Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BV2215

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
17-01-2012
Datum publicatie
30-01-2012
Zaaknummer
111124 FA RK 10-412
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding; partneralimentatie; wangedrag vrouw jegens man?

Bij tussenbeschikking van 23 maart 2011 is voorshands aannemelijk geacht dat de vrouw wangedrag heeft gepleegd jegens de man door een advocaat te benaderen van wie zij wist dat hij optrad tegen belegging. In die beschikking is de vrouw toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de stelling van de man dat sprake is van wangedrag van de vrouw jegens de man. De man heeft - kort gezegd - verzocht te bepalen dat hij niet alimentatieplichtig jegens de vrouw is in verband met wangedrag van de vrouw. De vrouw heeft stukken aan (het kantoor van) haar advocaat overhandigd, die korte tijd later door een kantoorgenoot van haar advocaat aan de media en obligatiehouders zijn verstuurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2012/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 111124 FA RK 10-412

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 17 januari 2012

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [plaats],

verzoekster, verder te noemen de vrouw,

advocaat: mr. P.J. Hentenaar-Polderman te Utrecht,

t e g e n

[verweerder],

wonende te [plaats],

verweerder, verder te noemen de man,

advocaat: mr. J.M. Veldkamp te Amsterdam.

Het verdere procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 23 maart 2011;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 27 september 2011;

- het faxbericht van mr. C.A.M.J. Raymakers, mede namens mr. Veldkamp, van 12 oktober 2011;

- de brief met bijlagen van mr. Berghuis-Knijff, kantoorngenote van mr. Hentenaar-Polderman, van 8 november 2011;

- het journaalbericht met bijlagen van mr. Veldkamp van 7 december 2011;

- het journaalbericht met bijlage van mr. Hentenaar-Polderman van 13 december 2011;

- het journaalbericht met bijlage van mr. Hentenaar-Polderman van 21 december 2011.

De verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 23 maart 2011 en volhardt daarin. In die beschikking is de vrouw toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de stelling van de man dat sprake is van wangedrag van de vrouw jegens de man.

Daarbij is - in het licht van de echtscheidingsprocedure - overwogen dat een aantal zaken is komen vast te staan. Het gaat kort gezegd om de volgende aspecten:

- toen partijen er niet in waren geslaagd om door viergesprekken tot overeenstemming te komen en de advocaat van de vrouw kennelijk niet meer vrij stond om haar in de echtscheidingsprocedure bij te staan, heeft de vrouw op internet een andere advocaat gezocht;

- aldus is de vrouw bij het kantoor van mr. Bartels uitgekomen;

- de vrouw wist dat mr. Bartels gewend was op te treden tegen beleggings- en vastgoedfondsen en dat mr. Bartels al enige jaren een hetze tegen de man voerde;

- bij het intakegesprek van de vrouw met mr. Van Esseveldt was mr. Bartels aanwezig;

- door toedoen van mr. Bartels zijn vertrouwelijke financiële gegevens van de ondernemingen van de man, waaronder de concept jaarrekening 2008, die de vrouw in het kader van de echtscheiding aan mr. Van Esseveldt ter beschikking had gesteld, aan de media overhandigd en in handen van journalisten gekomen;

- bij vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2009 is mr. Bartels veroordeeld - kort samengevat - de berichtgeving over de man en zijn ondernemingen te staken;

- de man heeft een klacht tegen de handelwijze van mr. Bartels bij de deken ingediend;

- blijkens het proces-verbaal van de behandeling ter zitting op 19 juli 2010 van de Raad van Discipline heeft mr. Bartels verklaard dat de vrouw hem toestemming had gegeven om de stukken die in het kader van de echtscheiding aan mr. Van Esseveldt waren gegeven ten behoeve van de belegger te gebruiken;

- naar aanleiding van deze klacht is aan mr. Bartels de maatregel van schrapping van het tableau opgelegd;

- de financiële situatie van de ondernemingen van de man, die door de crisis al zeer onder druk stond, is mede door de negatieve publiciteit in de media verder verslechterd;

- de vrouw heeft een verdenking jegens de man geuit ten aanzien van seksueel misbruik van de dochter van partijen, welke beschuldiging zij later heeft ingetrokken.

Overwogen is dat nog niet vaststond dat de vrouw daadwerkelijk opdracht of toestemming heeft gegeven aan mr. Bartels om vertrouwelijke stukken van de ondernemingen van de man openbaar te maken en dat zij daarbij de bedoeling heeft gehad, of had moeten begrijpen dat het gevolg zou zijn, dat zij de man - in zijn woorden - “kapot zou maken”.

De man heeft - kort gezegd - verzocht te bepalen dat hij niet alimentatieplichtig jegens de vrouw is in verband met wangedrag van de vrouw.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de man zijn stellingen dat hij door het optreden van de vrouw is geruïneerd voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt en heeft voorshands geoordeeld dat de vrouw had kunnen en moeten weten welke desastreuze gevolgen het optreden en de handelwijze van mr. Bartels voor de man en zijn ondernemingen zou hebben. De vrouw is toegelaten tot tegenbewijs van de stelling van de man dat sprake is van wangedrag van de vrouw jegens hem, nu zij de gang van zaken en haar gestelde bedoelingen heeft betwist.

De vrouw heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot het bijbrengen van tegenbewijs. Zij heeft zichzelf als getuige laten horen. De man heeft afgezien van de mogelijkheid tot het horen van getuigen in contra-enquête. Vervolgens hebben partijen schriftelijk gereageerd, waarbij eerst door de vrouw en daarna door de man nadere stukken zijn overgelegd. Aan de vrouw is een termijn gegeven voor het reageren op de stukken bij de brief van mr. Veldkamp van 7 december 2011. Blijkens de brief van mr. Hentenaar-Polderman van 21 december 2011 was zij hiervan niet op de hoogte, hoewel dit in het familiejournaal was verwerkt. Hoewel de bedrijfsvoering van een advocaat voor diens risico blijft, is het verzoek van mr. Hentenaar een nadere termijn van twee weken te geven om de reactie waar nodig aan te vullen gehonoreerd. Van deze mogelijkheid is echter geen gebruik gemaakt.

De vrouw heeft, voor zover van belang, onder meer het navolgende verklaard:

“Ik kende mr. Bartels als vastgoedadvocaat. Ik kende hem van gezicht. De heer [verweerder] sprak hem wel eens en Bartels is een aantal keren op onze nieuwjaarsrecepties geweest. Hij werd daarbij geroemd als een goed vastgoedadvocaat die de wereld van het vastgoed goed kende en wist hoe het zat. (…) Ik hoopte dat mr. Bartels toegevoegde waarde zou hebben om het financiële plaatje van de ondernemingen van de heer [verweerder] boven water te krijgen in het kader van de afwikkeling van de echtscheiding. Ik wilde krijgen waar ik recht op had. Ik had geen spullen met betrekking tot de financiën (…) Ik had een goede advocaat nodig en heb via Google wel gezocht maar geen andere advocaat met voldoende kennis van vastgoedzaken gevonden, behalve één of twee te dure. Toen heb ik als zoekopdracht Bartels ingevuld en ben ik bij zijn kantoor uitgekomen. Het was voor mij van belang dat de echtscheiding zou worden afgerond en de veiligheid van de kinderen gewaarborgd zou zijn. Het maakte mij niet uit welke advocaat van het kantoor de echtscheidingszaak zou doen. Ik wist niet dat de heer Bartels zijn pijlen op de heer [verweerder] had gericht. Het klopt wel dat de heer [verweerder] met mij er wel over heeft gesproken dat de heer Bartels mensen uit de vastgoedwereld op de korrel had. Ik vroeg hem toen of hij daar ook bang voor was en toen antwoordde hij van niet en dat hij zijn zaakjes op orde had.

Het eerste gesprek met het kantoor van Bartels heeft op een terras in Utrecht plaatsgevonden. daar was de heer Van Esseveldt en de heer Bartels kwam later met een privéchauffeur. Ik ben er met mijn broer naar toe gegaan. We hebben daar over de scheiding gesproken. Het was een kort gesprek, omdat de advocaten eerst de stukken wilden inzien. We spraken af dat ik die de volgende dag teruggestuurd zou krijgen en zo is het gegaan. Ik weet niet of het kantoor daar toen kopieën van heeft behouden. Later die week werd ik teruggebeld voor een nieuwe afspraak daar op kantoor. Daarbij waren mr. Van Esseveldt en mr. Fiscalini aanwezig. Mr. Bartels was er maar even. Hij deelde direct mee dat hij de heer [verweerder] persoonlijk kende en daarom de zaak niet kon doen, maar dat ik kon vertrouwen op Van Esseveldt en Fiscalini. Daarna vertrok hij. Hij heeft het daarbij niet inhoudelijk over zijn relatie met de heer [verweerder] gehad.

In het eerste gesprek voerden mr. Van Esseveldt en mr. Bartels beiden het woord. Er is toen niet over alimentatie gesproken. Uiteindelijk hebben zij de stukken uit het dossier van mr. Van der Werff ontvangen. Wat daar precies in zat kan ik niet zeggen, maar onder andere uitdraaien van de BV’s uit de Kamer van Koophandel, en concept jaarrekeningen die wij van de advocaat van de heer [verweerder] hadden ontvangen.

(…)

In de besprekingen is niet aan de orde gekomen of mr. Bartels toegang tot het dossier had. Ik had contact met mr. Van Esseveldt en ben daar dus ook niet van uitgegaan. Ik kwam voor de echtscheidingsprocedure, dat heb ik ook steeds gezegd, en daarvoor was hij mijn advocaat.

Op een gegeven moment kwamen er publicaties in de krant over [verweerder]. Toen werd het hectisch want er kwamen claims. Na een aantal weken besefte ik dat er informatie uit mijn dossier afkomstig was, althans dat gebruik was gemaakt van een brief die zich ook in dat dossier bevond. Op zich had het ook informatie kunnen zijn van de heer [verweerder] c.q. zijn imperium of informatie die Bartels op andere wijze had verkregen.

Ik heb toen wel met mr. Van Esseveldt gebeld dat ik niet wilde dat er informatie uit mijn dossier gebruikt zou worden en dat het bekend worden van deze informatie niet goed zou zijn voor mijn echtscheiding; ik wilde daarover geen ellende met de heer [verweerder]. Nadien heb ik hem nog één keer gebeld dat ik de stukken wilde ophalen. Ik heb toen ook nog een keer met mr. Bartels gesproken, eveneens telefonisch, en hem voorgehouden dat nu hij mij in de ellende had gebracht hij mij er ook maar uit moest halen.

(…)

Mr. Bartels was een logische keuze als advocaat in het kader van de echtscheiding om ervoor te zorgen dat ik zou krijgen waarop ik recht had. Gelet op de verwevenheid daarvan met de bedrijven van de heer [verweerder] ging ik ervan uit dat zij kennis van de vastgoedmarkt toegevoegde waarde zou hebben. Er is niet besproken dat het dossier of stukken daaruit voor iets anders gebruikt mochten of zouden worden dan de echtscheiding. Na het tweede gesprek heeft mr. Bartels zich niet meer met mijn echtscheiding bezig gehouden, voor zover ik weet. De brief over ontslag van het personeel kwam half oktober 2009 boven water. Op dat moment wist ik niet waar die informatie vandaan kwam. Zodra ik vernam dat die brief verstuurd was heb ik contact met mr. Van Esseveldt gezocht (…) Mr. Van Esseveldt zei toen dat hij geen controle had over wat mr. Bartels deed en dat mr. Bartels was losgeslagen. In het latere telefoongesprek met mr. Bartels verzekerde hij mij dat zijn kantoor alle stukken had meegegeven aan mr. Mulder. (…) Medio november 2009 ben ik overgestapt naar mr. Mulder.

(…)

Ik ben op 6 januari 2009 uit de woning vertrokken. We hadden sinds ongeveer oktober 2008 huwelijksproblemen. (…) Er is in die tijd veel gezegd en veel gebeurd. (…) Er waren veel emoties. Na ons uiteengaan hebben wij via mail en sms gecommuniceerd. Ik ben ook niet meteen naar een advocaat gestapt. U houdt mij voor dat ik op 2, 4 en 5 maart 2009 sms-berichten zou hebben gestuurd waarin wordt afgeteld vanaf vier dagen tot 20 uur vóór de ontknoping. Ik herinner mij dat niet, maar wat ik wel weet is dat meestal de communicatie begon vanuit de heer [verweerder]. Waar de gestelde termijnen betrekking op hebben weet ik niet. Ik heb niet overwogen contact met de media op te nemen. Mijn intentie is nooit geweest kwaad aan te richten, totaal niet. Of ik een sommatie gedateerd 6 maart 2009 heb ontvangen in verband met signalen dat ik naar de media zou stappen weet ik niet meer, maar feit is dat ik de media niet heb opgezocht. Op de vraag of ik dat wel heb aangekondigd kan ik geen duidelijk antwoord geven, ik kan mij dat niet herinneren. (…)

Ik herinner mij de gesprekken van 20 december 2008 en 6 januari 2009. In dat laatste gesprek vertelde de heer [verweerder] leugens. Het was een nare situatie, waarbij de heer [naam 1] en de heer [verweerder] mij hebben vastgepakt. Ik ben ook niet trots op mijn reactie, het kan zijn dat ik vervelende dingen heb gezegd, maar ik kan me niet de dingen herinneren die de heer [naam 1] kennelijk verklaart die zou hebben gezegd. (…) Mogelijk heb ik de naam van mr. Bartels laten vallen, maar volgens mij vanuit het feit dat de heer [verweerder] hem presenteerde als een goede vastgoedadvocaat en niet met de intentie de heer [verweerder] kapot te maken.

(…)

Ik heb ooit anoniem stukken ontvangen over het bedrijf. Tot de dag van vandaag weet ik niet van wie die afkomstig waren maar volgens mij zijn deze stukken ook niet gebruikt in de procedure. Daar zaten geen adresbestanden bij. Ik heb ooit wel adresbestanden gehad, maar die zitten niet in mijn dossier dat op het kantoor van mr. Bartels was. (…)

Mevrouw [naam 2] was onze hulp in de huishouding zowel thuis als op kantoor. (…) Voor zover ik weet heb ik tegen haar niet gezegd dat ik naar mr. Bartels zou stappen of dat ik de heer [verweerder] kapot zou maken.

U overhandigt mij een stuk dat “Bijlage 3” is getiteld (welk stuk aan het proces-verbaal zal worden gehecht). De handgeschreven tekst is mijn handschrift. De tekst “Pak zijn pand ook af” is niet bedoeld als mijn intentie, ik wil zijn pand niet afpakken, maar dit hele stuk betreft uitlatingen dat er ellende zou komen. Ik was bang dat de heer [naam 3] het pand zou afpakken, zoals hij ook de boot, de auto’s en het appartement al had overgenomen. Dit was mij ter ore gekomen en in dat licht moet dit gelezen worden. Dit stuk is per ongeluk in het dossier van mr. Van der Werff terecht gekomen. Het is nooit mijn intentie geweest het te gebruiken. Ik wist niet wat er op mijn pad zou komen in het kader van de echtscheiding en heb daarom wat stukken verzameld, waaronder ook de krantenartikelen op de achterzijde, maar alles niet met de intentie om dat tegen de heer [verweerder] te gebruiken. De aantekening bij het krantenartikel heb ik erbij geschreven.

Ik weet nog steeds niet hoe bepaalde informatie is verspreid. Ik heb er wel spijt van dat ik naar het kantoor van Bartels ben gegaan, en ben er ook niet voor niets weggegaan. Hij heeft in strijd met mijn opdracht gehandeld en mijn belangen geschaad. Als gevolg van de publicaties is mijn belang in de echtscheiding geraakt.

In een viergesprek op het kantoor van mr. Van der Werff kwam naar voren dat sprake zou kunnen zijn van belangenverstrengeling (…) Ik heb die middag wel gesproken over mr. Bartels, wederom als de vastgoedadvocaat bij uitstek, en ook heb ik gezegd dat ik vond dat er duidelijkheid moest komen en dat ik wilde doorzetten. Er gebeurden dingen waarvan ik niets wist. Ik weet niet of ik me dreigend heb uitgelaten. Ik kan misschien uit wanhoop dingen hebben gezegd waarvoor ik achteraf excuses zou moeten maken, dat doe ik dan bij deze. Ik heb die middag niet gezegd dat ik de heer [verweerder] kapot zou maken, in elk geval bij mijn weten niet. Ik wist niet waar ik anders heen moest. Zo heb ik ook, nadat mij vertrouwen in mr. Bartels was beschadigd, in onzekerheid verkeerd waar ik naar toe moest. Ik heb niet geprobeerd via derden de heer [verweerder] of zijn onderneming zwart te maken of een doorstart te frustreren. (…)

Ik wist niet dat mr. Bartels geen specialist op het gebied van echtscheidingen is, war het mij om ging was dat hij vastgoedspecialist was. Ik ben bovendien op dat kantoor verder gegaan met de heren Van Esseveldt en Fiscalini.”

De vrouw heeft bij monde van haar advocaat in de brief van 8 november 2011 een en ander herhaald en geconcludeerd dat zij is geslaagd in het tegenbewijs. Het was haar niet duidelijk, en kon haar ook niet duidelijk zijn, dat mr. Bartels zijn pijlen op de man en zijn ondernemingen gericht had. Zij heeft geen toestemming gegeven stukken uit het echtscheidingsdossier voor andere doeleinden te gebruiken. Zij heeft ook geen informatie aan derden verstrekt die aan mr. Bartels of de media is doorgespeeld. De verklaring van mr. Bartels tegenover de Raad voor Discipline is niet betrouwbaar vanwege het belang dat hij daarbij had. Zodra zij berichten in de media vernam die afkomstig waren van mr. Bartels, heeft zij uitdrukkelijk kenbaar gemaakt dat haar informatie daarvoor niet gebruikt mocht worden. Er zijn tussen partijen in het kader van de echtscheiding over en weer vervelende opmerkingen gemaakt, maar de vrouw heeft niet de daad bij het woord gevoegd.

Namens de man is als volgt gereageerd. Hij wijst erop dat de vrouw heeft verklaard dat het klopt dat hij er met haar over heeft gesproken dat mr. Bartels mensen uit de vastgoedwereld op de korrel had. De vrouw wist volgens de man zeer goed dat mr. Bartels ook tegen de man een hetze voerde, onder meer door het vonnis in kort geding van 5 november 2009. De vrouw heeft verschillende keren gezegd dat ze de man kapot zou maken, de media zou inschakelen en zich tot mr. Bartels zou wenden. De man verwijst daarbij naar een samenvatting van een aantal sms-berichten en de verklaringen van de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2]. Hij voert daarnaast aan dat de verklaring die de vrouw heeft gegeven over de tekst “Pak zijn pand ook af” ongeloofwaardig is. De vrouw heeft stukken aan (het kantoor van) mr. Bartels overhandigd, die korte tijd later door mr. Bartels aan de media en obligatiehouders zijn verstuurd. Zij heeft ook aan een medewerker van Capita Fiduciary een dossier over de man aangeboden.

De vrouw heeft erop gewezen dat de verklaringen van derden die de man heeft overgelegd niet onder ede zijn opgemaakt. Zij is niet in de gelegenheid geweest hen vragen te stellen. Daarnaast geeft de man een eigen interpretatie van de sms-berichten en verklaringen, die de vrouw betwist.

Nu de bewijslast van de stelling dat de vrouw wangedrag jegens de man heeft gepleegd bij de man ligt, is voor het slagen van het tegenbewijs voldoende dat de vrouw het bewijs dat voorshands geleverd werd geacht aan het wankelen heeft gebracht. De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake is. Overwogen wordt daarbij dat aan de verklaring van de vrouw in beginsel volledige bewijskracht toekomt, nu de bewijslast bij de man ligt, maar dat niet uit het oog dient te worden verloren dat zij belang heeft bij de uitkomst van de zaak.

Dat de vrouw met haar handelen de opzet heeft gehad de man te gronde te richten, is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan. De man stelt dat de vrouw dit tot doel heeft gehad en dat zij om die reden mr. Bartels heeft benaderd. De vrouw heeft echter een op zich niet onaannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat zij mr. Bartels heeft benaderd, te weten dat hij advocaat en vastgoedspecialist is. Met haar uitlatingen dat zij naar mr. Bartels zou stappen - in al dan niet dreigende vorm - heeft zij onmiskenbaar bedoeld het hard te willen spelen om op die wijze de kennisvoorsprong van de man teniet te doen. Bedacht moet worden dat de man binnen de echtscheiding immers op de gegevens zat die nodig waren om tot afwikkeling te komen en veel meer van het reilen en zeilen van de onderneming wist dan de vrouw. Het staat een partij vrij, wanneer deze zich in een achterstandspositie bevindt, te proberen dit te compenseren door het inschakelen van een gespecialiseerde advocaat. Dat de vrouw andere bedoelingen heeft gehad, is niet gebleken.

De verklaringen van de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] voegen in zoverre niets toe, dat deze betrekking hebben op de periode van uiteengaan van partijen, eind 2008/begin 2009. In die periode heeft zij mr. Bartels - ondanks haar uitlatingen - juist niet benaderd en heeft zij haar belangen laten vertegenwoordigen door mr. Van der Werff. Daarna zijn maanden verstreken waarin partijen in overleg hebben geprobeerd tot overeenstemming te komen. Pas nadat bleek dat mr. Van der Werff niet vrijstond, is de vrouw zich gaan beraden. Dat toen nog de emotie speelde van maanden tevoren, is niet gebleken. De man stelt dat aan het eind van het (laatste) viergesprek de emoties zijn opgelopen, wat niet geheel betwist is door de vrouw, maar zij stelt dat zij uit wanhoop dingen heeft gezegd en heeft betwist dat zij heeft gezegd dat zij de man kapot zou maken. De naam Bartels is kennelijk wel gevallen in dat gesprek, maar daarmee staat nog niet vast dat de vrouw beoogd heeft de man te gronde te richten, nu dit immers niet in haar belang kan worden geacht. De stelling van de vrouw dat het benaderen van Bartels erop gericht was de onderste steen boven te krijgen wat het financiële gedeelte betreft komt niet onaannemelijk voor en in dat kader kan het noemen van de naam dan ook snel “bedreigend” overkomen op de man. Dat de vrouw méér dan dat bedoeld heeft, heeft de man niet aangetoond.

Hetzelfde geldt voor de sms’jes, waarvan de vrouw niet heeft betwist dat zij ze heeft verstuurd: aannemelijk is dat de vrouw de druk heeft willen opvoeren, maar uiteindelijk staat er niets concreets in de berichten. Dat zij daadwerkelijk van plan is geweest in maart 2009 de media in te schakelen (met welk doel?) is niet komen vast te staan. Zij heeft dit immers feitelijk niet gedaan, nog daargelaten dat dit niets over de situatie in september 2009 zegt.

Kennis van het kort geding behoefde de vrouw niet te hebben in september 2009. De uitspraak dateert van november 2009 en stond dus niet op internet toen de vrouw mr. Bartels opzocht. Dat er al sprake was van een (dreigend) kort geding in september 2009, is gesteld noch gebleken.

Dat mr. Bartels tegenover de Raad van Discipline heeft verklaard dat de vrouw hem toestemming had gegeven de stukken te gebruiken acht de rechtbank evenmin doorslaggevend. Het is denkbaar dat mr. Bartels dit heeft verklaard om zijn eigen positie in de klachtprocedure in te dekken.

De stelling van de man dat de verklaring van de vrouw omtrent de tekst “Pak zijn pand af” niet geloofwaardig is, blijft voor zijn rekening. Daarmee wordt geen bewijs geleverd. De tekst op het aan het proces-verbaal gehechte briefje luidt voor zover van belang: “Hij schreeuwt door Apeldoorn heen heb een miljoen aan j.b auto’s verdient. Ben blij dat je ze weggegaan is levert mij geld op. miljoenen (gehoord geen bewijs) Pak zijn pand ook af dhr [naam 3] met vrouw [naam 4]”.

De tekst “ben blij dat ze weggegaan is”, is duidelijk niet door de vrouw uitgesproken. Dat dit voor de daarop volgende tekst “pak zijn pand af” wel zou gelden, nog los van de context waarin dat gezien zou moeten worden, kan dan ook niet zomaar aangenomen worden.

Wat de man probeert aan te tonen met de verklaring van de heer [naam 5] van Capita Fiduciary is niet helder. De heer [naam 5] schrijft dat een collega is aangesproken en dat de vrouw hem een dossier heeft aangeboden over [verweerder] als hij daar behoefte aan had. Blijkens de verklaring van de vrouw is het Capita geweest dat haar heeft benaderd. Dat zij daarbij heeft aangeboden behulpzaam te zijn, toont niet aan dat zij mr. Bartels moedwillig van informatie heeft voorzien om de man te beschadigen.

De rechtbank overweegt dat ook indien niet vaststaat dat de vrouw mr. Bartels heeft benaderd met de opzet om de man te gronde te richten, maar zij had moeten begrijpen dat dit het gevolg van haar handelen zou zijn, dit voldoende is om te concluderen dat de vrouw wangedrag jegens de man heeft gepleegd. Daarbij is van essentieel belang de vraag wat zij wist of kon weten over mr. Bartels en op basis daarvan kon verwachten. De rechtbank heeft in de tussenbeschikking van 23 maart 2011 overwogen dat de vrouw wist dat mr. Bartels gewend was op te treden tegen beleggings- en vastgoedfondsen en dat het haar bekend was dat hij al enige jaren een hetze tegen de man voerde. Cruciaal hierin is het gesprek dat partijen over hem hebben gehad. Over het verloop van het gesprek zijn zij het niet eens. In de tussenbeschikking is de lezing van de man gevolgd, nu de vrouw die niet uitdrukkelijk had weersproken. Tijdens het getuigenverhoor heeft de vrouw hierover alsnog verklaard.

De man heeft verklaard dat hij de vrouw vertelde dat mr. Bartels al verschillende vastgoedfondsen op de korrel had gehad en nu bezig was zijn pijlen op hem te richten. De vrouw vroeg hem toen of hij iets te verbergen had, hetgeen de man ontkende. Toen heeft de vrouw gezegd dat hij zich dan niet druk hoefde te maken.

De vrouw heeft verklaard dat de man haar vertelde dat mr. Bartels verschillende vastgoedfondsen op de korrel had. Zij vroeg toen aan de man of hij bang was dat dit hem ook zou overkomen. De man heeft toen geantwoord dat hij daar niet bang voor was, omdat hij zijn zaakjes op orde had.

Bij nader inzien moet geconcludeerd worden dat niet vaststaat dat de vrouw wist dat mr. Bartels een hetze tegen de man voerde (c.q. had gevoerd), slechts dat de man daar bang voor was, maar dat er weinig concrete reden voor vrees was. Het kort geding waarnaar de man verwijst speelde zoals overwogen pas later. In dat licht kan dan ook niet gezegd worden dat de vrouw kon verwachten dat mr. Bartels de media zou informeren als hij over nieuwe informatie over de man zou beschikken, te meer nu in zijn algemeenheid mag worden aangenomen dat een advocaat handelt in overeenstemming met de geheimhoudingsplicht die uit de gedragsregels voortvloeit. De vrouw heeft dan ook zonder concretere aanwijzingen niet hoeven begrijpen en verwachten, zelfs al wist zij dat mr. Bartels over de stukken kon beschikken (nu die immers al na het eerste gesprek waren toegezonden door mr. Van der Werff, op een moment dat nog niet duidelijk was dat niet mr. Bartels maar een kantoorgenoot de zaak zou doen), dat mr. Bartels de media zou informeren met het doel de man te beschadigen. Het lijkt erop dat mr. Bartels zijn kans schoon zag en misbruik heeft gemaakt van de situatie, maar uit niets blijkt dat dit met de vrouw is afgestemd of haar bekend had kunnen zijn. Uit de reactie van mr. Van Esseveldt, dat mr. Bartels was losgeslagen, blijkt dat het een individuele actie van mr. Bartels betreft.

Het nadere bewijs dat is aangeboden kan de man in zoverre niet dienen, dat de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] niet over de situatie in september 2009 kunnen verklaren. De verklaring van de man als partijgetuige kan niet tot volledig bewijs strekken en wat de getuigen van Capita Fiduciary kunnen toevoegen is niet duidelijk gemaakt.

Gelet op het voorgaande is niet gebleken van zodanig wangedrag van de vrouw dat de man op die grond niet alimentatieplichtig is. Ook de overige door de man genoemde punten kunnen die conclusie niet dragen. De sms’jes van de vrouw in de periode kort na het uiteengaan passen in een verband waarin over en weer dingen zijn gezegd. De man heeft selectief berichten overgelegd, waardoor dit verband niet helder is, maar dat de vrouw de man met haar uitlatingen onevenredig heeft gegriefd, kan aldus niet worden vastgesteld. De verklaring van de vrouw over de gang van zaken omtrent de beschuldiging van seksueel misbruik van de dochter van partijen acht de rechtbank afdoende. Naar aanleiding van zorgelijke uitlatingen van de dochter heeft de vrouw het zekere voor het onzekere genomen. Zij is daarin wellicht te ver gegaan, maar dit heeft geen gevolgen voor de alimentatieplicht van de man jegens haar, nu een verband tussen beide niet aanwezig is.

Het voorgaande betekent dat de man alimentatieplichtig is jegens de vrouw en een onderzoek naar de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw dient plaats te vinden.

Anders dan de vrouw ziet de rechtbank geen aanleiding van de man nadere stukken te verlangen om inzage te verlenen in het uitgavenpatroon van partijen. Nu de vrouw stelt dat zij een behoefte van netto € 9.642,-- per maand heeft, dient zij de hoogte daarvan te onderbouwen en bij betwisting door de man te bewijzen. Zij heeft ter onderbouwing van haar behoefte - samengevat - gesteld dat partijen in een duur, luxe huis woonden en iedere schoolvakantie naar Ibiza gingen; in de winter gingen zij skiën. Verder heeft zij opgave van diverse uitgaven gedaan en een behoeftelijst overgelegd (prod. 10 bij de brief van mr. Hentenaar-Polderman van 10 februari 2011). Op basis daarvan construeert de rechtbank de navolgende behoefte van de vrouw op maandbasis. Daarbij wordt overwogen dat de kosten van vakanties en uitjes geschat zijn, nu een bedrag van € 10.000,-- aan “overige vakanties, uitstapjes” zonder toelichting niet gevolgd kan worden. Kosten die voor het gezin zijn gemaakt (hulp in de huishouding, tuinman) worden gematigd tot de helft, boodschappen tot 30% gelet op de leeftijd van de kinderen. De kosten van de kinderen dienen hier immers buiten beschouwing te blijven. Voor zover kosten in het lijstje afwijken van de kosten in de brief, wordt de laagste van de twee aangehouden. Bloemen, cadeaus aan de vrouw zelf en deelname aan loterijen worden niet als een behoefte in de zin van de wet beschouwd. De man heeft betwist dat de vrouw driemaal per jaar € 5.000,-- aan kleding uitgaf. De rechtbank overweegt daarover dat de vrouw heeft aangegeven dat zij een aparte garderobe aanschafte voor feesten en recepties die verband hielden met de zakenrelaties van de man. In de toekomst zullen de kosten naar mag worden aangenomen dan ook lager zijn, zodat de rechtbank het bedrag zal matigen.

Dit leidt tot de volgende berekening:

- netto woonlasten (inclusief verzekeringen) € 2.000,--

- vakantie € 1.000,--

- kleding (inclusief schoeisel en lingerie) € 1.000,--

- hulp huishouding en tuinman € 300,--

- autokosten € 1.040,--

- persoonlijke verzorging (inclusief kapper) € 375,--

- boodschappen € 425,--

- uitjes € 100,--

- ziektekosten € 165,--

- drogist € 100,--

- cadeaus € 100,--

- communicatie en media € 300,--

------------

Totaal € 6.905,--

Het meerdere is door de vrouw onvoldoende onderbouwd.

De man heeft aangevoerd dat de bestedingen niet konden worden gedragen door het inkomen en vermogen dat er was. Hierover overweegt de rechtbank dat dit vóór de economische crisis kennelijk geen probleem was. Het is pas in de laatste periode van het huwelijk van partijen financieel slechter gegaan. Blijkbaar was het bestedingspatroon van partijen daarop nog onvoldoende aangepast. Gelet daarop kan worden geconcludeerd dat de behoefte van de vrouw op het bedrag van netto € 6.905,-- kan worden vastgesteld. Dit komt neer op bruto € 12.757,-- per maand.

De rechtbank is van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn bedrijfsactiviteiten in de [naam bedrijf] - mede door de uitlatingen van mr. Bartels - zijn teruggelopen. Nu dit verband houdt met een buiten hem gelegen oorzaak, kan ook niet zonder meer gezegd worden dat de man in redelijkheid nog een vergelijkbare verdiencapaciteit heeft en is er geen aanleiding voor de draagkracht van de man uit te gaan van de gegevens van de drie laatste jaren. De man heeft echter erkend bezig te zijn met nieuwe activiteiten. Hij wordt om die reden in de gelegenheid gesteld daarin nader inzage te geven, de jaarstukken over 2010 en 2011 over te leggen, met kasstroomoverzichten, alsmede een prognose voor 2012, en zijn draagkracht nader te onderbouwen. De vrouw zal in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren. Partijen dienen daarbij tevens aan te geven of zij een nadere mondelinge behandeling wensen alvorens de rechtbank over de draagkracht van de man een beslissing geeft.

Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de beslissingen over de alimentatieplicht van de man (het wangedrag van de vrouw) en de behoefte van de vrouw eindbeslissingen zijn.

De beslissing

De rechtbank:

houdt de beslissing op de verzoeken ten aanzien van de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en de kosten van de procedure aan tot de pro forma terechtzitting op dinsdag 14 februari 2012;

bepaalt dat de man op voormelde datum de jaarstukken van al zijn ondernemingen over 2010 en 2011 dient over te leggen, alsmede een prognose voor 2012 en een berekening van zijn draagkracht;

houdt voor het overige iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.