Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:BV1720

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
24-01-2012
Datum publicatie
24-01-2012
Zaaknummer
06/940083-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt minderjarige verdachte uit Winterswijk tot een taakstraf van 80 uur, waarvan 30 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar wegens onder andere poging tot afpersing, gepleegd met een aantal andere jongens te Winterswijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer voor jeugdzaken

Parketnummer: 06/940083-11

Uitspraak d.d.: 24 januari 2012

Tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte I],

geboren te [plaats, 1996],

wonende te [adres].

Raadsman mr. E.A.C. Sandberg te Vorden.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 10 januari 2012.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij

op of omstreeks 27 december 2010

in de gemeente Winterswijk

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [sl[slachtoffer F] te dwingen tot de

afgifte van geld en/of goed(eren), in elk geval van enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan die [slachtoffer F], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s),

immers heeft verdachte met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

die [slachtoffer F] van de fiets geduwd en/of gegooid en/of die [slachtoffer F] meermalen,

althans eenmaal toegevoegd: "Geef je geld" en/of "Geef alles wat je hebt"

en/of "Geef je mobiel en geld" en/of is/zijn verdachte en/of een of meer van

zijn mededader(s) op (zeer) korte afstand van die [slachtoffer F] gaan staan,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(incident 6, pag. 251)

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op of omstreeks 11 februari 2011

in de gemeente Winterswijk

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en wederrechtelijk een muur van een woning (gelegen op/aan de

[adres]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer J], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

(incident 11, pag. 367)

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie aangegeven welke bewijsmiddelen daartoe per feit voorhanden zijn.

B. Standpunt van de verdediging

Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. De raadsman heeft aangevoerd dat het onder 2 ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard.

C. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig én overtuigend bewijs aanwezig is voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Aangezien verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit duidelijk en ondubbelzinnig ter terechtzitting heeft bekend, is met betrekking tot dit feit hierna volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank acht voor haar bewijsoordelen de volgende bewijsmiddelen redengevend.

Feit 1:

Door aangever [slachtoffer F] is, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij 27 december 2010 te Winterswijk fietste. Hij zag twee mannen zijn kant op komen lopen en vervolgens ook nog twee jongens in de struiken. Later zag hij nog eens één of twee jongens in zijn richting wandelen. Eén van de jongens, met een opvallend witte jas, duwde aangever de berm in. De jongen met de witte jas vroeg: 'geef je geld'. De jongen met de witte jas stond op 25-30 centimeter van aangever. De jongen met de witte jas zei nog twee of drie keer: 'geef je geld'. De jongen met de jas met de legerprint zei: 'geef alles wat je hebt'. De jongen met de witte jas zei nog een paar keer dat hij zijn geld en mobiel moest geven. De twee jongens die hem aanspraken stonden dicht bij hem. De andere drie of vier stonden naast en achter hem op ongeveer twee meter afstand. Hij had geen kans om weg te lopen of fietsen.2

Door [verdachte J] is met betrekking tot de overval, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij op 27 december 2010 met [verdachte D], [verdachte F], [verdachte H] en [verdachte I] was. [Verdachte I] had verklaard dat hij geld nodig had. Ze liepen het Judobos in. Er kwam een fietser aan. [Verdachte I] zei: 'die kunnen we pakken'. Hij bedoelde daarmee die rippen wij. [Verdachte J] wist dat ze deze persoon gingen beroven. Toen de fietser passeerde, duwde [verdachte H] tegen hem aan, de fietser viel. [Verdachte I] en [verdachte F] sprongen uit de bosjes om de fietser van achteren in te sluiten. [Verdachte F], [verdachte H] en [verdachte I] stonden in een halvemaanvorm om de fietser. [Verdachte D] en [verdachte J] stonden drie a vier meter voor de fietser.3.

Door [verdachte F] is, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij in de kerstvakantie met [verdachte J], [verdachte D], [verdachte I] en [verdachte H] het bos inliep. Er kwam een jongen aanfietsen, [verdachte H] en [verdachte I] drukten de jongen van de fiets. [Verdachte H] en [verdachte I] zeiden: 'geef me je geld'. De jongen die is overvallen heet [slachtoffer F]. [Verdachte I] en [verdachte H] hebben het plan bedacht om in het judobos iemand te bestelen. [Verdachte H] en [verdachte I] zeiden dat ze geld nodig hadden en vanavond iemand zouden rippen4.

Feit 2:

- de aangifte door [slachtoffer J]5;

- de verklaring van [naam 5]6;

- de bekennende verklaring van verdachte7, welke verklaring hij ter terechtzitting heeft bevestigd.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 27 december 2010 in de gemeente Winterswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer F] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goed(eren), toebehorende aan die [slachtoffer F], immers heeft verdachte met een of meer van zijn mededaders, die [slachtoffer F] van de fiets geduwd en die [slachtoffer F] toegevoegd: "Geef je geld" en "Geef alles wat je hebt"

en "Geef je mobiel en geld" en zijn verdachte en zijn mededaders op korte afstand van die [slachtoffer F] gaan staan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 11 februari 2011 in de gemeente Winterswijk tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk en wederrechtelijk een muur van een woning gelegen op/aan de [adres], toebehorende aan [slachtoffer J], heeft beschadigd.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

1. poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2. medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, alsmede een jeugddetentie van 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering (William Schrikker Groep), ook als dat inhoudt het volgen van een sociale vaardigheidstraining.

De raadsman heeft, gelet op het feit dat vrijspraak voor het onder 1 ten laste gelegde feit gevraagd wordt, bepleit dat een lagere straf wordt opgelegd. Gelet ook op de blanco documentatie, de vrij complexe problematiek van verdachte en het feit dat het nu goed gaat, verzoekt de raadsman enkel een kortere, deels voorwaardelijke, werkstraf op te leggen met aftrek van het voorarrest.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing, gepleegd met een aantal andere jongens, van een jongen die over een donker bospad fietste en beschadiging van een muur van de woning van de ouders van een vriendin (door graffiti en door vuur te houden bij de nagellakremover waarmee de vriendin probeerde de graffiti te verwijderen).

Met name het eerste feit is zeer ernstig. Dergelijke feiten dragen bij aan het gevoel van onveiligheid op straat, met name bij degene die het overkomt, maar ook bij de mensen die later over het feit horen. Het slachtoffer heeft ook aangegeven dat het gebeuren indruk op hem heeft gemaakt. Hij heeft verklaard dat hij in paniek was en bang was dat hij geslagen zou worden. Later is door hem aangegeven dat hij een tijd een andere weg heeft gefietst.

Ook het tweede feit is kwalijk en getuigt van weinig respect voor het eigendom van anderen.

Ten voordele van verdachte spreekt het uittreksel uit het justitiële documentatieregister8, waaruit blijkt dat verdachte een blanco strafblad heeft.

De rechtbank heeft voorts bij de strafoplegging rekening gehouden met het rapport van de Jeugdreclassering d.d. 23 december 2011, waaruit, zakelijk weergegeven, naar voren komt dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen. Verdachte en zijn ouders worden ook intensief gesteund door mevrouw Bergman, vanuit een PGB regeling. Verdachte is een jongen met PDD-NOS en ADHD. Hij kan sociale situaties moeilijk inschatten en is makkelijk beïnvloedbaar. Verdachte functioneert op een laag niveau en groeit op in een zwak pedagogisch gezin. Geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met een proeftijd en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de Jeugdreclassering, welk toezicht zou moeten worden uitgevoerd door de William Schrikker Groep.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft aangegeven akkoord te gaan met het advies van de Jeugdreclassering.

De rechtbank heeft meegewogen dat verdachte reeds zeer lange tijd in een schorsing van de voorlopige hechtenis loopt, gedurende welke schorsing hij begeleiding heeft gekregen van de jeugdreclassering, waaraan verdachte goed meewerkt.

Alles afwegende, de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte,

zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie opleggen, met aftrek van voorarrest. De rechtbank zal hiervan 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk opleggen, om verdachte ervan te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten meer pleegt. Aan deze voorwaardelijke straf zal de bijzondere voorwaarde worden gekoppeld dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de Jeugdreclassering, uit te voeren door de William Schrikker Groep, ook als dat inhoudt het volgen van een sociale vaardigheidstraining. De proeftijd zal worden gesteld op twee jaren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 45, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

1. poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2. medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 80 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 40 dagen;

* bepaalt, dat een gedeelte van de werkstraf, groot 30 uren, subsidiair 15 dagen jeugddetentie, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg, afdeling Jeugdreclassering, welk toezicht dient te worden uitgevoerd door de William Schrikker Groep, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt het volgen van een sociale vaardigheidstraining;

* geeft genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

* beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

* heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, tevens kinderrechter, Schuurman en Troost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Oosten-Boksem, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 januari 2012.

Eindnoten

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0646 2011009615, Regio Noord- en Oost Gelderland, Team Winterswijk, gesloten en ondertekend op 23 juni 2011.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer F], p. 251-252

3 Proces-verbaal verhoor [verdachte J], p. 304-305

4 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 268-269

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer J], p. 371-372

6 Proces-verbaal verhoor [naam 5], p. 380

7 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 388

8 Uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 21 november 2011