Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BV2123

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
18-01-2012
Datum publicatie
27-01-2012
Zaaknummer
371117 CV-EXPL 09-1088
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:8304, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kantonrechter wijst de primaire vordering af. De subsidiaire vordering is gebaseerd op de stelling dat het op de weg van gedaagde had gelegen het loon over de eerste zes weken van ziekte op grond van art. 7:629, lid 2 BW door de cliënten aan eiseres verschuldigd, aan haar te betalen. Vaststaat dat zij dit bij de gemeente had kunnen claimen. Dat zij dit niet heeft gedaan, moet voor haar rekening en risico blijven.

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 1.633,60

bruto, te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging met de wettelijke rente daarvan

vanaf 1 februari 2008 tot de dag der voldoening.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 610
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2012/72
JAR 2012/43 met annotatie van mr. E. Cremers-Hartman
AR-Updates.nl 2012-0077
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Kanton – Locatie Harderwijk

Zaaknummer: 371117 CV-EXPL 09-1088

Grosse aan : mr. M.A.C. Vijn

Afschrift aan: mr. H.C.W. Geffroy

Verzonden d.d.

vonnis van de kantonrechter te Harderwijk d.d. 18 januari 2012

inzake

[eiseres]

wonende te [plaats]

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.A.C. Vijn,

tegen

de besloten vennootschap Beeuwkes Thuiszorg B.V.,

gevestigd te Epe,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. H.C.W. Geffroy.

1 Procesverloop

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis d.d. 22 juni 2011;

- de aantekeningen van de comparitie van partijen d.d. 26 september 2011.

2 Beoordeling

Eiseres is in Harderwijk sinds februari/maart 2007 werkzaam als alphahulp. Omstreeks december 2008 placht zij 9 hulpbehoevenden/cliënten te verzorgen. Van 18 december 2008 tot en met 30 januari 2009 was zij arbeidsongeschikt; zij had haar pols gebroken. Nadien was zij alleen ‘s middags werkzaam, wekelijks 14,5 uur.

Primair stelt eiseres dat zij in dienst was van gedaagde. Dit wordt door gedaagde betwist. Volgens gedaagde bestonden tussen haar en haar cliënten arbeidsovereenkomsten en trad gedaagde slechts op als kassier.

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, schaart de kantonrechter zich achter het standpunt van gedaagde. Inderdaad bestonden tussen eiseres en haar cliënten arbeidsovereenkomsten met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden van huishoudelijke aard. Gedaagde heeft het initiatief genomen tot het totstandkomen van die arbeidsovereenkomsten, nadat eiseres zich jegens gedaagde daartoe bereid had verklaard. Gedaagde speelde haar rol in het kader van een door haar in het kader van een aanbesteding door de gemeente Harderwijk gegund contract, genaamd ‘raamovereenkomst voor het leveren van hulp bij de huishouding in het kader van de wet maatschappelijke ondersteuning'. Eiseres was werkzaam in categorie 1 als bedoeld in die overeenkomst. Gedaagde droeg zorg voor de rechtstreekse betaling aan eiseres van hetgeen de cliënten aan haar verschuldigd waren, zulks op basis van urenbriefjes.

Eiseres wil het standpunt ingang doen vinden dat gedaagde wel degelijk de werkgeversrol heeft vervuld. Daartoe wijst zij op een aantal volgens haar belangrijke omstandigheden die evenwel door gedaagde worden bestreden althans genuanceerd.

Het is zaak allereerst na te gaan wat de bedoelingen van partijen waren bij het aangaan van hun rechtsrelatie. Naar dezerzijds oordeel heeft gedaagde de context van het totstandkomen van de gemaakte afspraken voldoende en adequaat uitgelegd. Kortgezegd komt het erop neer dat in het kader van de aanbesteding gedaagde gehouden was ook de tewerkstelling van alphahulpen (categorie 1) te faciliteren in die zin dat zij bij haar bekende alphahulpen aanbood aan cliënten met een indicatie, waarna de alphahulpen en de cliënten arbeidsovereenkomsten sloten en vrij waren afspraken te maken over de inzet van de alphahulpen; gedaagde had met dit laatste niets te maken. Gedaagde vervulde slechts de kassiersfunctie, zulks ten behoeve van niet alleen de alphahulpen maar ook van de cliënten. Leidend is de driepartijenovereenkomst, getiteld ‘bemiddelingsservice-overeenkomst’; niet is gebleken of aannemelijk gemaakt dat partijen anders hebben gehandeld dan volgens de daarin neergelegde afspraken.

Uit niets blijkt dat gedaagde ooit het ontstaan van een arbeidsovereenkomst tussen haar en eiseres heeft gewild of beoogd. Het rechtsvermoeden van art. 7:610a BW speelt hier geen rol nu vaststaat dat eiseres haar werkzaamheden verrichtte op basis van arbeidsovereenkomsten met haar cliënten.

Dat er vergaderingen van alphamedewerkers zijn geweest, leidt niet tot het ontstaan van arbeidsovereenkomsten, nu het alleszins voor de hand ligt praktische zaken te coördineren. Dat van eiseres werd verwacht ziekteverzuim niet alleen aan de cliënt maar ook aan gedaagde te melden, kan dan ook alleen worden gezien als een faciliterende taak die gedaagde op zich nam juist om het de alphahulpen makkelijk te maken voor vervanging zorg te dragen.

Dat de door gedaagde gehanteerde overeenkomsten niet voldoen aan de eisen van het UWV en de Belastingdienst, heeft kennelijk niet geleid tot bezwaren van die kant; een daarop gerichte vordering is in ieder geval niet ingesteld. Voor de civielrechtelijke rechtsverhouding tussen partijen mist dit aspect zelfstandige betekenis.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de primaire vordering moet worden afgewezen. Hetgeen partijen ter zake verder nog naar voren hebben gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden en behoeft derhalve geen afzonderlijke bespreking.

De subsidiaire vordering is gebaseerd op de stelling dat het op de weg van gedaagde had gelegen het loon over de eerste zes weken van ziekte op grond van art. 7:629, lid 2 BW door de cliënten aan eiseres verschuldigd, aan haar te betalen. Vaststaat dat zij dit bij de gemeente had kunnen claimen. Dat zij dit niet heeft gedaan, moet voor haar rekening en risico blijven. Daarom bestaat ook geen aanleiding tot matiging van de wettelijke verhoging.

Voor toewijzing van incassokosten is geen plaats, nu aanstonds duidelijk was dat gedaagde de vordering betwistte; de pre processuele activiteiten van de gemachtigde van eiseres strekten tot instructie van het geding.

De overigens cijfermatig niet weersproken vordering is derhalve toewijsbaar in voege als hierna te melden.

Nu partijen over en weer deels in het ongelijk worden gesteld, bestaat aanleiding voor compensatie van proceskosten.

3 Beslissing

Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 1.633,60

bruto, te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging met de wettelijke rente daarvan

vanaf 1 februari 2008 tot de dag der voldoening.

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Iedere partij blijft belast met de eigen proceskosten.

Aldus gewezen door mr. D.J. Buijs, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 18 januari 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.