ambulance de straat in komen. Met wij bedoel ik de heer [gedaagde sub 2], de heer [gedaagde sub 1] en ik. (…) Ik heb nog wel even gesproken met die chauffeur en hem gezegd dat hij met de ambulance weg moest. [gedaagde sub 1] is wel continu bij mij in de buurt geweest. Wij hebben samen getracht [gedaagde sub 2] in bedwang te houden. [gedaagde sub 2] was nogal boos dat zijn broer aangereden werd. [gedaagde sub 1] stond wel bij mij in de buurt toen denk ik. (…) [gedaagde sub 1] was niet agressief op dat moment. Ik stond nog voor hem bij de ambulance. Ik was nog aan het praten met de bestuurder en later met de politie. Dat was gewoon een normaal gesprek. (…)Ik neem wel aan dat ik dichterbij die bestuurder ben geweest dan [gedaagde sub 1]. Die stond achter me. Ik had die avond niet gedronken, ik was de BOB. [gedaagde sub 1] had wel wat biertjes op. We waren alle drie wel wat opgewonden omdat [getuige D] aangereden werd. Er stond om de ambulance nog een hele groep knapen van 18, 19 jaar. Die waren wel wat meer opgewonden dan wij. Ik heb niet gezien dat hij schade heeft toegebracht aan de ambulance. U vraagt mij of [gedaagde sub 1] die ambulance heeft aangeraakt in de tijd dat wij er omheen stonden: “niet dat ik weet”. (…) Het klopt dat ik na de uitspraak waarbij ik ben vrijgesproken tegen een journalist heb gezegd: “Overigens vind ik dat de andere verdachte uit [plaats] ten onrechte is veroordeeld. Ik weet dat ook hij niets gedaan heeft.” Met die andere verdachte bedoel ik de heer [gedaagde sub 1]. Ik ken [gedaagde sub 1] vrij oppervlakkig van de voetbal en ik weet dat hij een rustige jongen is. (…)”

Door getuige [getuige B] is onder meer verklaard:

“(…)

De heer [gedaagde sub 1] stond er ook bij toen ik bij de broer van [gedaagde sub 2] stond die klem zat onder dat wiel. [gedaagde sub 2] liep naar het portier van de ambulance. Die werd aardig wild omdat zijn broer onder de ambulance lag. [gedaagde sub 1] ([gedaagde sub 1], rechtbank) stond op dat moment bij mij, bij het achterwiel van die ambulance. Toen kwam er commotie en stress en liep [gedaagde sub 1] naar [gedaagde sub 2] toe om hem rustig te houden. [gedaagde sub 1] maakte toen geen agressieve indruk op mij, bepaald niet. Hij pakte [gedaagde sub 2] om de middel heen om hem daar weg te halen. [gedaagde sub 2] was behoorlijk wild, dus dat ging niet meteen. Uiteindelijk lukte het wel. Dat heb ik gezien. [gedaagde sub 2] stond bij het portier en [gedaagde sub 1] haalde hem daar weg. (…)”

Door getuige [getuige C] is onder meer verklaard:

“Alle waarnemingen heb ik destijds van het incident vastgelegd in de twee ambtelijke verslagen (processen-verbaal van bevindingen, rechtbank). (…) Het klopt dat ik door de grote afstand waarop ik stond niet heb gezien door wie er werd geslagen. De beslissing om de personalia van de betrokkenen vast te leggen is genomen door de dienstdoende hulpofficier van justitie. Daar moesten wij toen even op wachten. U wijst mij de heer [gedaagde sub 1] aan. Ik herinner me de heer [gedaagde sub 1] absoluut niet. (…) Ik kan mij niet herinneren of er mensen werden weggetrokken bij die ambulance vandaan. Daar was de afstand te groot voor. Ik moest ook rijden, het was donker, ik moest collega’s oproepen en had dus allerlei dingen te doen. Ik heb de werkelijke situatie niet kunnen waarnemen. (…) Die twee personen die ik in het proces-verbaal omschreven heb, die man die die schoen miste en [getuige A], daar ging naar mijn gevoel op dat moment de meeste dreiging van uit. Maar het was heel hectisch, u moet zich voorstellen die twee mensen in de ambulance vreesden voor hun leven. Dat was ook geen pretje. Ik heb de personalia van [getuige A] vastgelegd omdat ik die vrij rustig heb weten te krijgen en hij aanspreekbaar was.

Dat de personalia van [gedaagde sub 1] niet zijn opgenomen kan meerdere oorzaken hebben. Ik kan me voorstellen dat [gedaagde sub 1] misschien gewacht heeft tot de hulpofficier van justitie er was. De instructie van de hulpofficier van justitie was het vastleggen van de personalia van de betrokkenen, de ambulancemedewerkers en, en tussen aanhalingstekens, de verdachten. Op dat moment hadden we meen ik niet zoveel getuigen. Later, in de dagen daarna, zijn er wel meer getuigen gekomen. (…) Zoals ik in het proces-verbaal heb verwoord heb ik gezien dat er geslagen en geschopt is tegen de ambulance. Ook heb ik gezien dat door een open portier armen naar binnen reikten. (…)”

Door getuige [getuige D] is onder meer verklaard:

“Van het incident zelf weet ik dat ik vastzat onder de ambulance, het achterwiel, met mijn schoen. (…) Er stonden daar wel tien tot vijftien man voor bij die ambulance. Het enige wat ik weet is dat [gedaagde sub 1] erbij stond, bij die groep daarvoor bij de ambulance. Voor het overige weet ik van de betrokkenheid van [gedaagde sub 1] niets. Ik kan me niet herinneren of [gedaagde sub 1] nog bij mij is geweest. (…) Ik heb [gedaagde sub 1] wel voorbij zien lopen, maar ik heb hem niet constant gezien. Ik kende [gedaagde sub 1] al wel. Ik kan me niet herinneren dat hij een agressieve indruk maakte. Ik heb niet gezien dat hij tegen de ambulance schopte of sloeg. (…)”

[gedaagde sub 1] tot slot heeft als getuige onder meer verklaard:

“Ik heb de ambulancebestuurder niet geslagen. Er was zoveel rumoer, het was een gekke bende. Ik heb alleen maar geprobeerd te sussen. Ik heb [gedaagde sub 2] weggetrokken bij de chauffeur. Toen ben ik achter de ambulance langs gelopen. Ik zag dat de bijrijder zich met zijn zaklamp aan het verweren was. Toen ben ik naar het zijportier gelopen en heb geklopt op dat raam en gezegd: “er zit iemand met zijn voet onder de ambulance”. Ik heb met de platte hand op het raam van de ambulancebijrijder geslagen om er op te wijzen dat er iemand met zijn voet onder de ambulance zat. Er is daarbij geen schade aan de ambulance aangericht. Ik heb verder ook niet tegen de ambulance geschopt of geslagen. Ik heb de sleutels niet afgepakt of weggegooid. Ik heb nog wel samen met een agent naar die sleutels gezocht toen bleek dat ze weg waren. Ik heb [gedaagde sub 2] weggetrokken bij de ambulance, want die was zeer agressief. Wij stonden daar, er gebeurde van alles, ze waren opeens stennis aan het schoppen en het ging er helemaal niet meer om dat er iemand met zijn voet onder die ambulance zat. Ik dacht toen gewoon: weg, uit elkaar trekken dat zooitje. Ik denk dat ik [gedaagde sub 2] aan zijn middel heb gepakt en heb weggetrokken. (…) Ik heb geen mensen zien slaan. [gedaagde sub 2] stond daar vooraan, toen ben ik om die ambulance heen gelopen. Ik zag ook dat die man, de bijrijder, angst in zijn ogen had. Maar hij wist niet dat er iemand met zijn voet onder het wiel zat. Ik heb hem willen waarschuwen. Voor hetzelfde geld waren ze over die voet heengereden. Je bent op dat moment in paniek. Ik zag door het raam van de bijrijder wat voor strubbelingen er aan de andere kant waren en dat die bijrijder met zijn zaklamp aan het slaan was. Toen ben ik weer naar de andere kant van de ambulance gelopen en heb [gedaagde sub 2] daar weggetrokken. Voordat [getuige D] vastzat, was ik naar huis aan het lopen. Toen ik het gedoe hoorde bij de ambulance, ben ik teruggelopen. (…) Op de avond zelf hebben ze mijn persoonlijke gegevens niet opgenomen. Ik heb toen wel met de politie staan praten. (…)”

2.5. Bij akte uitlating - welke akte, naar de rechtbank heeft begrepen, is bedoeld als conclusie na enquête - heeft Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland gewezen op een door [getuige E] in de strafzaak bij het Hof Arnhem afgelegde verklaring. Deze [getuige E] zou als getuige verklaard hebben dat [gedaagde sub 1] aan de chauffeurszijde van de ambulance stond en dat hij heeft gezien dat allen die daar stonden naar voren hingen en dat hij armen de ambulance in heeft zien gaan. Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland heeft in de akte voorts gewezen op een bij het Hof Arnhem door [getuige F], naar de rechtbank uit de stellingen afleidt was hij de bijrijder in de ambulance ten tijde van het incident, afgelegde getuigenverklaring over een persoon die de passagiersportier wilde openmaken en die eerst aan de chauffeurszijde heeft gestaan. [getuige F] zou tevens hebben verklaard dat hij met een Maglite zaklantaarn heeft geslagen naar een persoon die met zijn handen aan de sleutels zat en dat die persoon dezelfde was als die zijn deur probeerde te openen. Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland stelt dat die persoon [gedaagde sub 1] moet zijn geweest omdat dit de enige persoon is geweest die de rechterportier heeft gepoogd te openen. Voorts wijst Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland er op dat de heer [bestuurder ambulance] ter zitting van het Hof heeft verklaard dat hij door meerdere mensen is geslagen.

2.6. Gezien de verklaringen van de door [gedaagde sub 1] voorgebrachte getuigen en gelet op hetgeen door Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland daar tegenover is gesteld, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde sub 1] het bewijs waarop Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland haar vordering jegens [gedaagde sub 1] doet steunen in hoge mate heeft ontzenuwd. Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland heeft geen van de verklaringen waar zij in haar laatste akte nog op heeft gewezen in het geding gebracht, zodat zij haar stellingen op dit punt niet heeft onderbouwd waar zij dat eenvoudig wel had kunnen doen door de stukken uit de strafrechtelijke procedures in het geding te brengen. Maar al zouden de door Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland in haar laatste akte aangehaalde getuigen hebben verklaard zoals zij in die akte heeft gesteld dan volgt daaruit onvoldoende bewijs voor onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] bestaande uit het mishandelen van de ambulancechauffeur en/of het beschadigen van de ambulance. Die verklaringen wijzen geen van allen direct op enige betrokkenheid van [gedaagde sub 1] daarbij, waar tegenover staat dat geen van de getuigen aan de zijde van [gedaagde sub 1] heeft verklaard dat [gedaagde sub 1] de ambulancechauffeur heeft geslagen dan wel vernielingen aan de ambulance heeft toegebracht. Daarentegen hebben de getuigen aan de zijde van [gedaagde sub 1] die op dat moment direct in de nabijheid van [gedaagde sub 1] hebben verkeerd juist verklaard dat hij geen agressieve indruk maakte, dat hij heeft getracht de heer [gedaagde sub 2] weg te trekken bij het portier aan de zijde van de ambulancebestuurder en dat hij zich heeft beziggehouden met de broer van deze [gedaagde sub 2]. Voorts staat in deze procedure vast dat [gedaagde sub 2] de ambulancechauffeur heeft geslagen wat bijdraagt aan de verklaringen van de getuigen dat [gedaagde sub 1] hem daarvan heeft trachten te weerhouden en hij niet ook nog deze ambulancebestuurder heeft geslagen Bovendien blijkt uit de getuigenverklaringen, zoals hiervoor ten dele aangehaald, dat [gedaagde sub 1] zich ook bekommerd heeft om de broer van genoemde [gedaagde sub 2], die met zijn voet bekneld zat onder het achterwiel van de ambulance en dat hij tijdens het incident zich nog heeft begeven naar de portierszijde van de bijrijder van de ambulance. Daaruit volgt dat [gedaagde sub 1] ook niet voortdurend aanwezig is geweest bij de groep mensen die zich kennelijk ter hoogte van het portier van de ambulancebestuurder bevond, hetgeen eveneens bijdraagt aan het bewijs dat hij niet heeft deelgenomen aan de mishandeling van de bestuurder. Dat [gedaagde sub 1], zoals hij heeft verklaard, met de platte hand op het raam van het portier van de bijrijder heeft geslagen, brengt niet mee dat er sprake is van het beschadigen van die ambulance. Dat dit mogelijk, gelet op alle spanning en stress vanwege het incident, als vijandig of intimiderend op die bijrijder is overgekomen, zoals in de stellingen van Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland besloten lijkt te liggen, maakt dat niet anders. [gedaagde sub 1] heeft bovendien een duidelijke verklaring gegeven voor dit gedrag, in de zin dat dit bedoeld was om de ambulancebestuurders er op te wijzen dat er iemand met zijn voet klem zat onder die ambulance, welke verklaring aansluit bij hetgeen andere getuigen hebben verklaard over de gedragingen van [gedaagde sub 1] tijdens het incident.

De rechtbank hecht voorts waarde aan de verklaring van [gedaagde sub 1] zelf die iedere betrokkenheid bij de mishandeling van de ambulancechauffeur en geweld tegen de ambulance heeft ontkend. Weliswaar is [gedaagde sub 1] partij in deze procedure en heeft hij belang bij een voor hem positieve uitkomst, doch zijn verklaring is op de rechtbank oprecht overgekomen evenals de door hem tijdens die verklaring getoonde emotie. Daar komt bij dat ook de andere gedaagde in deze procedure, [gedaagde sub 2], in het voordeel van [gedaagde sub 1] heeft verklaard terwijl dat voor [gedaagde sub 2] nadelig kan zijn omdat de aansprakelijkheid daarmee geheel op hem zal komen te liggen. Anders dan partijen hebben gesteld geldt voor de verklaring van [gedaagde sub 1] overigens niet de beperkte bewijskracht als bedoeld in artikel 164 Rv, nu op Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland in dit verband de bewijslast rust en niet op [gedaagde sub 1].

2.7. Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank [gedaagde sub 1] geslaagd acht in het hem opgedragen tegenbewijs, zodat er geen grond is voor aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] jegens Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland. De vorderingen jegens [gedaagde sub 1] zullen dan ook worden afgewezen.

2.8. Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] op:

- griffierecht 303,00

- getuigenkosten 361,20

- salaris advocaat 2.712,00 (6 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 3.376,20

Ten aanzien van [gedaagde sub 2]

2.9. In voornoemd tussenvonnis is Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland toegelaten bij akte zich uit te laten over een tweetal onderdelen van haar schadebegroting. Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland heeft daartoe op 4 mei 2011 de akte overlegging producties in het geding gebracht. Ingevolge het tussenvonnis is [gedaagde sub 2] toegelaten op de rol van vier weken daarna een antwoordakte in te dienen. [gedaagde sub 2] heeft geen akte genomen zodat het er voor gehouden wordt dat [gedaagde sub 2] afziet van een reactie op de door Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland overgelegde producties.

2.10. Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland is in de eerste plaats in de gelegenheid gesteld haar vordering van € 798,49 voor het inschakelen van een arbeidsdeskundige van de Arbo Unie ter begeleiding van de ambulancebestuurder, [bestuurder ambulance], met bewijsstukken nader te onderbouwen. Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland heeft een aan haar gerichte factuur van Arbo Unie met een daarbij horende specificatie overgelegd. Bij gebreke van een verdere toelichting van Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland leidt de rechtbank uit de bij de factuur gevoegde specificatie af dat de bedragen die kennelijk voor de begeleiding van [bestuurder ambulance] door Arbo Unie in rekening zijn gebracht, het gevorderde bedrag van € 798,49 overstijgen. Derhalve zal de vordering op dit punt, nu een verweer van [gedaagde sub 2] ontbreekt, worden toegewezen.

2.11. Voorgaande brengt mee dat, gelet op hetgeen in voornoemd tussenvonnis reeds over de “Post uren” was beslist (rechtsoverweging 4.19), van dit deel van de vordering een bedrag van € 2.814,88 (€ 2.016,39 + € 798,49) voor toewijzing gereed ligt onder afwijzing van het overige.

2.12. Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland is voorts in de gelegenheid gesteld de post “vervanging”, door haar begroot op € 4.316,52, nader toe te lichten. Ter onderbouwing van deze post heeft Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland twee aan haar gerichte facturen overgelegd van Lowlands medical services, beide van 31 mei 2006, de een voor een bedrag van € 2.696,42 en de andere voor een bedrag van € 2.024,21. Op deze facturen zijn data vermeld van begin mei 2006 met daarachter namen van “projectmedewerkers”, aantallen uren en bepaalde toeslagen. Gesteld noch gebleken is echter dat deze facturen betrekking hebben op de vervanging van [bestuurder ambulance]. Dat blijkt niet uit de overgelegde stukken en iedere toelichting op de facturen ontbreekt. Voorts heeft Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland een aan haar gerichte factuur overgelegd van EMC Medical Care d.d. 18 mei 2006 voor een bedrag van € 544,04. Uit de omschrijving op de factuur is niet af te leiden dat het hier gaat om kosten die verband houden met de vervanging van [bestuurder ambulance], terwijl daar verder door Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland ook niets over is gesteld. Daar komt nog bij dat de overgelegde stukken ook niet corresponderen met het overzicht van de vervangingskosten dat door Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland als productie 4 bij dagvaarding in het geding is gebracht. In het overzicht in productie 4 is aangegeven dat de vervangingskosten voor een groot deel hebben bestaan uit een 200% vergoeding voor inzet van eigen personeel. Voorts betreft de in het overzicht opgenomen vergoeding voor het door EMC uitgeleend personeel een andere datum en een ander aantal uren dan de factuur van EMC die Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland in haar laatste akte heeft overgelegd. Datzelfde geldt voor de facturen van Lowlands. Een en ander brengt mee dat de door Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland overgelegde stukken dit onderdeel van haar vordering niet hebben verduidelijkt. Derhalve kan niet gezegd worden dat Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland dit deel van haar vordering in voldoende mate heeft onderbouwd, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

2.13. Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland heeft voorts nog enkele andere stukken bij deze akte in het geding gebracht, inzake extra activiteiten van de directie, doch een verband met genoemde schadeposten is niet aangegeven. Mogelijk heeft Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland hiermee bedoeld nadere schadeposten op te voeren doch, gelet op het onduidelijke karakter van die stukken en nu Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland haar eis ook niet heeft gewijzigd, zal de rechtbank daaraan voorbij gaan.

2.14. Gelet op het voorgaande en hetgeen in voornoemd tussenvonnis ten aanzien van de schade reeds is overwogen, ligt van de vordering van Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland op [gedaagde sub 2] een bedrag van € 4.531,23 (€ 1.358,00 + € 2.814,88 + € 32,20 +

€ 326,15) voor toewijzing gereed onder afwijzing van het overige.

2.15. De rechtbank zal over de toe te wijzen hoofdsom de gevorderde wettelijke rente toewijzen, te rekenen vanaf 3 weken na 7 februari 2007, nu [gedaagde sub 2] tot betaling van de schade binnen die termijn was gesommeerd (productie 7 bij dagvaarding). Derhalve wordt de wettelijke rente toegewezen te rekenen vanaf 1 maart 2007 tot aan de dag der algehele betaling.

2.16. [gedaagde sub 2] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 85,44

- griffierecht 303,00

- salaris advocaat 1.344,00 (3,5 punten × tarief € 384,00)

Totaal € 1.732,44

3. De beslissing

De rechtbank

ten aanzien van [gedaagde sub 1]:

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op € 3.376,20,

ten aanzien van [gedaagde sub 2]:

3.3. veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland te betalen een bedrag van € 4.531,23 (vierduizendvijfhonderdéénendertig euro en drieëntwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 1 maart 2007 tot de dag van volledige betaling,

3.4. veroordeelt [gedaagde sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van Ambulancezorg Noord en Oost Gelderland tot op heden begroot op € 1.732,44,

3.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2012.