Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BV0491

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
10-01-2012
Zaaknummer
121030 - HA ZA 11-341
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

tijdens het huwelijk hebben (stief)ouders over het vermogen van toen minderjarige kinderen beschikt. In het kader van de boedelscheiding na echtscheding vordert de vrouw ten behoeve van haar (deels inmiddels meerderjarige) kinderen en de man ten aanzien van zijn (deels meerderjarige) kindern een bedrag ter aanzuivering van het spaargeld van de kinderen van de ander. Grondslag voor deze vordering? Vordering tegen elkaar of tegen de boedel? Bewijsopdracht ten aanzien van gestelde afspraken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2012/50

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rolnummer: 121030 / HA ZA 11-341

Vonnis van 23 november 2011

in de zaak van

[de vrouw],

wonende[plaats], gemeente Montferland,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.P.H. Sanders te Doetinchem,

tegen

[de man]

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. C.A. Prinsen te Doetinchem.

Partijen zullen hierna [de vrouw] en [de man] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 mei 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 11 augustus 2011

- de akte vermeerdering van eis van [de man]

- de antwoordakte van [de vrouw].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn op 15 december 2008 met elkaar in het huwelijk getreden in algehele gemeenschap van goederen. Het huwelijk is op 18 november 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 11 augustus 2010 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2. [de vrouw] heeft uit een eerdere relatie twee kinderen, [zoon van de vrouw] (thans meerderjarig) en [dochter van de vrouw]. [de man] heeft uit zijn eerdere relatie vijf kinderen, waarvan de oudste twee thans meerderjarig zijn.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [de vrouw] vordert samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

primair:

- de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap zal verdelen zoals door haar voorgesteld, althans op enige wijze,

- veroordeling van [de man] om aan [de vrouw] te voldoen een bedrag van € 185.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, terzake van overbedeling vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 november 2010, althans 21 maart 2011 tot de dag der algehele voldoening,

- zal bepalen dat [de man] vanaf 18 november 2010 € 300,- per maand aan [de vrouw] dient te betalen als gebruiksvergoeding zolang hij de echtelijke woning bewoont en deze niet aan het is toegedeeld of aan een derde is overgedragen, te verrekenen bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap,

- zal bepalen dat [de man] aan [de vrouw] € 11.500,- zal betalen inzake de vordering van [dochter van de vrouw],

- zal bepalen dat [de man] aan [de vrouw] € 11.500,- zal betalen inzake de vordering van [zoon van de vrouw],

- zal bepalen dat [de man] aan [de vrouw] betaalt overeenkomstig de beschikking voorlopige voorzieningen van 21 december 2009 een bedrag van € 8.859,- inzake huur, Nuon en Vitens en een bedrag van € 1.350,- inzake ziektekosten,

subsidiair:

- [de vrouw] zal machtigen tot verkoop van de woning aan de [adres] te [plaats] en [de vrouw] te machtigen aan de nog nader aan te wijzen notaris opdracht te geven alle noodzalijke leveringshandelingen te verrichten,

- [de man] zal veroordelen de genoemde woning te ontruimen en te verlaten met alles en allen welke zich daarin zijnentwege bevinden onder afgifte van de sleutels aan [de vrouw], zulks met machtiging aan [de vrouw] om desnoods de ontruiming zelf te doen uitvoeren, ruim één maand voordat de woning wordt geleverd op een nog nader vast te stellen datum aan een derde,

Meer subsidiair:

- [de man] zal veroordelen mee te werken aan de verkoop en eigendomsoverdracht van de woning staande en gelegen aan de [adres] te [plaats],

- [de man] zal veroordelen de aanwijzingen op te volgen van [makelaar 2] te [plaats],

- [de man] zal veroordelen in te stemmen met een redelijk bod,

- zal bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van de toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [de man] die noodzakelijk is om de leveringsakte te doen passeren,

- al hetgeen meer subsidiair is gevorderd onder verbeurte van een dwangsom,

- zal bepalen dat [de man] aan [de vrouw] € 11.500,- zal betalen inzake de vordering van [dochter van de vrouw],

- zal bepalen dat [de man] aan [de vrouw] € 11.500,- zal betalen inzake de vordering van [zoon van de vrouw],

- zal bepalen dat [de man] aan [de vrouw] betaalt overeenkomstig de beschikking voorlopige voorzieningen van 21 december 2009 een bedrag van € 8.859,- inzake huur, Nuon en Vitens en een bedrag van € 1.350,- inzake ziektekosten,

- zal bepalen dat [de man] vanaf 18 november 2010 € 300,- per maand aan [de vrouw] dient te betalen als gebruikersvergoeding zolang hij de echtelijke woning bewoont en deze niet aan hem is toegedeeld of aan een derde is overgedragen, te verrekenen bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap,

primair, subsidiair en meer subsidiair:

- [de man] zal veroordelen de genoemde inboedelzaken aan [de vrouw] af te geven binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom,

-[de man] zal veroordelen in de proceskosten.

3.2. [de man] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen. Het verweer mondt uit in een vordering in reconventie.

in reconventie

3.3. [de man] vordert na vermeerdering van eis dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

- de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap zal vaststellen, althans de wijze van verdeling zal gelasten, zulks met benoeming van een makelaar om de verkoop te realiseren,

- [de vrouw] zal veroordelen om haar medewerking te verlenen aan het uitbetalen door beide partijen van een bedrag van € 3.000,00 aan elk van de vijf kinderen van [de man], zulks op verbeurte van een dwangsom,

- [de vrouw] zal veroordelen om voor haar rekening te nemen de helft van de nota van makelaardij [makelaar 1],

- [de vrouw] zal veroordelen om voor haar rekening te nemen de helft van de belastingvordering, voortvloeiend uit de verkoop van de onroerende zaak aan de [adres] te [plaats].

3.4. [de vrouw] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [de man], althans afwijzing van de vorderingen. Het verweer van [de vrouw] komt grotendeels overeen met haar stellingen in conventie.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. Partijen vorderen beiden de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, maar zijn het niet eens over de wijze waarop deze verdeling moet plaatsvinden. Tot de gemeenschap behoren in elk geval:

- [adres] te [plaats], in welke woning [de man] zijn bedrijf uitoefent. Een deel van het pand is aan derden verhuurd door het bedrijf van [de man]. Op de woning zijn twee hypotheekrechten gevestigd. De hypotheekschuld bedraagt ca € 170.000,-

- 2 auto’s

- inboedelgoederen

- een motor

- een boot

- spaargeld van de kinderen

- twee percelen grond

4.2. Ter gelegenheid van de gehouden comparitie zijn partijen het op enkele onderdelen eens geworden. Partijen zijn daarbij overeengekomen:

“5. Met betrekking tot de inboedel bestaat tussen partijen overeenstemming over de verdeling. Indien de goederen waarvan de verblijfplaats thans onduidelijk is zullen worden teruggevonden zullen zij alsnog worden overgedragen aan degene aan wie deze zijn toegedeeld.

6. De auto’s, de motor en de boot zijn verdeeld en verrekend zodat daarover geen beslissing meer genomen hoeft te worden.”

4.3. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de stand van zaken met betrekking tot de overige ter comparitie gemaakte afspraken ten aanzien van de levering van twee percelen grond en de verkoopopdracht betreffende de echtelijke woning. Zij zullen zich hieromtrent nader kunnen uitlaten.

4.4. Een van de punten waarover partijen van mening verschillen betreft de (eventuele) aanspraken van/namens de kinderen op de gemeenschap en/of op één van partijen. Partijen zijn het er over eens dat ten tijde van het aangaan van het huwelijk de kinderen van [de vrouw] ieder een spaartegoed van circa € 16.000,- hadden en de kinderen van [de man] ieder circa

€ 2.000,-. Partijen hebben de spaartegoeden van de kinderen van [de vrouw] voor 2 x € 11.500,- aangewend voor (gedeeltelijke) aflossing van de hypotheekschuld.

[de man] stelt dat partijen in december 2008 ten kantore van de notaris hebben afgesproken dat zij alle kinderen over een gelijk spaartegoed wilden laten beschikken, zodat het tegoed van [zoon van de vrouw] en [dochter van de vrouw] door partijen zou worden afgeroomd naar € 5.000,- per kind en de tegoeden voor de kinderen van [de man] zouden worden verhoogd tot € 5.000,- per kind. Deze afspraak is nimmer uitgevoerd, aldus [de man]. Voor [de man] is deze afspraak de grondslag voor zijn vordering in reconventie.

[de vrouw] betwist de gestelde afspraak. Zij stelt dat partijen hebben afgesproken dat [zoon van de vrouw] en [dochter van de vrouw] hun spaargeld terug zouden krijgen zodra [de man] een perceel grond verkocht zou hebben. Haar vordering in conventie ziet mede op deze terugbetaling.

4.5. Vermogens van kinderen zijn in beginsel af te zonderen van de vermogens van de ouders. Kinderen kunnen gedurende hun minderjarigheid slechts over hun vermogen beschikken indien zij daarvoor toestemming hebben van hun wettelijk vertegenwoordiger. Anderzijds zijn de ouders, indien zij het gezag over hun kind hebben, bevoegd het bewind over het vermogen van het kind te voeren. In artikel 1:253j BW is bepaald dat de ouders het bewind over het vermogen van hun kind moeten voeren als goede bewindvoerders en dat zij aansprakelijk zijn voor schade die te wijten is aan slecht bewind. Wel mogen ouders de vruchten van het vermogen van het kind plukken.

4.6. Partijen hebben niet gesteld wie het bewind voerde(n) over de vermogens van de kinderen. Ook hebben zij in hun vorderingen betreffende die vermogens niet betrokken de vraag of, en zo ja in hoeverre, het besteden van een deel van het vermogen van [dochter van de vrouw] en [zoon van de vrouw] aan (het bekostigen van) de huisvesting van het gezin te beschouwen is als een toelaatbare vorm van bewindvoering. Dat kan het geval zijn indien en voor zover het geld - indirect - aan het welzijn van het kind is besteed. Evenmin is door één van partijen gesteld dat sprake is van zodanig slecht bewind dat dit tot aansprakelijkheid van de bewindvoerder en een verplichting tot schadevergoeding zou moeten leiden. Voor zover één van partijen beoogd heeft dit aan de vordering ten grondslag te leggen, is daarvoor onvoldoende gesteld en kan de vordering op die grond niet worden toegewezen.

4.7. [de vrouw] stelt dat partijen hebben afgesproken dat [zoon van de vrouw] en [dochter van de vrouw] het gebruikte spaargeld zouden terugkrijgen indien de grond zou zijn verkocht. Zij wenst nakoming van deze afspraak door [de man]. De gestelde afspraak is door [de man] betwist. Partijen hebben ter comparitie afgesproken dat de grond zo spoedig mogelijk geleverd zal worden en dat de opbrengst, na aftrek van kosten en een depotbedrag, aan ieder van hen voor de helft zal worden uitgekeerd. [de vrouw] heeft zich er niet over uitgelaten of deze afspraak invloed heeft op haar vordering in deze. Zij zal daartoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld. Voor het geval haar stelling ongewijzigd blijft zal zij deze, nu het gemotiveerd betwist is, dienen te bewijzen.

Ook de stelling van [de man], dat partijen hebben afgesproken dat de kinderen ieder

€ 5.000,- zouden krijgen, is gemotiveerd betwist. Nu [de man] op deze stelling (een deel van) zijn vordering baseert, zal ook hij een bewijsopdracht krijgen.

Voor beide stellingen geldt dat, indien bewezen, de afspraken leiden tot een schuld van de gemeenschap. Een eventuele vordering van of namens de kinderen kan dan ook niet voor het geheel tegen hetzij [de vrouw] hetzij [de man] worden ingesteld. Beide partijen zijn daar voor een gelijk deel in betrokken.

4.8. Een ander discussiepunt betreft de nota’s van de door partijen of één van hen ingeschakelde makelaars. Ter comparitie zijn partijen overeengekomen de openstaande nota van makelaar [makelaar 2] samen te betalen uit de opbrengst van de verkoop van de grond. [de man] vordert dat ook de nota van de door hem ingeschakelde makelaar [makelaar 1] bij helfte door hem en [de vrouw] zal worden gedragen. Het betreft een nota d.d. 19 maart 2010 van € 892,50 die door [de man] al is betaald. [de vrouw] verweert zich tegen deze vordering en voert daartoe met name aan dat zij niet is gekend in de inschakeling van deze makelaar, terwijl de opdracht is gegeven en de betaling is verricht in de periode dat partijen nog niet gescheiden waren. Dit verweer wordt gevolgd. Nu het een tijdens het huwelijk aangegane verplichting betreft en ook de betaling tijdens het huwelijk is verricht, moet het er voor worden gehouden dat partijen deze betaling al uit hun gezamenlijke vermogen hebben gedaan, zodat geen grond bestaat voor de vordering van [de man].

4.9. Bij de akte vermeerdering van eis heeft [de man] aangegeven dat tot de huwelijksgoederengemeenschap ook behoort de latente belastingschuld, die betrekking heeft op het beëindigen van de onderneming van [de man]. [de vrouw] onderkent dat deze schuld tot de gemeenschap behoort en dat zij in beginsel gehouden is daarvan de helft te dragen, maar acht dit in strijd met de redelijkheid en billijkheid vanwege de omstandigheden van partijen. Zij voert daarbij aan dat zij met haar twee kinderen, waarvan een ernstig ziek, de woning heeft moeten verlaten omdat [de man] in de woning zijn bedrijf wenste voort te zetten en het voortgezet gebruik als voorlopige voorziening heeft verzocht en gekregen. Zij is sinds eind december 2009 aangewezen geweest op steeds tijdelijke huisvesting, onder meer in het Ronald McDonaldhuis en recreatiewoningen, terwijl zij de zorg had voor een ernstig ziek kind, terwijl [de man] zonder kinderen in de woning verbleef of in het buitenland verkeerde. Zijn keus om het bedrijf te staken en de woning te verkopen mag er niet toe leiden dat [de vrouw] mee moet betalen aan de daaruit voortvloeiende belastingclaim, aldus steeds [de vrouw].

4.10. [de man] heeft onweersproken gesteld dat uit het jaarverslag 2009 blijkt dat zijn onderneming een negatief eigen vermogen heeft van € 75.736,00 en dat de positie bij het uiteengaan van partijen niet substantieel anders was. Hij voert verder aan dat hij niet eerder van [de vrouw] heeft verlangd om bij te dragen in het negatief ondernemersvermogen, vanwege de veelheid van discussiepunten en vanwege de verwachting dat hij het bedrijf in de woning zou voortzetten.

Partijen zijn het er over eens dat hun aanvankelijke bedoeling was de woning in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aan [de man] toe te delen, waarbij hij [de vrouw] zou uitkopen. Dit is niet effectueerbaar gebleken onder meer omdat de hypotheekhouder [de vrouw] niet uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wil ontslaan.

4.11. Gelet op de financiële situatie van de onderneming, de opstelling van de hypotheekverlener en de mede daardoor veroorzaakte noodzaak om tot verkoop van de woning – en daarmee de bedrijfsruimte – over te gaan enerzijds en de door [de vrouw] geschetste omstandigheden anderzijds kan niet worden geoordeeld dat de vordering van [de man] in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Ten tijde van het verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen en ten tijde van de echtscheiding was kennelijk de situatie dat het voortzetten van de bedrijfsuitoefening in de woning niet tot de mogelijkheden zou behoren nog niet zodanig helder dat om die reden van [de man] verwacht had mogen worden een dergelijk verzoek achterwege te laten of de situatie ten gunste van [de vrouw] en haar kinderen te veranderen. Overigens zou, indien [de man] eerder had moeten besluiten de onderneming te staken ook een fiscale afrekening gevolgd zijn.

Dit deel van de vordering van [de man] komt dan ook voor toewijzing in aanmerking.

4.12. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden tot na de onder 4.3. genoemde aktewisseling. Partijen kunnen in de aktes tevens aangeven of en, zo ja, op welke wijze zij hun bewijsopdracht willen uitvoeren.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 december 2011 voor het nemen van een akte door ieder van partijen over hetgeen is vermeld onder 4.3 en 4.7. waarna het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel is geëindigd,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2011.