Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2012:5068

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
14-02-2014
Zaaknummer
480080 CV 12-856 en 483412 VV 12-19
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zie hof Arnhem Leeuwarden 8 oktober 2013, uitspraak gepuliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2013:7466

Eisen aan een bewijsaanbod. In het dossier bevinden zich getuigenverklaringe

getuigenverklaringen uit een andere procedure over dezelfde kwestie.

“Voorschieten” betekent overeenkomst van geldlening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Zutphen

Sector Kanton – Locatie Zutphen

Zaaknummer: : 480080 CV 12-856 en 483412 VV 12-19

Grosse aan :mr. H.C. Kiers

Afschrift aan :mr. M. Vissers

Verzonden d.d. :28 augustus 2012

Vonnis van de kantonrechter d.d. 28 augustus 2012

in de zaak van

1 [eiseres A ],

2.[eiser B],

3. [eiseres C],

eisers in de hoofdzaak, gedaagden in het incident,

hierna te noemen [eisers],

wonende te [plaats],

gemachtigde: mr. H.C. Kiers,

tegen

1 [gedaagde A],

2. [gedaagde B],

wonende te [plaats],

gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident, hierna te noemen [gedaagden],

gemachtigde: mr. drs. M. Vissers.

1 Het verloop van de procedure in de hoofdzaak en in het incident

Dit verloop blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 maart 2012;

- de incidentele vordering ex artikel 223 Rv tevens conclusie van antwoord ex artikel 128 Rv;

- de conclusie van antwoord in het incident;

- het vonnis van 22 mei 2012;

- de aantekeningen van de griffier met betrekking tot de op 8 augustus 2012 ingevolge het vonnis gehouden comparitie van partijen.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

[gedaagden] hebben in 2008 de hoekwoning aan [adres te plaats] (hierna: de woning) gekocht. Daarbij zijn zij onder meer voor het verkrijgen van een

hypothecaire geldlening bijgestaan door de heer[naam A] te [plaats] (hierna:[naam A]

[naam A]).

De levering van de woning heeft plaatsgevonden ten overstaan van een notaris verbonden aan het notariskantoor [notaris] te [plaats] (hierna: de notaris).

2.2

[gedaagden] dienden ingevolge de schriftelijke koopovereenkomst een waarborgsom van € 22.500,00 aan de notaris te voldaan.[naam A] heeft die waarborgsom op de bankrekening van de notaris betaald. Tevens heeft[naam A] een bedrag van € 528,36 ter zake van de taxatiekosten van de woning aan de notaris betaald.

2.3

De notaris heeft rechtstreeks aan[naam A] de taxatiekosten en een bedrag van € 5.970,40 terugbetaald. Het restant bedrag was € 16.704,60. Een en ander is met aanduiding “geldlening [naam Vastgoed BV]” vermeld op de nota van de notaris van 3 juni 2008.

2.4

[naam A] is overleden op[2009].[eisers] zijn de erfgenamen in zijn nalatenschap.[naam A]

2.5

[naam Vastgoed BV]heeft bij dagvaarding van 17 februari 2010 van [gedaagden] gevorderd betaling van het restant bedrag van € 16.704,60 met nevenvorderingen. Bij tussenvonnis van deze rechtbank, sector civiel afdeling handel, van 12 mei 2010 is aan [gedaagden] bewijs opgedragen van hun betaling van dit bedrag aan[naam A]. Na getuigenverhoor en tegengetuigenverhoor heeft de rechtbank bij eindvonnis van 29 december 2010 [gedaagden] niet in hun bewijs geslaagd geacht en de vordering toegewezen.

2.6

Na dit vonnis hebben [gedaagden] in totaal € 18.112,00 aan [naam Vastgoed BV] betaald.

2.7

In het door [gedaagden] ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof te Arnhem bij eindarrest van 7 februari 2012 het bedoelde vonnis vernietigd en de vordering afgewezen, op de grond, samengevat, dat [naam Vastgoed BV] niet voldoende had gesteld om te concluderen dat [gedaagden] zaken hadden gedaan met [naam Vastgoed BV]

2.8

Bij exploit van 28 februari 2012 heeft de gerechtsdeurwaarder Van der Zee namens[eisers] conservatoir derdenbeslag gelegd onder [naam Vastgoed BV]

3 De vordering en het verweer in de hoofdzaak[eisers]

3.1

[eisers] vorderen dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde A] en [gedaagde B] zal veroordelen om aan [eiseres A ] te betalen een bedrag van € 16.704,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2008 tot de dag der algehele betaling, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten, waaronder de kosten van de beslaglegging, alsmede de wettelijke rente over de proceskosten met ingang van 8 dagen na de betekening van het in deze te wijzen vonnis.[eisers]

3.2

[eisers] leggen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, aan hun vordering onder meer de volgende stellingen ten grondslag.

[gedaagden] zijn ondanks aanmaning in gebreke gebleven aan hun betalingsverplichting uit hoofde van geldlening te voldoen. Daarom zijn zij naast betaling van de hoofdsom gehouden de daardoor aan de kant van[eisers] veroorzaakte schade in de vorm van wettelijke rente te vergoeden.

3.3

[gedaagden] hebben geconcludeerd dat[eisers], althans mevrouw [eiseres A ] in hun vorderingen niet ontvankelijk dienen te worden verklaard, althans dat deze moeten worden afgewezen, met veroordeling van[eisers] in de proceskosten.

Het verweer van [gedaagden] zal, voor zover van belang, in het navolgende worden weergegeven.

4 De vordering en het verweer in het incident

4.1

[gedaagden] vorderen, samengevat, dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in het incident het gelegde conservatoir derdenbeslag voor de duur van het geding zal opheffen, althans eisers zal veroordelen tot opheffing daarvan op straffe van een dwangsom, met veroordeling van[eisers] in de proceskosten.

4.2

[gedaagden] voeren onder meer aan dat zij recht hebben op en belang bij een spoedige terugbetaling van hetgeen zij op basis van het inmiddels vernietigde eindvonnis aan [naam Vastgoed BV] hebben betaald.

5 Het verweer in het incident

5.1

[eisers]hebben geconcludeerd dat bij incidenteel vonnis de vordering van [gedaagden] dient te worden afgewezen met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten van het incident.

5.2

[eisers]voeren onder meer aan dat de vorderingen ongegrond zijn en zij recht hebben op en belang bij het gelegde beslag, nu gegronde vrees bestaat dat bij opheffing van het beslag het geld direct niet meer beschikbaar is bij een eventueel toewijzend vonnis.

6 De beoordeling van het geschil in het incident

6.1

Hetgeen [gedaagden] hebben aangevoerd ter zake van de inhoud van het verzoek tot het leggen van het conservatoir derdenbeslag en het al dan niet tijdig daarna betekenen van de dagvaarding kan niet tot opheffing van dat beslag leiden. Daarbij is nog het volgende van belang. Het beslag is gevolgd door een dagvaarding die op de veertiende dag na die van het beslagexploit is betekend, hetgeen in zoverre als tijdig kan worden aangemerkt. De aard van het ingeroepen recht en het beloop van de vordering zijn in het verzoekschrift voldoende duidelijk omschreven. De kantonrechter heeft ook overigens in de overgelegde beslagstukken geen formele of andere tekortkomingen aangetroffen, die het beslag mogelijk van onwaarde zouden doen zijn.

6.2

Zoals blijkt uit hetgeen hierna is overwogen en beslist, zal de vordering van[eisers] in de hoofdzaak worden toegewezen. Daarmee is de redelijke grond voor het gelegde beslag in beginsel gegeven. Nu het geding in de hoofdzaak aldus bij eindvonnis tot een einde is gekomen is er thans geen reden meer voor het treffen van een voorziening voor de duur van het geding. Daar komt overigens nog bij dat [gedaagden] geen vervangende zekerheid hebben (voor)gesteld, zodat het belang van[eisers] bij handhaving van het gelegde beslag dient te prevaleren.

6.3

De door partijen aangevoerde argumenten die in het voorgaande niet aan de orde zijn gekomen behoeven geen bespreking, nu deze in het licht van hetgeen is vastgesteld en overwogen niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

7 De beoordeling in de hoofdzaak

7.1

[gedaagden] hebben aangevoerd dat[naam A] niet hun contractspartij is geweest, zodat de vordering van[eisers] dient te worden afgewezen.[eisers] hebben daartegenover betoogd dat[naam A] de wederpartij is, ook al omdat het hof heeft geoordeeld dat [naam Vastgoed BV] niet als de contractspartij kan worden aangemerkt.

7.2

De kantonrechter overweegt daarover het volgende. [gedaagden] hebben niet gesteld noch is gebleken dat zij zaken hebben gedaan met een ander dan [naam Vastgoed BV] of[naam A] privé. Blijkens de inhoud van de in de vorige procedure bij deze rechtbank ([naam Vastgoed BV] – [gedaagden]) door mevrouw[gedaagde A] afgelegde getuigenverklaring hebben haar man en zij zaken gedaan met[naam A]. In de memorie van grieven hebben [gedaagden] het standpunt ingenomen dat zij een zakelijke relatie hadden niet met [naam Vastgoed BV], maar met[naam A]. Daar hebben zij gesteld:

- ‘(…) dat niet met [naam Vastgoed BV] een relatie bestond, maar met de heer[naam A]’ (pagina 10);

- ‘(…) het bedrag dat is voorgeschoten is rechtstreeks voorgeschoten door de heer [naam A], voor zover [gedaagden] weten.’

Dit verweer heeft het hof gehonoreerd. Voor zover [gedaagden] tegen deze achtergrond nu in deze procedure het standpunt innemen dat er geen rechtsrelatie met[naam A] bestond, hebben zij daarvoor in het licht van het voorgaande onvoldoende (nader) gesteld. Voor zover [gedaagden] thans het standpunt zouden innemen dat [naam Vastgoed BV] hun wederpartij was, heeft dit geen rechtsgevolg omdat[eisers] onder overlegging van de cessieakte onbestreden hebben gesteld dat de vordering, voor zover deze aan [naam Vastgoed BV] toebehoort, is overgedragen aan[eisers]. Dit verweer wordt daarom verworpen.

7.3

[gedaagden] hebben voorts betoogd dat er geen sprake is geweest van een obligatoire overeenkomst en/of een geldlening, op grond waarvan [gedaagden] verplicht zijn het bedrag terug te betalen.

De kantonrechter overweegt daarover het volgende. Dat het restant bedrag van € 16.704,60 aan hen zou zijn geschonken is niet gesteld of gebleken. Tussen partijen staat vast dat[naam A] de beide bedragen heeft voorgeschoten. Door zijn betaling aan de notaris waren [gedaagden] op dat moment bevrijd van hun betalingsverplichting met betrekking tot de waarborgsom en als gevolg daarvan is op datzelfde moment hun vermogen toegenomen. Mevrouw[gedaagde A] heeft ter comparitie desgevraagd verklaard dat[naam A] het bedrag had voorgeschoten en dat [gedaagden] dit aan hem moesten terugbetalen. Dit komt volledig overeen met hetgeen zij daarover op 26 juli 2010 in de vorige procedure als getuige heeft verklaard. Het staat naar het oordeel van de kantonrechter dan ook vast dat op [gedaagden] de verplichting rustte dat zij het restant bedrag aan[naam A] zouden terugbetalen.

7.4

[gedaagden] hebben daarnaast aangevoerd dat het geen overeenkomst van verbruiklening van geld (een geldlening) zou hebben betroffen omdat [gedaagden] niet de beschikking hebben gekregen over het bedrag.

De kantonrechter overweegt daarover het volgende. Van een geldlening kan sprake zijn wanneer het afgeven in de zin van artikel 7A:1791 BW niet bestaat in het daadwerkelijk ter hand stellen of verstrekken van de overeengekomen geldsom aan de lener. Van geldlening kan ook sprake zijn indien de uitlener een geldsom aan een derde heeft betaald op basis van een met de lener gemaakte afspraak dat die dit bedrag zal terugbetalen. Kort gezegd: in het geval van voorschieten van een geldsom door betaling daarvan aan een schuldeiser van de lener (HR 13 juni 2008 LJN BC9945, NJ 2008, 336). Van die situatie was ook in dit geval sprake.

Dat de betaling tot zekerheid plaatsvond op de bankrekening van de notaris, maakt het voorgaande niet anders, nu dat in gevallen als deze gebruikelijk is en de notaris als ‘doorgeefluik’ fungeert.

Het uitgangspunt van [gedaagden] berust aldus op een onjuiste rechtsopvatting. Er is dan ook geen sprake van een (niet rechtens afdwingbare) natuurlijke verbintenis.

Dit verweer wordt verworpen.

7.5

[gedaagden]hebben in deze procedure naar het oordeel van de kantonrechter niet, althans niet voldoende gemotiveerd, de vordering betwist op basis van de stelling dat zij het bedrag van € 16.704,60 omstreeks 17 juni 2008 aan[naam A] hebben terugbetaald. Voor zover [gedaagden] die stelling in deze procedure als verweer naar voren hebben gebracht, overweegt de kantonrechter nog het volgende.[eisers] hebben aan de hand van de overgelegde processtukken van de eerdere procedure, waaronder ook de getuigenverklaringen, alsmede de eveneens overgelegde getuigenverklaring van 11 april 2012, hun standpunt dat het nog verschuldigde bedrag niet in 2008 is terugbetaald, voldoende nader onderbouwd. De getuigenverklaringen zijn weliswaar niet in deze procedure afgelegd, maar vormen onderhandse akten in de zin van artikel 156 lid 1 en lid 3 Rv. Van de zijde van [gedaagden] zijn onvoldoende concrete aanknopingspunten gesteld of gebleken die thans tot een andere beoordeling zouden kunnen leiden.

Het voorgaande brengt mee dat niet is komen vast te staan dat het verschuldigde bedrag aan[naam A] is terugbetaald. Dit verweer wordt om die reden gepasseerd.

7.6

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering in hoofdsom tot een bedrag van € 16.704,60 zal worden toegewezen.

7.7

[gedaagden]hebben voorts betwist dat zij in verzuim zijn ter zake van de betaling van de hoofdsom, omdat zij niet in gebreke zijn gesteld. Nu [gedaagden] verweer hebben gevoerd en niet binnen de hieronder genoemde termijn hebben betaald, zijn ze vanaf 19 maart 2012 in verzuim en heeft het verweer om die reden geen gevolgen voor de toewijsbaarheid van de hoofdsom en de proceskosten.

7.8

Met betrekking tot de verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke rente wordt het volgende overwogen. Niet is gesteld of gebleken dat in het kader van de geldlening rente is overeengekomen.

Ten aanzien van de ingangsdatum van de gevorderde wettelijke rente is het volgende van belang. Voor zover [gedaagden] hebben betoogd dat zij weliswaar door [naam Vastgoed BV] in rechte zijn betrokken maar niet eerder door[eisers] zijn aangemaand, geldt het volgende. Hoewel vaststaat dat zij vanaf 17 februari 2010 op de hoogte waren van de pretense vordering van [naam Vastgoed BV], is die vordering niet in rechte komen vast te staan. Eerst bij het op 13 maart 2012 betekende exploit van sommatie en dagvaarding in deze procedure zijn [gedaagden]door[eisers] tot betaling gesommeerd.

Het voorgaande brengt evenwel mee dat de wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 19 maart 2012, zijnde de zesde dag na 13 maart 2012.

7.9

[gedaagden]hebben geen bewijsaanbod gedaan. Er is geen, althans onvoldoende grondslag om aan [gedaagden] op enig punt ambtshalve bewijs op te dragen, naar uit het voorgaande volgt, op de grond dat zij niet hebben voldaan aan hun stel- en adstructieplicht, met betrekking tot voldoende concreet omschreven feiten die, indien bewezen, tot een andere beoordeling zouden kunnen leiden dan hiervoor gegeven.

7.10

De door partijen aangevoerde argumenten die in het voorgaande niet aan de orde zijn gekomen, behoeven geen bespreking, nu deze, in het licht van hetgeen is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

7.11

[gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. Hetgeen meer of anders is gevorderd zal worden afgewezen.

8 De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende:

in het incident:

8.1

wijst de vordering af ;

8.2

veroordeelt [gedaagde A] en [gedaagde B] in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van[eisers] vastgesteld op € 300,00 als gemachtigdensalaris;

in de hoofdzaak:

8.3

veroordeelt [gedaagde A] en [gedaagde B] om aan [eiseres A ] te betalen een bedrag van € 16.704,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2012 tot de dag der algehele betaling;

8.4

veroordeelt [gedaagde A] en [gedaagde B] in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van[eisers] vastgesteld als volgt:

a. dagvaardingskosten € 104,64

b. griffierecht € 437,00

c, gemachtigdensalaris € 600,00

d. griffierecht verzoek € 267,00

e. salaris verzoek € 300,00

f. beslag exploit € 189,97

g. overbetekening € 93,40,

alsmede de wettelijke rente over de proceskosten met ingang van 8 dagen na de betekening van het in deze te wijzen vonnis

8.5

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

8.6

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.J. Heessels en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 augustus 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.

P/