Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BX7010

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
117718 - FA RK 10-2306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijksvoorwaarden; periodiek verrekenbeding; waardering aandelen

De man had een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Deze is tijdens het huwelijk omgezet in een BV. Welk vermogen komt voor verrekening in aanmerking? Het inkomensbegrip in de huwelijksvoorwaarden is niet gedefinieerd. De rechtbank gaat uit van ee nruim inkomensbegrip, inclusief winst uit onderneming, dividend en inkomen uit vermogen. Het vermogen van de man is tijdens het huwelijk door zijn arbeidsinspanningen opgebouwd. De vrouw heeft daarom mogen verwachten dat het vermogen van de onderneming in beginsel in de verrekening betrokken zou worden. Een zuivere vermogenstoename blijft echter buiten de verrekening.

Uitgaande van artikel 1:141 lid 3 BW diende het gehele ondernemingsvermogen in de eenmanszaak in de verrekening te worden betrokken. Inbreng van de onderneming in een BV dient in deze situatie gelijkgesteld te worden met de aanschaf van aandelen met overgespaard inkomen. De waarde van de aandelen dient daarom volledig te worden verrekend. Gelet op de door partijen gehanteerde systematiek dient daarvoor onder meer duidelijkheid te komen over de waarde van het bedrijfspand.

(Noot rechtbank: partijen hebben de zaak na deze tussenbeschikking geschikt)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 117718 / FA RK 10-2306

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 26 oktober 2011

in de zaak tussen:

[verzoeker],

voorheen wonende te [plaats, gemeente],

thans wonende te [plaats, gemeente],

verzoeker, hierna te noemen de man,

advocaat: mr. H. Grootjans te Doetinchem,

en

[verweerster],

wonende te [plaats, gemeente],

verweerster, hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. C.A. Prinsen te Doetinchem.

Het verdere procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 15 september 2010, zoals verbeterd bij beschikking van 24 november 2010;

- het aanvullende verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 6 december 2010;

- de brief met bijlagen van mr. Grootjans van 26 april 2011;

- het journaalbericht met bijlage van mr. Prinsen van 2 mei 2011;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 mei 2011 met daaraan gehecht het journaalbericht van mr. Grootjans van 18 mei 2011 en het journaalbericht van mr. Prinsen van 23 mei 2011;

- het journaalbericht met bijlagen van mr. Prinsen van 1 juni 2011;

- het journaalbericht met bijlagen van mr. Grootjans van 8 juni 2011;

- het journaalbericht met bijlage van mr. Prinsen van 20 juni 2011.

De verdere beoordeling

In voormelde tussenbeschikking is onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de behandeling aangehouden ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden. Ook is in die beschikking bepaald dat de vrouw zolang zij blijft wonen in de gemeenschappelijke woning € 327,-- per maand aan de man dient te betalen als vergoeding voor het gebruik daarvan, te verrekenen bij de verdeling.

De echtscheidingsbeschikking is op 9 december 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Vooraf wordt overwogen dat namens de vrouw bezwaar is gemaakt tegen de late indiening van de stukken bij de brief van mr. Grootjans van 26 april 2011. Dit bezwaar wordt naar de rechtbank begrijpt niet gehandhaafd indien de bijlage bij het journaalbericht van mr. Prinsen van 2 mei 2011 evenzeer in de beoordeling wordt betrokken. De man heeft daartegen geen bezwaar gemaakt, zodat de rechtbank de beide berichten met bijlagen zal betrekken in de beoordeling.

De huwelijksvoorwaarden van partijen luiden, voor zover van belang, als volgt.

“Artikel 1.

Tussen de echtgenoten zal geen vermogensrechtelijke gemeenschap van goederen bestaan (…)

Artikel 5.

Ieder der echtgenoten is verplicht naar evenredigheid van zijn of haar inkomen bij te dragen in de kosten van de huishouding, daaronder begrepen die der verzorging en opvoeding van de kinderen; voorzover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van de eigen vermogens der echtgenoten naar evenredigheid daarvan (…)

Onder inkomen is niet begrepen hetgeen door toeval of geluk is verkregen.

(…)

Artikel 7.

Per het einde van elk jaar voegen de echtgenoten ter verdeling bij helfte bijeen hetgeen van hun inkomen over daaraan voorafgaande kalenderjaar onverteerd is of door belegging, wederbelegging of ruiling van onverteerd inkomen is verkregen. (…)

De verplichting tot bijeenvoeging en verdeling geldt niet met betrekking tot de tijd dat de echtelijke samenwoning verbroken is geweest.

(…)

Artikel 12.

Indien ten tijde van de ontbinding, om welke oorzaak ook, van het huwelijk, er tussen de echtelieden nog een schuldverhouding bestaat terzake van het feit, dat besparingen, als hiervoor in artikel 7 gemeld, niet in contanten zijn verrekend zal het verschuldigde niet kunnen worden opgevorderd, dan in vijf gelijke jaarlijkse termijnen.

De eerste termijn vervalt één jaar na de ontbinding van het huwelijk , de tweede een jaar daarna en zo vervolgens.

Over de hoofdsom of het resterend gedeelte daarvan is een rente verschuldigd berekend naar vijf procent per jaar, telkenjare tegelijk met de aflossing te voldoen.

(…)”

Gedurende het huwelijk hebben partijen geen uitvoering gegeven aan het periodieke verrekenbeding. Thans bestaat met name discussie over de uitleg van het begrip “inkomen” in de artikelen 5 en 7.

Partijen zijn het erover eens dat de reden voor het aangaan van de huwelijksvoorwaarden was gelegen in de wens zakelijk en privévermogen gescheiden te houden. Dit hield verband met de opstart van een eigen zaak door de man. Oorspronkelijk gebeurde dit in de vorm van een eenmanszaak. De activiteiten worden echter sinds 1998 uitgevoerd in een BV.

Artikel 1:141 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt voor zover van belang het volgende:

“1. Indien een verrekenplicht betrekking heeft op een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak van het huwelijk en over dat tijdvak niet is afgerekend, blijft de verplichting tot verrekening over dat tijdvak in stand en strekt deze zich uit over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is, alsmede over de vruchten daarvan.

(…)

3. Indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht (…) niet is voldaan, wordt het alsdan aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit

(…)

4. Indien een echtgenoot in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van een niet op zijn eigen naam uitgeoefende onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen, en een verrekenbeding is overeengekomen dat ook ondernemingswinsten omvat, worden de niet uitgekeerde winsten uit zodanige onderneming, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, eveneens in aanmerking genomen bij de vaststelling van de verrekenplicht van die echtgenoot (…)”

Het vermogen van partijen omvat de navolgende bestanddelen:

a. netto verkoopopbrengst van de woning aan de [adres te plaats]

b. Avéro polis

c. aandelen [naam BV]

d. bankrekeningen

e. risicoverzekeringen Goudse Schadeverzekeringen en ABN Amro

f. lijfrentepolis Nationale Nederlanden

g. teruggaven IB

h. rekening-courantschuld met [naam BV].

Uit oogpunt van overzichtelijkheid zal de rechtbank bij de beoordeling van de te verrekenen waarde van de aandelen direct ingaan op de rekening-courantschuld, het stamrecht en de pensioenverplichting.

woning en polis Avéro

De woning is gemeenschappelijke eigendom van partijen. Tussen hen staat niet ter discussie dat de verkoopopbrengst bij helfte dient te worden gedeeld. De woning is verkocht voor een bedrag van € 600.000,--. Daartegenover staat een hypotheekschuld bij ABN Amro van € 283.623,--. Ook is in verband met deze woning sprake van een schuld aan [naam BV]. van € 121.138,--; in het verweerschrift van de man van 29 maart 2010 wordt een bedrag van € 170.001,-- genoemd, maar kennelijk is daarmee aangesloten bij de rekening-courantschuld die geen betrekking heeft op de woning. Een en ander is af te leiden uit de overgelegde jaarstukken.

Na aftrek van de twee schulden die samenhangen met de woning resteert een bedrag van € 195.239,--. Beide partijen hebben recht op de helft van dit bedrag, oftewel € 97.619,50. Daarop dienen nog de makelaarskosten in mindering te worden gebracht. De hoogte daarvan is in de procedure niet gebleken; elk van partijen dient daarvan de helft te dragen. Daarnaast hebben zij beiden recht op de helft van de waarde van de polis bij Avéro met nummer [nummer]; de rechtbank beschikt niet over voldoende stukken om te kunnen vaststellen of de polis gezamenlijke eigendom is dan wel als overgespaard inkomen dient te worden beschouwd. Zij laat dit in het midden, nu partijen het eens zijn over de wijze van afwikkeling. De exacte waarde van de polis blijkt evenmin uit de stukken. Bepaald zal daarom worden dat aan beide partijen de helft van het bedrag toekomt.

aandelen [naam BV]

De aandelen zijn eigendom van de man. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is in hoeverre sprake is van een verrekenvordering van de vrouw. Deze vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de reikwijdte van het periodieke verrekenbeding. Het begrip “inkomen” is daarin niet gedefinieerd.

Bij de uitleg van de akte van huwelijksvoorwaarden komt het aan op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en te dien aanzien redelijkerwijs mochten verwachten. Naar het oordeel van de rechtbank kan er geen discussie bestaan over het feit dat inkomsten uit arbeid zolang de onderneming van de man in de vorm van een eenmanszaak werd gedreven tot het te verrekenen inkomen behoorden. De discussie spitst zich toe op de vraag of en in hoeverre het vermogen dat in de BV is gevormd (onder meer als gevolg van waardestijgingen van het bedrijfspand) ook dient te worden verrekend.

Het inkomensbegrip is in de huwelijksvoorwaarden niet gedefinieerd en ook niet beperkt tot inkomen uit arbeid of zelfs inkomen in de zin van de Wet op de Inkomstenbelasting. In dat opzicht verschilt de zaak ook van die waarnaar de man heeft verwezen (HR 6 oktober 2006, NJ 2008/565), waar sprake was van een verrekenbeding ter zake van inkomen uit arbeid. Gelet op het ontbreken van een dergelijke beperking in de onderhavige huwelijksvoorwaarden dient naar het oordeel van de rechtbank van een ruim inkomensbegrip te worden uitgegaan, waartoe ook winst uit onderneming, dividend en inkomen uit vermogen dienen te worden gerekend.

Van de zijde van de man is geen noemenswaardig voorhuwelijks vermogen aangebracht. Van ontvangen schenkingen of erfenissen is niet gebleken. Al hetgeen de man tijdens het huwelijk heeft opgebouwd is dan ook het resultaat van zijn arbeidsinspanningen. De vrouw heeft daarom redelijkerwijze mogen verwachten dat het vermogen van de onderneming in beginsel in de verrekening betrokken zou worden. Daartegenover had het, indien de man anders meende, op zijn weg gelegen dit uitdrukkelijk te verklaren aan de vrouw. In plaats daarvan heeft hij - ook tijdens het huwelijk - op de momenten dat de vrouw vroeg waarom er geen jaarlijkse verrekening plaatsvond volstaan met de wedervraag waarom wel, en niet op enig moment (dan wel bij het sluiten van de huwelijksvoorwaarden dan wel op het moment dat de eenmanszaak werd omgezet in een BV) uitdrukkelijk verklaard dat hij van mening was dat de waarde van de aandelen in de BV buiten de verrekening zou blijven. Gelet daarop kon hij redelijkerwijze niet verwachten dat de vrouw daarmee instemde.

Daarbij kan wel een kanttekening worden geplaatst. Indien de onderneming in de vorm van een eenmanszaak was blijven bestaan en de man een bedrijfspand zou hebben aangekocht met behulp van een hypothecaire lening, zou - indien op die lening geen aflossingen hadden plaatsgevonden uit overgespaard inkomen - een waardestijging van het pand buiten de verrekening blijven. Gelet op de wetssystematiek (met name artikel 1:132 BW) dient immers onderscheid te worden gemaakt tussen inkomen en vermogen. Een zuivere vermogenstoename, die niet samenhangt met het oversparen van inkomsten, komt toe aan de eigenaar van het vermogensbestanddeel. De vraag is of dit anders wordt nu het pand (mede-)eigendom is van de BV.

De vrouw heeft aangevoerd dat de aandelen in de BV zijn aangeschaft met overgespaard inkomen en dat daarom de gehele waarde van die aandelen voor verrekening in aanmerking komt. Zij beschouwt de aandelen als een vorm van belegging en de waardevermeerdering ervan als een vrucht van deze belegging. Daarmee wordt kennelijk verwezen naar de situatie in de uitspraak van de Hoge Raad van 18 april 2003, NJ 2003/441: de waardestijging van aandelen wordt in de verrekening betrokken voor zover die aandelen zijn aangeschaft uit overgespaard inkomen.

Met inachtneming van het bepaalde in artikel 1:141 lid 3 BW geldt dat het gehele ondernemingsvermogen in de eenmanszaak in de verrekening diende te worden betrokken, nu dit volledig als overgespaard inkomen dient te worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat in die situatie de inbreng van de onderneming in een BV, waartegenover creditering heeft plaatsgevonden, gelijkgesteld dient te worden met de aanschaf van aandelen met overgespaard inkomen. Dit is ook in de lijn van de conclusie van de advocaat-generaal bij HR 6 oktober 2006, NJ 2008/565 (overweging 2.20). De stelling van de man dat het vermogen in de BV buiten de verrekening blijft is in hoofdzaak gebaseerd op zijn uitgangspunt dat ook het vermogen in de eenmanszaak buiten de verrekening blijft. Dit uitgangspunt is echter gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onjuist. In deze systematiek past het dat de waarde van de aandelen, die uit voor verrekening in aanmerking komend vermogen zijn gefinancierd, volledig wordt verrekend, ongeacht de oorzaak van een eventuele waardevermeerdering. Ook de waarde van het bedrijfspand dient daarin te worden betrokken, voor zover die invloed heeft op de waarde van de aandelen, nu dat bedrijfspand in 2002 is aangeschaft door de BV.

Als peildatum voor de waardering dient gelet op artikel 7 van de huwelijksvoorwaarden te worden uitgegaan van de datum van feitelijk uiteengaan van partijen, december 2008.

Namens de vrouw is door mr. Prinsen bij de brief van 21 juni 2010 een rapport van mr. H.J.L. Paantjens overgelegd. Later is dit rapport aangevuld met een rapport van Paantjens van 29 oktober 2010 (bijlage bij de brief van mr. Prinsen van 3 december 2010). Voor zover niet anders blijkt, wordt aangenomen dat hetgeen daarin is verwoord het standpunt van de vrouw betreft. De vrouw stelt zich dan op het standpunt dat voor de waarde van de aandelen dient te worden uitgegaan van de balanswaarde per 31 december 2008, waarop enkele correcties dienen te worden toegepast. In de eerste plaats dient er rekening mee te worden gehouden dat aanmerkelijkbelangbelasting verschuldigd is over het verschil tussen de balanswaarde en de verkrijgingsprijs. Daarnaast dienen de bedrijfsmiddelen niet tegen de boekwaarde maar tegen de werkelijke waarde in de afrekening te worden betrokken; er is mogelijk sprake van stille reserves in de vorm van een meerwaarde van het bedrijfspand (overigens dient ook daarbij rekening te worden gehouden met latente belasting). Om die reden dient het bedrijfspand naar mening van de vrouw te worden getaxeerd, ofwel dient te worden uitgegaan van een waarde van € 500.000,--.

Namens de man is een brief van mr. R.H. Hoftijzer van 28 juli 2010 overgelegd. Daarin is onder meer aangevoerd dat de overwinst de man slechts gedeeltelijk ter vrije beschikking staat; de bank moet toestemming geven om daarover te kunnen beschikken. Ook is er bedrijfs-economisch onvoldoende gereserveerd voor toekomstige investeringen, herinvesteringen en reserveringen voor de pensioen- en stamrechtverplichtingen. De huidige winstreserve van de beheersmaatschappij is nodig om de rekening-courant te kunnen wegstrepen tegen de dividenduitkering. Het bedrag moet daarbij nog gebruteerd worden in verband met de dividendbelasting. Dit betekent dat er geen enkele waarde in de onderneming aanwezig is, behalve het gestorte kapitaal. Uitgaand van een commerciële waardering van de pensioen- en stamrechtverplichting is wellicht zelfs sprake van een negatief eigen vermogen. Bij het uitgangspunt voor de aandelen de balanswaarde per 31 december 2008 te nemen is aangesloten. In de brief met bijlagen van mr. Grootjans van 26 april 2011 is hieraan toegevoegd dat nu de woning inmiddels is verkocht, er weer liquiditeit in de onderneming komt als gevolg van de aflossing van de hiermee samenhangende lening. De overwaarde dient te worden aangewend om de rekening-courantschuld van partijen zoveel mogelijk af te lossen. Het restant van de schuld zou door middel van een dividenduitkering dienen te worden verrekend. In de berekening bij laatstgenoemde brief wordt uitgegaan van een (bruto) meerwaarde van het bedrijfspand van € 41.502,-- oftewel een waarde van het pand van € 342.000,--.

De rechtbank neemt de standpunten van partijen ten aanzien van de uitgangswaarde van de aandelen in [naam BV] over. Dit betekent dat wordt uitgegaan van een balanswaarde (gerelateerd aan het eigen vermogen) van € 208.347,--. De pensioenreservering is daarin - terecht - niet meegenomen, nu deze afzonderlijk in de passiva op de balans is opgenomen en gelet op de wetssystematiek buiten de afrekening op grond van het periodieke verrekenbeding valt. Op de stellingen van de man omtrent de waardering van het pensioen wordt hierna nader ingegaan; de rechtbank begrijpt de stelling aldus dat indien de pensioenreservering hoger wordt (door herberekening op commerciële basis), het eigen vermogen daalt. Vooralsnog wordt echter uitgegaan van het bedrag in de jaarrekening.

De stelling van de man dat er geen waarde in de onderneming aanwezig is vanwege het feit dat de vordering op partijen in rekening-courant alleen door een dividenduitkering zou kunnen worden voldaan is inmiddels achterhaald door de verkoop van de woning en het feit dat de man te kennen heeft gegeven de overwaarde te willen gebruiken om de schuld aan de BV (grotendeels) in te lossen. Op de vraag in hoeverre met toekomstige (her)investeringen rekening dient te worden gehouden zal worden ingegaan nadat vaststaat wat partijen dienen te verrekenen, aangezien dit aan de vordering van de vrouw als zodanig niets afdoet, maar wel gevolgen kan hebben voor de vraag welk bedrag de man op een bedrijfseconomisch verantwoorde wijze uit de onderneming kan opnemen om een eventuele vordering van de vrouw te voldoen. Ook kan dit aspect bij het stamrecht een rol spelen.

Namens de man is op zich geen verweer gevoerd tegen de door Paantjens gehanteerde systematiek, waarbij de balanswaarde wordt gecorrigeerd voor stille reserves. Er is alleen ten aanzien van het bedrijfspand gesteld dat sprake is van een stille reserve. In het aanvullende rapport van 29 oktober 2010 wordt uitgegaan van een waarde van het pand van € 500.000,-- terwijl in het oorspronkelijke rapport van 18 juni 2010 werd uitgegaan van € 450.000,--. Beide bedragen missen onderbouwing. De man stelt dat de door hem genoemde waarde van € 342.000,-- is gebaseerd op een taxatie van Lensink Gussinklo uit januari 2011. Deze is echter niet overgelegd, en uit de verklaring van de man wordt afgeleid dat de taxatie is gebaseerd op de waarde per januari 2011, terwijl dient te worden uitgegaan van de waarde per 31 december 2008. De rechtbank zal daarom opdracht geven tot het uitvoeren van een taxatie van het pand per die datum. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige.

De rechtbank is in navolging van partijen van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met een latente belastingclaim op (het aandeel van de BV in) de meerwaarde van het pand boven de boekwaarde. De berekening daarvan zal eerst kunnen plaatsvinden waarna duidelijkheid bestaat over de waarde van het pand.

rekening-courantschuld met [naam BV].

Er is - naast de lening in verband met de woning - sprake van een rekening-courantschuld met de BV. Partijen zijn het erover eens dat zij beiden aansprakelijk zijn voor deze schuld. Zij zijn het niet eens over de te hanteren peildatum. De rechtbank is van oordeel dat er in beginsel geen reden is ook voor deze schuld uit te gaan van de datum van feitelijk uiteengaan van partijen, nu zij op grond van de wet gedurende hun gehele huwelijk gehouden waren elkaar over en weer het nodige te verschaffen. Tussen partijen staat voldoende vast dat de schuld - in ieder geval voor het grootste deel - verband houdt met uitgaven voor de huishouding. Voor zover de schuld tussen 31 december 2008 en de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (9 december 2010) verder is opgelopen, dienen partijen ook dat gedeelte van de schuld samen te dragen voor zover deze betrekking heeft op kosten van de huishouding. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij na het uiteengaan van partijen nog diverse gezamenlijke lasten heeft voldaan. Wel is gebleken dat de man na het uiteengaan van partijen geld vanuit de BV heeft gebruikt om een verbouwing te financieren en een aanbetaling voor een woning te verrichten. Dit zijn kosten die niet ten laste van de vrouw dienen te komen.

Op praktische gronden heeft de man in eerste instantie voorgesteld uit te gaan van de situatie per 31 december 2009. In de opstelling bij het journaalbericht van mr. Grootjans van 8 juni 2011 is alsnog een uitsplitsing gevolgd. De man is daarbij uitgegaan van een schuld van € 266.906,--. Hij berekent de toename van de rekening-courantschuld over de jaren 2009 en 2010 blijkens de handgeschreven berekening die daarbij is overgelegd op een totaalbedrag van € 89.878,28. Wordt dit opgeteld bij de schuld per 31 december 2008, die € 171.061,-- bedroeg, dan zou (in euro’s afgerond) de schuld per 31 december 2010 volgens berekening van de rechtbank € 260.939,-- bedragen. Volgens het bij dezelfde stukken gevoegde e-mailbericht van Hoftijzer aan mr. Grootjans van 8 juni 2011 dient voorts nog rekening te worden gehouden met interest over de toename van de schuld, een bedrag van afgerond € 5.968,--. Dit zou een totaal van € 266.907,-- opleveren. Doordat in de berekening van Hoftijzer de interest over de lening voor de woning (5% over € 121.138,--) abusievelijk is berekend op € 6.056,09 in plaats van € 6.056,90 komt Hoftijzer een euro lager uit dan de berekening van de rechtbank op basis van de handgeschreven aantekeningen.

De man heeft de bankafschriften over de jaren 2009 en 2010 overgelegd. De rechtbank heeft ervan afgezien de optellingen per pagina te controleren. Zij zal de vrouw in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de vraag of zij van mening is dat de door de man opgevoerde posten tot de kosten van de huishouding behoren en in zoverre zij meent van niet, dit te onderbouwen. Ook wordt zij uitgenodigd zich uit te laten over de vraag of de kosten van na 9 december 2010 ook gedeeld dienen te worden. De man zal zich over dat laatste punt ook nog dienen uit te laten. Overwogen wordt alvast dat aannemelijk is dat zeker in de eerste periode na het uiteengaan nog veel gezamenlijke lasten door de man uit de BV zijn voldaan. Naarmate partijen langer uiteen waren, neemt de waarschijnlijkheid daarvan af, nu in het algemeen gedurende een echtscheidingsprocedure financiële zaken steeds meer worden gescheiden. Gelet op de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, 22 december 2009, zullen als uitgangspunt aan de betwisting door de vrouw over 2009 hogere eisen gesteld kunnen worden dan waar het uitgaven in 2010 betreft. Dit kan echter per post verschillen.

stamrecht

In het rapport van Paantjens van 18 juni 2010 is erop gewezen dat sprake is van een stamrecht. Per 31 december 2008 bedraagt de waarde daarvan € 131.426,--. De verklaring van Paantjens is dat deze verplichting is ontstaan door de inbreng van de eenmanszaak in de BV, waarbij de waarde hoger was dan de verplichte storting op de aandelen van € 18.151,--. Die verklaring is niet bestreden door de man.

Gelet op deze verklaring betreft ook deze verplichting overgespaard inkomen van de man. De vrouw heeft dit bedrag betrokken in de pensioenafstorting; de man heeft zich er nog niet over uitgelaten wat met dit bedrag naar zijn mening dient te gebeuren. Hij wordt hiertoe alsnog in de gelegenheid gesteld.

pensioen

Tussen partijen is niet in discussie dat het in de BV opgebouwde ouderdomspensioen op naam van de man onder de werking van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding valt. Bij het journaalbericht van mr. Grootjans van 8 juni 2011 is een berekening van mw. Swinkels, collega van de heer Hoftijzer, gevoegd, die is gebaseerd op de situatie per 1 januari 2009. Op pagina 2 van de berekening zijn de opgebouwde pensioenaanspraken opgesomd. Dit betreft zowel VPL (ingaande op 65-jarige leeftijd) als pre-VPL (ingaande op 60-jarige leeftijd). Met VPL wordt naar de rechtbank begrijpt gedoeld op de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling.

De vrouw heeft nog niet inhoudelijk op deze berekeningen gereageerd, omdat de tijd daarvoor te kort was (aanvullend rapport Paantjens 20 juni 2011). Wel is opgemerkt dat het verschil tussen de commerciële waarde en de fiscale waarde niet is te herleiden. Ook is gesteld dat ten onrechte is uitgegaan van conversie in een eigen recht van de vrouw. Dit laatste ligt echter naar het oordeel van de rechtbank wel voor de hand, nu de vrouw afstorting wenst, zoals blijkt uit de brief van mr. Prinsen van 3 december 2010.

Het door de vrouw genoemde bedrag van € 152.822,-- dat de man zou dienen af te storten bestaat uit de helft van de totale reservering voor stamrecht en pensioen zoals die blijkt uit de jaarrekening over 2008. Naar het oordeel van de rechtbank is de benadering van de vrouw te kort door de bocht, nu die in feite zou neerkomen op een verdeling van de opgebouwde waarde. Dat is echter geen verevening; daarbij dient eerst te worden vastgesteld hoe hoog de aanspraak van de vrouw is op basis van de voorwaarden die bijvoorbeeld uit een pensioenbrief kunnen blijken. Met de in de BV opgebouwde reservering correspondeert een te zijner tijd (vanaf 60-jarige leeftijd) uit te keren bedrag aan pensioen, de aanspraak. Wanneer die aanspraak is vastgesteld kan de vrouw, indien zij wenst dat haar deel van het pensioen wordt afgestort, een offerte van een verzekeringsmaatschappij opvragen waaruit zal blijken welk bedrag afgestort dient te worden om eenzelfde aanspraak extern te verzekeren.

De rechtbank zal zich, zolang van de zijde van de vrouw niet is gereageerd op de berekening van de aanspraken, van inhoudelijk commentaar op die berekening onthouden. Beide partijen dienen zich voorts gemotiveerd uit te laten over de vraag of van de fiscale dan wel de commerciële waarde van het pensioen dient te worden uitgegaan. Tevens dient de man een eventueel bestaande pensioenbrief over te leggen.

bankrekeningen

Partijen zijn het erover eens de bankrekeningen van de kinderen buiten de verrekening te houden. Er resteren dan drie bankrekeningen:

ABN Amro rekening nummer [nummer 1] ten name van de man € 378,--

ABN Amro rekening nummer [nummer 2] ten name van de man € 2.765,--

ABN Amro rekening nummer [nummer 3] € 1.900,--

Uit de stukken blijkt niet op wiens naam de laatstgenoemde rekening staat. Partijen dienen zich daarover nader uit te laten.

risicoverzekeringen Goudse Schadeverzekeringen en ABN Amro; lijfrente Nationale Nederlanden

Er is sprake van een overlijdensrisicoverzekering bij Goudse Schadeverzekeringen op naam van de man met nummer [nummer]. Daarnaast is sprake van een verzekering bij ABN Amro met nummer [nummer]. Ook is er een lijfrentepolis bij Nationale Nederlanden met nummer [nummer]. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de opgebouwde waarden zijn gevormd uit overgespaard inkomen. De man dient de polissen en waardeopgaven per 31 december 2008 in het geding te brengen.

teruggaven IB

Partijen dienen zich - onderbouwd met stukken - uit te laten over de vraag of er na 2008 nog aanslagen of teruggaven IB zijn geweest over de jaren tot en met 2008 die in de verrekening dienen te worden betrokken. Uit de opstelling van Hoftijzer bij de brief van mr. Grootjans van 26 april 2011 leidt de rechtbank af dat de man een teruggave zou hebben ontvangen van € 6.262,-- over 2008, maar voor zover de rechtbank kan vaststellen is dit gebaseerd op de aangifte; een aanslag of betalingsbewijs is niet overgelegd.

overig

De rechtbank brengt in herinnering dat op de verkrijging van de vrouw een gebruiksvergoeding in mindering komt. Hoewel dit niet uitdrukkelijk is overwogen, brengt de systematiek van artikel 1:165 BW mee dat deze vergoeding verschuldigd is vanaf 9 december 2010. Gelet op het feit dat de woning per 1 augustus 2011 is verkocht, gaat de rechtbank er zonder andersluidend bericht van partijen van uit dat de vrouw een bedrag van € 2.531,61 (dat wil zeggen 7 23/31 x € 327,--) verschuldigd is.

Gelet op het voorgaande zal de zaak worden aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de punten die nog onbeslist zijn. In afwachting daarvan wordt iedere beslissing aangehouden. Mochten partijen zich nog over de inboedel en de grafrechten van de familie van de vrouw wensen uit te laten, dan dienen zij dit terstond te doen.

De beslissing

De rechtbank:

houdt de behandeling van de zaak aan tot de pro forma terechtzitting op woensdag 23 november 2011;

bepaalt dat de man zich uiterlijk op die datum, gemotiveerd en waar van toepassing onder overlegging van de desbetreffende stukken, dient uit te laten over de navolgende punten:

- de persoon van de te benoemen deskundige voor de taxatie van het bedrijfspand;

- de vraag in hoeverre kosten die ten laste van de rekening-courantschuld zijn gebracht na 9 december 2010 nog voor verrekening in aanmerking komen;

- de vraag wat in het kader van de afwikkeling tussen partijen in huwelijksvermogens-rechtelijke zin dient te gebeuren met de stamrechtverplichting;

- de vraag of (en waarom) voor de vaststelling van de pensioenaanspraak van de fiscale dan wel de commerciële waarde dient te worden uitgegaan en een berekening van het verschil in uitkomst;

- de pensioenbrief;

- de tenaamstelling van ABN Amro rekening nummer [nummer 3];

- polissen en waardeopgaven per 31 december 2008 van de verzekeringen bij Goudse Schadeverzekeringen, ABN Amro en Nationale Nederlanden;

- teruggaven en aanslagen IB die na 31 december 2008 zijn ontvangen maar betrekking hebben op de periode daarvoor;

bepaalt dat vervolgens aan de vrouw een termijn voor reactie zal worden gegeven, waarbij zij zich tevens, gemotiveerd en waar van toepassing onder overlegging van de desbetreffende stukken, dient uit te laten over de navolgende punten:

- de vraag of en in hoeverre zij instemt met de door de man over 2009 en 2010 bij de rekening-courantschuld opgetelde bedragen;

- een inhoudelijke reactie op de berekening van de pensioenaanspraken door mw. Swinkels en zo mogelijk een offerte van een verzekeringsmaatschappij;

- teruggaven en aanslagen IB die na 31 december 2008 zijn ontvangen maar betrekking hebben op de periode daarvoor;

houdt voor het overige iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 oktober 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.