Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU7941

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
11-1706 t-m 11-1712
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekers moeten worden toegelaten tot de functies en de bijbehorende feitelijke werkzaamheden die zij vóór 1-11-2011 hebben verricht. Aan de tijdelijke aanstelling tot 1-4-2012 ligt ten grondslag tewerkstelling binnen de gemeente. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in het standpunt dat deze aanstelling is vervallen door de besluiten van 12-9-2011.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Voorzieningenrechter

Reg.nrs.: 11/1706 t/m 11/1712

Uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening in de geschillen tussen:

[verzoeker 1]

[verzoeker 2]

[verzoeker 3]

[verzoeker 4]

[verzoeker 5]

[verzoeker 6]

[verzoeker 7]

verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft verweerder aan verzoekers meegedeeld dat zij in samenwerking met het re-integratiebedrijf [re-integratiebedrijf] zullen worden begeleid naar een dienstverband buiten de gemeentelijke organisatie. In dit verband wordt er naar gestreefd verzoekers, na een oriëntatiefase en werkervaringsperiode die loopt tot uiterlijk 1 april 2013, een arbeidsovereenkomst bij [re-integratiebedrijf] of één van haar partners aan te bieden.

Bij besluit van 14 november 2011 heeft verweerder verzoekers (onder meer) opgedragen de in dat besluit genoemde werkzaamheden te gaan verrichten.

Verzoekers hebben daartegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 8 december 2011, waar verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door mr. P.J. Eshuis, advocaat te Doetinchem en mr. P.J.C. Garrels, advocaat te Enschede. Als getuige/deskundige is verschenen J. Mulders. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B.E. Wolsink en L. Freijer, bijgestaan door

mr. J.W.C. van Kleef, advocaat te Boskoop.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers, reeds gelet op het feit dat aan hen is opgedragen het individuele begeleidingstraject bij [re-integratiebedrijf] te gaan volgen en hen in verband hiermee niet langer wordt toegestaan hun voormalige werkzaamheden te verrichten, een spoedeisend belang hebben bij een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van verweerders besluitvorming.

2.2 Op 1 april 2010 heeft de gemeente Aalten een ‘overeenkomst Banenplan 2010’ gesloten met het ISWI. Het betreft een tweejarig project tot 1 april 2012, waarbij de gemeente Aalten 8 formatieplaatsen beschikbaar stelt voor kandidaten die werkzaam zijn in de ISWI-werkprojecten en/of een bijstandsuitkering ontvangen. Ter uitvoering van deze overeenkomst heeft verweerder verzoekers (met uitzondering van verzoeker [verzoeker 7], die per 1 februari 2011 is aangesteld) met ingang van 1 april 2010 in tijdelijke dienst voor de duur van één jaar aangesteld. Op deze tijdelijke aanstelling is de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst voor de sector gemeenten (CAR/UWO) en de aanvullende Aaltense rechtspositieregeling van toepassing verklaard. Bij besluiten van 7 februari 2011 (in de situatie van [verzoeker 7]: bij besluit van 30 maart 2011) heeft verweerder deze tijdelijke aanstelling verlengd tot 1 april 2012.

In de raadsvergadering van 14 juni 2011 heeft de gemeenteraad van Aalten een motie aangenomen waarin verweerder is verzocht het tijdelijke dienstverband met de ISWI-banenplanmedewerkers voort te zetten tot 1 april 2013. Voorts is verzocht deze medewerkers per 1 april 2013 een dienstverband aan te bieden, ofwel in dienst van de gemeente ofwel anderszins.

Bij besluiten van 12 september 2011 heeft verweerder de tijdelijke aanstelling van verzoekers verlengd tot uiterlijk 1 april 2013. Voorts is aan verzoekers meegedeeld dat er binnen de gemeentelijke organisatie geen passende reguliere vacatures zijn en dat verweerder, gelet op de raadsvergadering van 14 juni 2011, de inspanningsverplichting heeft om verzoekers te begeleiden bij het zoeken naar een dienstverband elders. Daarbij wordt van verzoekers de volledige medewerking verwacht.

Bij besluiten van 21 oktober 2011 heeft verweerder aan verzoekers meegedeeld dat is besloten samen te werken met het re-integratiebedrijf [re-integratiebedrijf] voor begeleiding van verzoekers naar een dienstverband buiten de gemeentelijke organisatie. In deze brieven is beschreven dat [re-integratiebedrijf] een individueel begeleidingstraject zal opstarten, bestaande uit een oriëntatiefase van zes weken, gevolgd door een werkervaringsperiode in een door verzoekers gekozen beroepsrichting. Blijkens deze brief start de oriëntatiefase op 14 november 2011 in verband waarmee verzoekers worden uitgenodigd voor een bijeenkomst op een in de brief genoemde locatie.

Bij brief van 11 november 2001 heeft mr. Eshuis voornoemd hierop namens verzoekers gereageerd.

Bij besluit van 14 november 2011 heeft verweerder aan verzoekers meegedeeld dat het werk dat zij voorheen hebben verricht niet meer beschikbaar is en dat zij derhalve met ingang van 16 november 2011 worden ingezet op seizoensgebonden dan wel ondersteunende werkzaamheden, het administreren of reinigen van verkeersborden en overige voorkomende additionele werkzaamheden.

Mr. Eshuis, voornoemd, heeft namens verzoekers bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 21 oktober 2011 en 14 november 2011.

2.3 Ingevolge de artikelen 1:2:1, vierde lid, en 2:4:1, eerste lid, aanhef en onder c vi, van de CAR/UWO kan de ambtenaar aangesteld worden voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot een of meer bepaalde groepen van werklozen.

2.4 Niet in geding is dat verzoekers (oorspronkelijk) zijn aangesteld om werkzaamheden te verrichten als bedoeld in de onder 2.3 genoemde artikelen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de oorspronkelijke aanstelling van verzoekers met de besluiten van 12 september 2011 is komen te vervallen, zodat de grondslag van de aanstelling vanaf dat moment niet langer is gericht op tewerkstelling binnen de gemeentelijke organisatie maar op begeleiding naar een dienstverband buiten de organisatie.

Dit standpunt van verweerder kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden gevolgd. Nu de oorspronkelijke aanstellingen van verzoekers lopen tot 1 april 2012 is met de besluiten van 12 september 2011 voorzien in een verlenging van de aanstelling per 1 april 2012, welke verlenging tot (uiterlijk) 1 april 2013 voortduurt. Met de besluiten van 12 september 2011 is derhalve - anders dan verweerder stelt - geen wijziging gebracht in de huidige aanstellingen van verzoekers, zoals die tot 1 april 2012 gelden.

De tot 1 april 2012 geldende aanstellingen zien naar het oordeel van de voorzieningenrechter (uitsluitend) op tewerkstelling binnen verweerders organisatie. De voorzieningenrechter wijst er in dit verband op dat in de aan het Banenplan ten grondslag liggende overeenkomst tussen de gemeente Aalten en het ISWI de intentie wordt uitgesproken om voor de werknemers een duurzame arbeidsplaats te realiseren binnen de gemeente Aalten. Voorts is de afdeling van tewerkstelling in de oorspronkelijke aanstellingsbesluiten voor elk van verzoekers specifiek benoemd, en zijn de feitelijke werkzaamheden van verzoekers medio 2011 door verweerder verder geconcretiseerd door de competenties, behorend bij de door verzoekers uitgeoefende functies, op hen van toepassing te verklaren. Gelet hierop kunnen verzoekers op grond van de tot 1 april 2012 geldende aanstelling in beginsel aanspraak maken op tewerkstelling in de tot 11 november 2011 feitelijk door hen uitgeoefende werkzaamheden.

Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat een ambtelijke aanstelling met zich kan brengen dat onder omstandigheden – al dan niet tijdelijk – in het belang van de dienst vervangende werkzaamheden door de ambtenaar worden verricht. De voorzieningenrechter stelt evenwel vast dat verweerder het bepaalde in artikel 15:1:10, eerste lid, van de CAR/UWO (plicht tot aanvaarden andere betrekking in het belang van de dienst) niet aan de thans bestreden besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. De voorzieningenrechter laat dan nog daar dat de in dat artikellid besloten liggende belangenafweging in het geval van verzoekers niet heeft plaatsgevonden.

Overigens ziet de voorzieningenrechter noch in de vaststelling van een nieuw gemeentelijk werkervaringsplan door de gemeenteraad, noch in de omstandigheid dat de ondernemingsraad van de gemeente Aalten en de commissie voor Georganiseerd Overleg bezwaren hebben geuit tegen de wijze waarop de aanstellingen van verzoekers feitelijk zijn ingevuld, voldoende dienstbelang gelegen om verzoekers niet langer toe te laten tot de werkzaamheden, waarin zij tot 1 april 2012 zijn aangesteld.

Niet gebleken ten slotte is dat de werkzaamheden, zoals die tot 11 november 2011 door verzoekers werden verricht, feitelijk zijn komen te vervallen binnen verweerders organisatie. Blijkens het verhandelde ter zitting is slechts sprake van een keuze van verweerder om die werkzaamheden niet langer (door verzoekers) te laten verrichten, aangezien voortschrijdend inzicht tot het inzicht heeft geleid dat daarbij sprake is van verdringing van reguliere formatieplaatsen.

Mede ter voorkoming van een verdere escalatie van het tussen partijen bestaande conflict merkt de voorzieningenrechter op dat naar zijn oordeel de besluiten van 12 september 2011 per 1 april 2012 bepalend zijn voor de rechtspositie van verzoekers. Gelet op die besluiten ligt aan de verlenging van de tijdelijke aansluiting ten grondslag dat verzoekers in de periode van 1 april 2012 tot (uiterlijk) 1 april 2013 zullen worden begeleid naar een dienstverband buiten verweerders organisatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verweerder, gelet op die gewijzigde grondslag van de aanstelling, niet de bevoegdheid worden ontzegd van verzoekers te verlangen dat zij per 1 april 2012 gaan deelnemen aan een door verweerder voorgestaan individueel begeleidingstraject.

2.5 Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding de bestreden besluiten te schorsen en de voorlopige voorziening te treffen dat verzoekers tot 1 april 2012 worden toegelaten tot de functies en de bijbehorende feitelijke werkzaamheden, zoals die vóór 11 november 2011 door hen werden verricht. Daarbij zal verweerder een korte termijn (te weten: tot uiterlijk maandag 19 december 2011) worden gegund om het vorenstaande te kunnen realiseren.

2.6 De voorzieningenrechter ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De voorzieningenrechter kent 2 punten (verzoekschrift 1, zitting 1) toe, waarbij de wegingsfactor op 1,5 (samenhangende zaken) wordt gesteld.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening toe;

- schorst de besluiten van 21 oktober 2011 en 14 november 2011;

- bepaalt dat verzoekers uiterlijk met ingang van 19 december 2011 worden toegelaten tot de functies en de bijbehorende feitelijke werkzaamheden, zoals die vóór 11 november 2011 door hen werden verricht;

- bepaalt dat deze voorziening vervalt op 1 april 2012;

- bepaalt dat verweerder het gestorte griffierecht van € 152,-- aan elke verzoeker afzonderlijk vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.311,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.J.M. Weyers. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.