Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU8248

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
06/940336-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt 32-jarige man voor vernielingen, bedreiging en diefstal in Putten tot een gevangenisstraf van drie maanden en het betalen van schadevergoeding aan benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer 06/940336-11

Uitspraak d.d. 14 december 2011

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1979],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Raadsman: mr. Tuma, advocaat te Amerfoort.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

30 november 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2011 in de gemeente Putten [slachtoffer A] heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer A] dreigend de

woorden toegevoegd :"Je moet me binnenlaten. ik sla een raam in hoor!" en/of

"Ik ben de gevaarlijkste crimineel van Nederland en ik vermoord mensen",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 24 augustus 2011 in de gemeente Putten opzettelijk en

wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 24 augustus 2011 in de gemeente Putten [slachtoffer B] (hoofdagent van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen

het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte

opzettelijk dreigend die [slachtoffer B] een brievenbus, met daaraan een

(houten) paal bevestigt aan die [slachtoffer B] getoond/voorgehouden en/of

(daarbij) heeft geroepen naar die [slachtoffer B] "Schiet dan, vermoord me"

waarbij verdachte de brievenbus met beide handen vasthield en heen en weer

zwaaide in de richting van die [slachtoffer B] en/of waarbij verdachte een

houding aannam als wilde hij die [slachtoffer B] slaan met voornoemde

brievenbus (waaraan een (houten) paal was bevestigd);

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 augustus

2011 tot en met 24 augustus 2011 in de gemeente Putten met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een brievenbus) heeft weggenomen een

sleutelbos en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich (al dan niet) de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 24 augustus 2011 in de gemeente Putten opzettelijk en

wederrechtelijk een brievenbus (waaraan een houten paal was bevestigd), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer D], in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of

onbruikbaar gemaakt;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Aanleiding tot het onderzoek.

Op 24 augustus 2011 is een aantal politiemensen2 naar aanleiding van een melding bij de regionale meldkamer naar de [adres] te Putten gegaan. Daar zou een onbekende man aan de achterdeur van een woning hebben gerommeld en een ruit hebben vernield. De man zou tegen de bewoonster hebben geroepen: "Ik heb hulp nodig, u moet de politie bellen, u moet mij binnen laten, ik ben een grote crimineel, ik vermoord mensen en ik ga nu een raam inslaan".

Ter plaatse troffen de agenten op de [adres] de hen bekende [verdachte] aan, met wie in de nacht al enkele contactmomenten waren geweest wegens overlastgevend gedrag.

De agenten zagen dat [verdachte] op hen af kwam lopen met een brievenbus met een houten paal in zijn handen. De agenten hoorden hem schreeuwen: "Schiet dan, vermoord me". [verdachte] hield daarbij de brievenbus met beide handen vast en maakte zwaaiende bewegingen, alsof hij de agenten daarmee wilde slaan. Dat was op een afstand van twee à drie meter.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, met uitzondering van de braak in feit 4.

C. Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat op basis van de bekentenissen van verdachte en de overige bewijsvoering tot een bewezenverklaring van de aan verdachte onder 1, 2, 4 met uitzondering van de strafverzwarende factor van de braak, en 5 ten laste gelegde feiten kan worden gekomen.

Ten aanzien van het onder 3 aan verdachte ten laste gelegde feit is door de raadsman vrijspraak bepleit, omdat over en weer (verdachte en de verbalisanten) sprake was van een volledig tegenovergestelde perceptie van de omstandigheden en er geen reden is om te twijfelen aan de verklaring die verdachte daarover heeft afgelegd. Over en weer werd de situatie als bedreigend ervaren. Verdachte heeft in die situatie een brievenbus uit de grond gerukt en is in een pose gaan staan ter verdediging, welke pose aan de andere kant ook als bedreigend kon worden ervaren.

D. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem onder 3 tenlastegelegde bedreiging van hoofdagent [slachtoffer B]. Uit het dossier volgt dat verdachte die nacht volgens de politie bij verschillende contactmomenten verward was en onsamenhangende woorden uitschreeuwde. Verdachte heeft verklaard de brievenbus te hebben gepakt om zichzelf te beschermen. Uit het dossier blijkt niet op welke wijze de verdachte de brievenbus met paal heeft vastgehouden en dus niet hoe bedreigend het zwaaien met de brievenbus - waarvan verdachte overigens ontkent zulks te hebben gedaan - kan zijn geweest. De voor de hoofdagent [slachtoffer B] wel verstaanbare woorden "Schiet dan, vermoord me" acht de rechtbank onder de gegeven omstandigheden en bezien in samenhang met die omstandigheden niet voldoende om te kunnen zeggen dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou laten dan wel zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

De rechtbank zal verdachte van dit feit vrijspreken.

Aangezien verdachte de feiten onder 1, 2, 4 en 5 duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, zal in dit vonnis worden volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, waarbij verdachte wordt vrijgesproken van de strafverzwarende factor van braak bij het onder 4 ten laste gelegde feit.

Verdachte heeft ter terechtzitting3 ten aanzien van de bedoelde feiten bekennende verklaringen afgelegd. Daarnaast zijn voor het bewijs voorhanden de aangifte van [slachtoffer A]4, de aangifte van [slachtoffer D]5 en de aangifte van [slachtoffer C]6.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder 1 aan verdachte ten laste gelegde feit als volgt. Volgens de geldende jurisprudentie is voor een bedreiging vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook gepleegd zou worden.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de door verdachte geuite bewoordingen in samenhang bezien in het holst van de nacht gedaan tegen een hem volstrekt onbekend persoon binnen haar eigen privacy van woning en erf, aan die criteria wordt voldaan.

De rechtbank komt op grond daarvan tot de volgende bewezenverklaring van de aan verdachte onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde feiten.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.

De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 24 augustus 2011 in de gemeente Putten [slachtoffer A] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer A] dreigend de woorden toegevoegd: "Je moet me binnenlaten, ik sla een raam in hoor!" en "Ik ben de gevaarlijkste crimineel en ik vermoord mensen",

2.

hij op 24 augustus 2011 in de gemeente Putten opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A], heeft vernield;

4.

hij op in de periode van 23 augustus 2011 tot en met 24 augustus 2011 in de gemeente Putten met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een sleutelbos en geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

5.

hij op 24 augustus 2011 in de gemeente Putten opzettelijk en wederrechtelijk een brievenbus (waaraan een houten paal was bevestigd), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

4. diefstal;

5. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier is bij haar eis uitgegaan van enige mate van ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte, zulks naar aanleiding van het psychiatrisch consult door de psychiater Huisman d.d. 30 september 2011 en de daarin opgenomen bevindingen. De officier heeft verder aangevoerd dat de strafmodaliteit qua behandeling bij deze verdachte beperkt is, aangezien hij niet wil meewerken aan een behandeling.

Door de raadsman is aangevoerd dat volstaan kan worden met het opleggen van een straf gelijk aan de tijd in voorarrest doorgebracht en dat het bevel tot voorlopige hechtenis dient te worden opgeheven. Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte geen onbekende is van justitie, maar dat in dit geval sterk rekening gehouden dient te worden met de omstandigheid dat verdachte vanuit detentie (zonder dat zijn medicatie geleidelijk werd afgebouwd en zonder enige begeleiding) 'Cold Turkey' op straat is gezet, terwijl hij binnen de detentie nog een hoge dosis Oxazepam voorgeschreven kreeg. Verdachte is daardoor volledig ontregeld geraakt en is toen, zes dagen na zijn invrijheidstelling, tot de onderhavige strafbare feiten gekomen.

De rechtbank heeft het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 24 augustus 2011 aan een aantal strafbare feiten schuldig gemaakt. Hij was in een verwarde toestand en onder invloed van alcohol. Hij heeft in die toestand in het holst van de nacht de bewoonster van een willekeurige woning wakker gemaakt en daarbij allerlei bewoordingen en zinspelingen geuit en is vervolgens met stenen naar de woning gaan gooien omdat de bewoonster niet open deed. De bewoonster en haar tijdens het voorval eveneens in de woning aanwezige dochter hebben een en ander, begrijpelijk, als zeer beangstigend en bedreigend ervaren. Dit soort delicten veroorzaken bovendien gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Verdachte heeft zich daarnaast nog schuldig gemaakt aan een vernieling en een diefstal, eveneens delicten die overlast veroorzaken en door direct benadeelden en door de samenleving als inbreukveroorzakende feiten worden ervaren.

In het nadeel na verdachte weegt dat hij een recidivist is op velerlei terrein, zoals (gekwalificeerde) diefstallen, vernielingen en bedreigingen.

Verdachte heeft al in tal van klinieken verbleven, hetgeen niet tot verbetering of stabilisatie van zijn psychiatrische/verslavingsproblematiek heeft kunnen leiden. Verdachte staat ook niet open voor een behandeling van zijn problematiek.

De rechtbank acht een gevangenisstraf van drie maanden in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het bevel voorlopige hechtenis van verdachte is reeds in een eerder stadium (1 december 2011) opgeheven.

Vorderingen tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer A] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 835,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij Politie Noord- en Oost Gelderland heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 92,02 (aanschaf nieuwe brievenbus) gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Verder heeft [slachtoffer D] zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 67,50 (aanschaf nieuwe brievenbus en bevestigingspaal) gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer A] en [slachtoffer D] integraal zullen worden toegewezen. De Politie Noord- en Oost Gelderland dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering, omdat de vordering ziet op de ten laste gelegde braak, welk onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen wordt geacht.

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer D] kan worden toegewezen. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer A] dient volgens de raadsman bij gebrek aan onderbouwing te worden afgewezen, te meer daar de vordering anders dan is ten laste gelegd ziet op vernieling van twee ramen. Ten aanzien van de vordering van de politie heeft de raadsman zich geconformeerd aan het standpunt van de officier van justitie.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer A] is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De vordering ziet op vervanging van een zijraam en een bovenraam alsmede op schilderwerk. Het bewezen verklaarde feit ziet op een zijraam. Het gaat daarbij om een groot raam, volgens de aangifte circa 2 x 1,5 meter groot. De rechtbank begroot de schade met betrekking tot de vervanging van dat raam en schilderwerk schattenderwijs op ten minste

€ 300,00.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de verdere behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde heeft zodoende de mogelijkheid om haar vordering voor het overige voor te leggen aan de burgerlijke rechter.

De benadeelde partij Politie Noord- en Oost Gelderland zal niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu deze vordering geen betrekking heeft op een bewezen verklaard feit, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid, aanhef en sub b, van het Wetboek van Strafvordering.

Nu niet is weersproken dat de benadeelde partij [slachtoffer D], zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag en de vordering de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal deze vordering worden toegewezen.

De verdachte is voor de schade - naar burgerlijk recht - aansprakelijk.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van na te melden bedrag ten behoeve van genoemd slachtoffers.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 57, 285, 310 en 350

van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

2. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

4. diefstal;

5. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer A], [adres], van een bedrag van € 300,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2011 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A] voornoemd, een bedrag te betalen van € 300,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2011, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 6 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer D], [adres], van een bedrag van € 67,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2011 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer D] voornoemd, een bedrag te betalen van € 67,50 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 augustus 2011, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* verklaart de benadeelde partij Politie Noord- en Oost Gelderland, Europaweg 79, 7336 AK Apeldoorn, niet-ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door mrs. Heenk, voorzitter, De Jong en Knoop, rechters, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 14 december 2011.

Eindnoten

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het stamproces-verbaal van de politie Regio Noord- en Oost Gelderland, District Noordwest Veluwe, gedateerd 28 september 2011, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant] (voor zover niet anders is vermeld)

2 Stamproces-verbaal, doorgenummerde dossierpag. 4

3 Verklaring verdachte, proces-verbaal terechtzitting

4 Aangifte [slachtoffer A], doorgenummerde dossierpag. 23 en 24

5 Aangifte [slachtoffer D], doorgenummerde dossierpag. 53 en 54

6 Aangifte [slachtoffer C], doorgenummerde dossierpag. 42 en 43