Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BV2666

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
28-12-2011
Datum publicatie
02-02-2012
Zaaknummer
122459 - HA ZA 11-543
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank oordeelt dat de gemeente Epe, door het verstrekken van onjuiste informatie over het plaatsen van stacaravans, niet onrechtmatig heeft gehandeld tegenover een campingeigenaar in Emst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 122459 / HA ZA 11-543

Vonnis van 28 december 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te Emst, gemeente Epe,

eiser,

advocaat mr. S.H.J. Buitenkamp te Epe,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EPE,

zetelend te Epe,

gedaagde,

advocaat mr. K.A.M. van Os- ten Have te Zutphen.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 augustus 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 10 november 2011.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De feiten

Recreatiepark De Bonte Vlucht B.V. (hierna: De Bonte Vlucht) exploiteert een recreatiepark, gelegen aan de Hanendorperweg te Emst. De Bonte Vlucht heeft een gedeelte van haar perceel, genaamd “De Bosmuis” en gelegen aan de Hanendorperweg 510 te Emst, afgescheiden van het recreatiepark.

[eiser] heeft op 20 februari 2008 de economische eigendom van “De Bosmuis” verworven. Op “De Bosmuis” stonden destijds stacaravans en daarnaast nog caravans. Deze caravans waren voorzien van een houten aanbouw en aangesloten op de nutsvoorzieningen.

[eiser] heeft -omdat op het terrein van “De Bosmuis” geen toiletgebouw aanwezig is- op 2 mei 2008 met de Vereniging van Eigenaren De Bonte Vlucht een aanvullende overeenkomst gesloten ter zake het gebruik en onderhoud van het toiletgebouw van de naastgelegen camping De Bonte Vlucht.

De Raad van de Gemeente heeft bij besluit van 4 juni 2009 het bestemmingsplan Buitengebied, 4e partiële herziening (correctieve herziening) gewijzigd vastgesteld (productie 5 van de Gemeente).

Krachtens dit bestemmingsplan rust op het perceel van “De Bosmuis” de bestemming “verblijfsrecreatieve doeleinden” met de aanduiding “kamperen toegestaan” (km).

In de bij dit bestemmingsplan behorende voorschriften komen de navolgende bepalingen voor:

“Artikel 18 Verblijfsrecreatieve doeleinden

18.1 Doeleindenomschrijving

“De gronden op de kaart aangewezen voor verblijfsrecreatieve doeleinden zijn bestemd voor het door middel van bedrijfsmatige exploitatie als eenheid bieden van recreatief verblijf aan personen -die elders hun hoofdverblijf hebben- in kampeermiddelen -tenzij anders op de kaart is aangegeven- trekkershutten en recreatiewoningen, tenzij de gronden op de kaart zijn aangeduid met kamperen toegestaan in welke geval uitsluitend kampeermiddelen met uitzondering van stacaravans zijn toegestaan (…), met daarbij behorende voorzieningen -waaronder begrepen sanitaire voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van het onderhoud en het beheer- en met de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken (…)

Artikel 46 Overgangsbepalingen

(…)

46.2 Gebruik

46.2.1 Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan en dat strijdig is met het plan mag worden voortgezet.

46.2.2 Het bepaalde in 46.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

46.2.3 Het is verboden het met het plan strijdige gebruik te wijzigen, tenzij de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in dit plan, naar de aard en omvang niet wordt vergroot.”

Op 3 maart 2010 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen medewerkers van de afdeling Strategie en Ontwikkeling van de Gemeente en [eiser]. In dat gesprek heeft [eiser] te kennen gegeven van plan te zijn om op “De Bosmuis” chalets te plaatsen. Daarop is [eiser] door de Gemeente te verstaan gegeven dat het plaatsen van chalets en stacaravans op grond van het geldende bestemmingsplan niet was toegestaan, maar dat altijd kon worden verzocht om medewerking aan wijziging van het bestemmingsplan. [eiser] heeft niet om planologische medewerking verzocht. De Gemeente heeft aan [eiser] laten weten dat op “De Bosmuis” alleen kampeermiddelen, met uitzondering van stacaravans, zijn toegestaan.

In een e-mailbericht van 22 maart 2010 (productie 8 van de Gemeente) heeft de heer Kooiman van de Gemeente aan [eiser] het volgende medegedeeld:

“Kenmerken van een toercaravan zijn de volgende:

1. Een met wanden omsloten ruimte op wielen.

2. Geheel of ten dele voor recreatief verblijf van personen ingericht of daarvoor bestemd is.

3. Achter een personenauto/bestelbus over de weg te vervoeren.

4. Het vervoer geschiedt op een voor het wegverkeer normale wijze.

5. De toercaravan is van de een op de andere dag van de standplaats te verwijderen.”

Bij brief van 1 april 2010 (productie 9 van de Gemeente) heeft [eiser] het navolgende aan de Gemeente medegedeeld:

“Wij zijn voornemens om toercaravans te gaan plaatsen zoals aangegeven op bijgevoegde tekening.

Wij hebben ons laten informeren door de R.D.W. wat de eisen zijn in deze. Wij zijn tot de inclusie gekomen dat wat wij voor ogen hebben absoluut voldoet aan de gestelde eisen (toercaravan).

Daar het seizoen voor de deur staat lijkt het ons redelijk om binnen 7 dagen na dagtekening antwoordt hier op te krijgen over de mogelijkheden in deze!

(bijgevoegd: lijst R.D.W

voorbeeld Americaanse trailer uitgeschoven 4 meter breed, dit voorbeeld is slechts 1 van vele.)

Tekening zoals wij dit voor ogen hebben!!”

Op de tekening zijn twee dissels afgebeeld waaraan telkens een rechthoekig vlak is verbonden. Bij elk vlak is een maximale lengte van 1200 centimeter, een maximale breedte van 250 centimeter en een maximale hoogte van 400 centimeter aangegeven. Tussen de twee vlakken staan pijltjes afgebeeld. Bovenaan deze tekening heeft [eiser] het volgende geschreven:

“Het onderstaande moet u zien als 1 maar om aan de wetgeving te voldoen volgens de R.D.W. vervoeren wij hem in 2 delen en ter plaatse koppelen we ze aanmekaar!

Dit is naar mijns inzien het zelfde als de vrij in Nederland verkrijgbare Americaanse trailers goedgekeurd door R.D.W. ”

Bij brief van 16 april 2010 (productie 10 van de Gemeente) heeft H.C. Eldering (teamleider Vergunningverlening en Handhaving) namens het college van Burgemeester en wethouders van de Gemeente het volgende aan [eiser] medegedeeld:

“(…)

Op 9 april 2010 hebben wij een gesprek met u gevoerd over het gebruik van uw camping “de Bosmuis”. Hierbij een korte omschrijving en een toelichting van de items die wij in dit gesprek de revue hebben laten passeren.

Uw perceel heeft in het bestemmingsplan Buitengebied (4e herziening) de bestemming Verblijfsrecreatieve doeleinden, waar op uw perceel nader aangeduid is “kamperen toegestaan”.

U heeft verzocht te antwoorden op uw vraag of op onderhavig perceel caravans geplaatst mogen worden (…)

In het bestemmingsplan Buitengebied is in de doeleindenomschrijving omschreven dat u kampeermiddelen mag hebben, waarbij stacaravans uitgesloten zijn. In de begripsomschrijving is een kampeermiddel als volgt omschreven:

a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een (sta)caravan;

b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuigen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde; één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Dit zijn dus de criteria van de kampeermiddelen die op het terrein aanwezig mogen zijn (uiteraard exclusief een stacaravan).

Wij hebben met elkaar gesproken over het begrip caravan. We hebben een aantal zaken op tafel gelegd waarover we overeenstemming hebben.

-een caravan moet voldoen aan de criteria en afmetingen zoals deze is verwoord in artikel 5.12.6 van de regeling voertuigen van de Rijksdienst voor het Wegverkeer zoals deze is bijgevoegd. Kermis- en circusvoertuigen horen er niet bij.

-Stacaravans zullen niet worden geplaatst.

-Het is toegestaan een zogenaamde luxe voortent te plaatsen, die gekoppeld mag worden aan de caravan,

- Ook hebben wij gesproken over caravans die gedeeltelijk uitgeschoven kunnen worden. Deze caravans voldoen nog steeds aan het criterium voor een caravan en mogen dus op uw terrein.

- Het bestemmingsplan regelt geen minimum of maximum termijn hoelang een caravan op het perceel aanwezig mag zijn”.

Bij begeleidend schrijven van 28 mei 2010 (productie 11 van de Gemeente) heeft de Gemeente aan [eiser] medegedeeld:

“(…)

X Voor akkoord

Opmerkingen:

Het bijgevoegde stuk onder nummer 2010-12817 stuit niet op bezwaren”

Het bijgevoegde stuk is gelijk aan de hiervoor sub 2.7. omschreven tekening met de daarboven door [eiser] geplaatste tekst.

Op 13 september 2010 heeft [eiser] een intentieovereenkomst gesloten met [naam bedrijf] BV over de verkoop aan laatstgenoemde van het perceel grond aan de Hanendorperweg 514/516 (productie 3 van [eiser]). In deze overeenkomst onder meer als voorwaarde opgenomen dat het is toegestaan om recreatieverblijven van 60 m² te plaatsen “(2 delen van 2.50x12.00 mtr)”.

De Gemeente heeft bij brief van 27 oktober 2010 (productie 13) aan voornoemde aspirant koper het volgende laten weten:

“(…)

Uw verzoek voor het plaatsen van dubbele stacaravans op camping De Bosmuis is door ons ontvangen. U heeft dit verzoek bij ons neergelegd naar aanleiding van een bericht aan de heer [eiser] op 28 mei 2010 (2010-12817).

In dit bericht (…) staat dat “Het bijgevoegde stuk onder nummer 2010-12817 niet stuit op bezwaren.” Deze mededeling is helaas niet correct. In de 4e partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied is de mogelijkheid voor het plaatsen van stacaravans op bedoelde locatie uitgesloten (…)

Een afschrift van deze brief hebben wij tevens verzonden aan de heer [eiser].”

[eiser] heeft bij brief van 6 november 2010 de hiervoor onder 2.3. vermelde overeenkomst met betrekking tot het toiletgebouw opgezegd.

[naam bedrijf] BV heeft bij brief van 17 november 2010 aan [eiser] laten weten vooralsnog van de koop van “De Bosmuis” af te zien.

[eiser] heeft zich bij brief van 28 december 2010 jegens de Gemeente op het standpunt gesteld dat de brief van 28 mei 2010 onjuiste informatie bevatte en de Gemeente aansprakelijk gesteld voor de daardoor door [eiser] geleden en te lijden schade.

De vordering

[eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal bepalen dat:

primair

de Gemeente aan [eiser] binnen veertien dagen na betekening van het vonnis moet voldoen een bedrag van € 1.556.476,00, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 17 mei 2011;

subsidiair

a. de Gemeente jegens [eiser] onzorgvuldig en/of onrechtmatig heeft gehandeld en op die grond aansprakelijk is voor de gevolgen voortvloeiende uit dit onzorgvuldig en/of onrechtmatig feitelijk handelen door de Gemeente;

b. de Gemeente jegens [eiser] verplicht is tot vergoeding van de huidige en toekomstige materiële schade van [eiser], nader op te maken bij staat, inclusief de wettelijke rente berekend vanaf de dag van de aansprakelijkstelling;

c. de Gemeente bij wijze van voorschot onder algemene titel gehouden is aan [eiser] een bedrag aan schadevergoeding ad € 100.000,00 te betalen dan wel een bedrag als de rechtbank in goede justitie voorkomt,

een en ander -zowel primair als subsidiair- met veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze kosten niet binnen veertien dagen na het betekenen van het in deze te wijzen vonnis zijn voldaan.

[eiser] legt aan zijn vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de navolgende stellingen ten grondslag.

Op grond van het in 2008 vigerende bestemmingsplan “Agrarisch gebied” was het toegestaan om stacaravans op het terrein te plaatsen. [eiser] heeft naar aanleiding van de wijziging van het bestemmingsplan in 2010 diverse gesprekken gevoerd met de heer [naam ambtenaar] van de Gemeente, naar wie hij door de Gemeente was verwezen. In die gesprekken heeft [eiser] duidelijk gemaakt dat hij de bestaande bouwwerken op de camping wilde vervangen door ongeveer 30 nieuwe objecten, waarbij het gaat om objecten met een oppervlakte van 30 m² die tegen elkaar worden geplaatst, zodat een totaal vloeroppervlak van 60 m² ontstaat.

Op 9 april 2010 heeft [eiser] een tekening met omschrijving mondeling toegelicht bij de Gemeente. Naast de term American Trailer is ook gesproken over koppelbare elementen. [eiser] heeft de Gemeente verzocht om zijn plannen te bestuderen en hem te berichten of deze akkoord zijn. Ruim zes weken later, op 28 mei 2010, ontvangt hij een brief van de Gemeente waaruit blijkt dat de Gemeente akkoord gaat met het plaatsen van de objecten zoals geschetst op bijgevoegd stuk. Nu de Gemeente heeft gesteld dat deze mededeling niet correct was, kan [eiser] niet anders concluderen dat deze mededeling onjuist en misleidend is. Een overheidsorgaan dient zich van onjuiste mededelingen te onthouden, temeer nu de bedoeling en het belang van [eiser] bij de Gemeente bekend waren. Bovendien heeft de Gemeente zes weken het stuk van [eiser] onder zich gehad en daarom alle tijd gekregen om te controleren of de plannen van [eiser] binnen het bestemmingsplan passen. De Gemeente is bij uitstek deskundig als het gaat om de inhoud van de eigen gemeentelijke regelgeving. [eiser] mocht dan ook gerechtvaardigd vertrouwen op de mededeling van de Gemeente bij brief van 28 mei 2010. Van [eiser] mocht niet verwacht worden dat hij ging controleren of bedoelde mededeling van de Gemeente op een vergissing berustte. Het gaat om een mededeling die -zoals bij de Gemeente bekend was- voor [eiser] redengevend was en mocht zijn om met zijn plannen verder te gaan en daardoor kosten te maken. Bovendien betreft het een aanzienlijk financieel belang voor [eiser], zodat enige zorgvuldigheid van de Gemeente verwacht mocht worden. Daarbij is van belang dat de mededeling is gedaan in een brief, waarin de eenheid Vergunningverlening wordt genoemd.

Het onder deze omstandigheden doen van een onjuiste mededeling over de eigen regelgeving moet als onrechtmatig worden beschouwd.

[eiser] heeft naar aanleiding van de brief van 28 mei 2010 in juni 2010 de eigenaren van de stacaravans en overige objecten verzocht om het terrein te verlaten en de plaatsen te ontruimen. Hij heeft op basis van de onjuiste mededeling van de Gemeente kosten gemaakt voor het ontruimen en het klaar maken van zijn perceel. Deze kosten bedragen in totaal € 10.650,--.

[eiser] bezit thans een volledig leeg campingterrein, waar uitsluitend tenten en toercaravans mogen staan. [eiser] kan als gevolg van de opzegging van de sub 2.3. bedoelde overeenkomst potentiële gasten geen sanitaire voorziening aanbieden. [eiser] heeft hierdoor inkomsten gemist, welke tot april 2011 worden begroot op € 45.826,--. [eiser] zal in de toekomst eveneens inkomsten derven omdat hij zijn camping niet kan exploiteren zoals hij voorheen heeft gedaan.

Uitgaande van een geschatte periode van 30 jaar en een inkomstenderving van gemiddeld

€ 50.000,-- per jaar begroot [eiser] de toekomstige schade op € 1.500.000,--.

Deze schadeposten zijn veroorzaakt door de fout van de Gemeente. Gemeente is voor deze schade dan ook aansprakelijk.

Het verweer

De Gemeente concludeert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze zal ontzeggen met zijn veroordeling in de kosten van deze procedure en met bepaling dat, indien niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan, daarover wettelijke rente verschuldigd zal zijn.

De Gemeente voert de navolgende verweren aan.

Op grond van het eerder vigerende bestemmingsplan “Agrarisch gebied” was het niet toegestaan om stacaravans op het terrein te plaatsen. Op “De Bosmuis” is uitsluitend toeristisch kamperen toegestaan. Alleen stacaravans die onder de beschermende werking van het bouwovergangsrecht vallen mogen worden gehandhaafd. Het ging om zes stacaravans. Het overgangsrecht is uitgewerkt nadat de bewuste stacaravans zijn verwijderd. Stacaravans zijn niet langer toegestaan. Dat is meerdere keren door de Gemeente aan [eiser] kenbaar gemaakt. Met [eiser] is niet gesproken over koppelbare elementen. Er is gesproken over uitschuifbare trailers. [eiser] is niet duidelijk geweest over zijn intentie met betrekking tot het terrein. De aanvraag en tekening van [eiser] zijn verwarrend. Bij de brief van [eiser] is een foto gevoegd waarop een American Trailer staat. [naam ambtenaar] dacht dat American Trailers aan de zijkant uitschuifbaar waren en dat deze schetsmatig op een tekening waren weergegeven. Bijgevoegd was ook een foto van een camper en door de bemoeiingen van de Rijksdienst voor het Wegverkeer werd de suggestie gewekt dat het om een voertuig over de weg ging. Het is evident dat de in werkelijkheid door [eiser] bedoelde caravan met een totale oppervlakte van maximaal 60 m² en een hoogte van maximaal 4 meter niet op “De Bosmuis” geplaatst kon worden. Dit is namelijk een chalet/stacaravan. De verklaring in de brief van 28 mei 2010 had betrekking op een tourcaravan. [eiser] heeft de goedkeuring gekregen op iets heel anders dan wat toegestaan was. [eiser] weet zelf ook wel dat alleen tourcaravans waren toegestaan. [eiser] wist, althans kon redelijkerwijze weten dat de mededeling in de brief van 28 mei 2010 op een vergissing berustte. [eiser] mocht er dan ook

-mede gelet op de eerdere gesprekken met en brieven van de Gemeente- niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij zijn plannen mocht gaan uitvoeren. Voor [eiser] was er alle aanleiding om bij het bevoegd gezag -Burgemeester en Wethouders- te verifiëren of de mededeling in de brief van 28 mei 2010 juist was. Dit lag temeer in de reden nu het schetsje van [eiser] en de bijbehorende brief van 1 april 2010 tal van vragen oproept zodat ook de mededeling in de brief van de Gemeente van 28 mei 2010 multi-interpretabel is en [eiser]

-zonder de Gemeente hierover vooraf te informeren- verstrekkende beslissingen heeft genomen.

De Gemeente heeft niet onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. De schade staat niet in causaal verband met de onjuiste mededeling van de Gemeente. [eiser] heeft de schade volledig aan zichzelf te wijten. De Gemeente betwist (de hoogte van) de door [eiser] opgevoerde schade(posten). Gemeente is niet aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade.

De beoordeling

In deze procedure ligt niet ter beoordeling voor of de Gemeente zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat de objecten die [eiser] op het perceel van “ De Bosmuis” wil plaatsen op grond van het huidige bestemmingsplan dan wel het daarbij behorende overgangsrecht is toegestaan. Voor het antwoord op die vraag moet [eiser] het bestuursrechtelijke traject doorlopen.

In het kader van deze procedure dient ervan uitgegaan te worden dat het op grond van het vigerende bestemmingsplan niet is toegestaan om op “De Bosmuis” twee aan elkaar gekoppelde objecten te plaatsen met een totale oppervlakte van circa 60 m² als waarvan sprake is op de door [eiser] bij brief van 1 april 2010 verzonden tekening. Tussen partijen is niet in geschil dat de mededeling van de Gemeente in haar brief van 28 mei 2010 “ Het bijgevoegde stuk onder nummer 2010-12817 stuit niet op bezwaren” onjuist is.

Centraal in de onderhavige procedure staat dan ook de vraag of de Gemeente door het doen van bedoelde onjuiste mededeling onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en zo ja, of de Gemeente jegens [eiser] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade en zo ja, in welke omvang.

Bij de beoordeling van de vraag of de Gemeente door het verstrekken van onjuiste informatie in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid heeft gehandeld, is onder meer van belang of [eiser] in redelijkheid op deze informatie heeft mogen vertrouwen. Bij de beantwoording van die vraag moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen.

[eiser] heeft ter comparitie niet weersproken dat de Gemeente aan hem tijdens een gesprek op 3 maart 2010 heeft medegedeeld dat het plaatsen van chalets op “De Bosmuis” niet was toegestaan. Vervolgens heeft [eiser] op 1 april 2010, nadat de Gemeente aan [eiser] per e-mail van 22 maart 2010 had laten weten wat zij daaronder verstond, aan de Gemeente laten weten dat hij toercaravans op “De Bosmuis” wilde plaatsen. Bij deze brief was een tekening gevoegd met daarop twee aan elkaar te schakelen objecten. Vervolgens heeft op

9 april 2010 een bespreking plaatsgevonden tussen [eiser] en de Gemeente. Uit de hiervoor onder 2.8. weergegeven inhoud van dat gesprek kan -anders dan [eiser] heeft gesteld- niet worden afgeleid dat [eiser] met de Gemeente met zoveel woorden heeft besproken dat er sprake was van koppelbare elementen en meer in het bijzonder dat het de bedoeling was om op de camping twee elementen aan elkaar te koppelen waardoor één object ontstond met een lengte van maximaal 12,50 meter, een breedte van maximaal 5 meter en een hoogte van maximaal 4 meter. Indien dat op 9 april 2010 wel uitdrukkelijk zou zijn besproken, had [eiser] de Gemeente na ontvangst van de brief van 16 april 2010 op bedoelde omissie moeten wijzen. Dat heeft [eiser] niet gedaan. Dat komt voor zijn rekening en risico. [eiser] wist dat het plaatsen van stacaravans op “De Bosmuis” niet was toegestaan. Het te plaatsen object dat [eiser] voor ogen stond, kan bezwaarlijk als een -wel toegestane- toercaravan worden aangemerkt. Veeleer is sprake van een chalet/stacaravan. [eiser] had uit eerdere contacten met de Gemeente moeten begrijpen dat het feit dat het object in twee gedeelten volgens de geldende regelgeving over de weg mocht worden vervoerd, niet doorslaggevend kon zijn voor de vraag of de bouwsels, zodra deze op de camping tot één geheel waren getransformeerd, op grond van het bestemmingsplan zouden zijn toegestaan. Door in zijn brief van 1 april 2010 te spreken over een toercaravan, terwijl [eiser] iets heel anders voor ogen stond en er niet van uitgegaan kan worden dat [eiser] de Gemeente daarover in meergemeld gesprek van 9 april 2010 (deugdelijk) heeft geïnformeerd, heeft [eiser] de Gemeente onvolledige (en daarmee onjuiste) informatie verstrekt.

Onder deze omstandigheden mocht [eiser] naar aanleiding van de brief van de Gemeente van 28 mei 2010 (ook al wordt in die brief de eenheid Vergunningverlening vermeld) er in redelijkheid niet op vertrouwen dat het aan hem -alsnog- zou zijn toegestaan om twee aan elkaar geschakelde objecten (in feite chalets/stacaravans) op “De Bosmuis” te plaatsen.

Op grond van het vorenoverwogene kan niet gezegd worden dat de Gemeente onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. De omstandigheid dat de Gemeente toen zij de brief van 28 mei 2010 verstuurde op de hoogte was van het financiële belang van [eiser] bij diens aanvraag, doet aan dit oordeel niet af.

De Gemeente is dan ook -zonder dat nog behoeft te worden ingegaan op de overige verweren van de Gemeente- jegens [eiser] niet tot schadevergoeding gehouden. De vorderingen van [eiser] -zowel primair als subsidiair- worden afgewezen.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 3.537,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief VIII, € 3.211,00 per punt)

Totaal € 9.959,00

De wettelijke rente over de proceskosten is eerst verschuldigd, nadat [eiser] met de betaling daarvan in verzuim is. Daarom zal de datum met ingang waarvan de wettelijke rente gaat lopen, als na te melden worden bepaald.

De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 9.959,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling, indien betaling binnen voormelde termijn uitblijft,

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2011.