Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU8523

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
19-12-2011
Datum publicatie
19-12-2011
Zaaknummer
84/234204-10 en 84-007193-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een grondwerkbedrijf wordt vrijgesproken van bodemverontreiniging en van het storten van afval in een sloot.

Op 3 maart 2010 zijn er sloopwerkzamheden uitgevoerd, waarbij een vloeibare substantie is weggegestoomd. Deze is niet bemonsterd, zodat niet vastgesteld kan worden of de bodem op de bewuste locatie daadwerkelijk is verontreiningd in de zin van de Wet bodembescherming. De resten zijn opgeruimd en in overleg met een toezichthouder van de gemeente verspreid over het perceel en in de grond verwerkt.

Op 19 juli 2010 is door een politieteam bentoniet aangetroffen in een sloot en in de berm. Er is niet gebleken dat verdachte opdracht heeft gegeven tot het in de sloot brengen van het materiaal en ook is onbekend gebleven wie dat heeft gedaan en of diegene(n) werkzaam was/waren voor verdachte. De vertegenwoordiger van verdachte heeft destijds, om reputatieschade te voorkomen, direct nadat hij van de storting op de hoogte was gekomen, het bentoniet laten verwijderen en een intern onderzoek ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

economische politierechter

parketnummers: 84/234204-10 en 84-007193-11

datum uitspraak: 19 december 2011

tegenspraak/dip

VONNIS

in de zaak tegen:

de besloten vennootschap [naam] BV,

gevestigd te [plaats, adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 december 2011.

Voeging dagvaardingen

Ter terechtzitting heeft de economische politierechter in het belang van het onderzoek de voeging bevolen van de bij afzonderlijke dagvaardingen onder de parketnummers 84/230204-10 en 84-007193-11 tegen de verdachte aangebrachte zaken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 84/230204-10

zij te [plaats], in de gemeente Bronckhorst, terwijl verdachte, op of in de bodem een handeling heeft verricht, te weten mest, op en/of in de bodem heeft gebracht, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd of aangetast, op of omstreeks 3 maart 2010 al dan niet opzettelijk niet aan de verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van verdachte konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen dan wel, indien die verontreiniging of aantasting zich voordeed, de bodem te saneren of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken;

(art 13 Wet bodembescherming)

parketnummer 84-007193-11

zij op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 15 juli 2010 en 16 juli 2010, te [plaats], in de gemeente Bronckhorst, al dan niet opzettelijk stoffen, te weten bentoniet, heeft gebracht in een sloot, gelegen tussen de percelen [perceel 1 en perceel 2], zijnde een oppervlaktewaterlichaam, terwijl:

a.daartoe geen strekkende vergunning was verleend door de Minister van

Verkeer en Waterstaat dan wel het bestuur van het betrokken

Waterschap

en

b.daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene

regel van bestuur

en

c.artikel 6.3 niet van toepassing was;

(art 6.2 lid 1 Waterwet)

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de aan de verdachte ten laste gelegde feiten en heeft ter zitting de aan die conclusie ten grondslag liggende bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

De vertegenwoordiger van de verdachte heeft aangevoerd dat de op 3 maart 2010 in [plaats] gesloopte gierkelder zuigleeg was. Mogelijk bevonden zich nog enige resten vaste mest in de kelder, maar meer niet. Voorafgaand en tijdens de sloopwerkzaamheden was er sprake van (langdurige) hevige regenval. De eventueel nog aanwezige vaste mest is door het regenwater verdund en, nadat een muur was omgevallen, uit de kelder weggelopen. Door de regenval leek de situatie bovendien ernstiger dan zij in werkelijkheid was. In overleg met een medewerker van de gemeente is de mest alsnog opgezogen en verspreid over het terrein in de grond verwerkt. De kelders waren van tevoren op de aanwezigheid van mest gecontroleerd. Als er nog resten aanwezig waren, zouden deze van tevoren worden verwijderd en de kosten daarvan zouden volgens de offerte aan de opdrachtgever worden doorberekend. Er was voor de verdachte (dus) geen financieel belang om eventueel nog aanwezige mest uit een kelder te laten weglopen.

De vertegenwoordiger van de verdachte heeft ontkend dat de verdachte op 15 juli 2010 en op 16 juli 2010 bentoniet heeft gestort in een sloot aan [adres in plaats]. Bentoniet wordt niet binnen het bedrijf gebruikt en het past ook niet in het door de verdachte gehanteerde milieubeleid om zich op deze manier van afval te ontdoen. De vertegenwoordiger van de verdachte was in de bewuste periode met vakantie. Hij heeft daarna een intern onderzoek ingesteld, maar daaruit is niet gebleken dat er bentoniet is gebruikt of dat dit door één van zijn medewerkers in een sloot is gebracht.

Parketnummer 84/230204-10

Op 3 maart 2010 werden door de verdachte op een adres in het buitengebied van [plaats] sloopwerkzaamheden uitgevoerd. Tijdens de sloop van een veeschuur is een deel van een muur van de gierkelder omgevallen, waardoor een vloeibare substantie is weggestroomd. In overleg met een medewerker van de gemeente is enkele dagen daarna de weggevloeide substantie opgezogen en verspreid over het perceel in de grond verwerkt.

Een verbalisant heeft gerelateerd2 dat met de weggelopen vloeistof zo te zien varkensmest op de bodem terecht was gekomen. Er zijn geen monsters genomen en over de omvang van de vervuiling kon hij niets zeggen. Volgens de verbalisant spraken de foto's voor zich.

De economische politierechter concludeert aan de hand van diezelfde foto's dat het er inderdaad op lijkt dat via een opening in de muur van de gierkelder een vloeibare substantie is weggestroomd en dat die substantie op de naast de kelder gelegen, onbeschermde, bodem terecht is gekomen. Mede gelet op de (verdere) inhoud van het procesdossier mag worden aangenomen dat (oude) varkensmest in de te slopen gierkelder aanwezig was en dat de weggestroomde substantie varkensmest bevatte. Omdat de weggelopen vloeistof echter niet is bemonsterd en omdat onzeker is hoeveel mest is weggestroomd, kan ook niet worden vastgesteld of de bodem op de bewuste locatie op 3 maart 2010 daadwerkelijk is verontreinigd of is aangetast in de zin van artikel 13 van de Wet bodembescherming. De verdachte heeft de resten mogelijke varkensmest kort daarna opgeruimd en in overleg met een toezichthouder van de gemeente verspreid over het perceel in de grond verwerkt. Mede daarom dient de verdachte van (de verschillende varianten van) het tenlastegelegde te worden vrijgesproken. Het verweer dat er sprake was van een overmachtsituatie behoeft geen nadere bespreking.

Parketnummer 84-007193-11

Op 19 juli 2010 is door het politieteam Bronckhorst, na een melding daarvan op 17 juli 2010, bentoniet aangetroffen in een sloot en in de berm bij die sloot in de buurt van de percelen [percelen 1 en 2 in plaats]. Getuigen hebben verklaard3 dat zij op 15 juli 2010 en op 16 juli 2010 een tractor met een tankwagen hebben gezien in de buurt van waar later bentoniet is aangetroffen. De getuigen hebben niet gezien hoe het bentoniet in de berm en in de sloot terecht is gekomen. Op de tractor en de tankwagen stond volgens de getuigen de naam '[naam]' vermeld.

De economische politierechter stelt vast dat niet is gebleken dat de verdachte opdracht heeft gegeven tot het in de sloot brengen van bentoniet en dat onbekend is gebleven wie dat heeft gedaan en of diegene(n) werkzaam was/waren voor de verdachte. Daarbij komt, dat op basis van het procesdossier en het verhandelde ter zitting niet kan worden gezegd dat de verdachte het in de sloot brengen van bentoniet heeft aanvaard of dat zij dergelijke handelingen placht te aanvaarden. De vertegenwoordiger van de verdachte heeft, om reputatieschade te voorkomen, direct nadat hij van de storting op de hoogte was gekomen, het bentoniet laten verwijderen en een intern onderzoek doen instellen. Gelet op een en ander kan naar het oordeel van de economische politierechter het in de sloot brengen van bentoniet niet worden toegerekend aan de verdachte, die verder een blanco strafblad heeft en dus ook op het terrein van het milieustrafrecht zonder antecedenten is.

De verdachte wordt daarom ook van dit feit vrijgesproken.

Beslissing

De economische politierechter:

- verklaart niet bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 84/230204-10 en parketnummer 84-007193-11 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door mr. Van Lookeren Campagne, economische politierechter, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 december 2011.

Voetnoten:

1 Als hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, dan betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij: (stam)proces-verbaal nummer 2010030436-1, van de Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland, district Achterhoek, gesloten en ondertekend op 14 mei 2010, en (stam)proces-verbaal nummer PL0647 2010106247-1, van de Regiopolitie Noord- en Oost-Gelderland, district Achterhoek, gesloten en ondertekend op 28 september 2010.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 4.

3 Procesen-verbaal van verhoor van de getuigen [getuige A en getuige B].