Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU7324

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
08-12-2011
Zaaknummer
06/950201-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt brandstichter tot 381 dagen gevangenisstraf, waarvan 180 voorwaardelijk. De rechtbank legt hem een proeftijd van drie jaar op, waarbij hij zich dient te houden aan de gestelde bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/950201-11

Uitspraak d.d.: 6 december 2011

tegenspraak / dip / oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [plaats] op [datum] 1967,

wonende te [plaats],

thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Doetinchem,

Raadsman: mr. R.P. Adema, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 augustus 2011, 26 oktober 2011 en 11 november 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 07 mei 2011 te Epe opzettelijk brand heeft gesticht in de (flat-)woning [adres] aldaar, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een gaskraan geopend en/of (vervolgens) een brandende kaars bij deze gaskraan gezet, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met brandbaar gas, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan een wasemkap en/of het plafond en/of dak van die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer naast- en/of ondergelegen woningen in die flat, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoner(s) van die naast- en/of ondergelegen woningen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 05 februari 2011 te Emst, gemeente Epe, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan de woning [adres] aldaar, met dat opzet een of meer gordijn(en) in die woning heeft aangestoken, in elk geval met dat opzet (open) vuur in aanraking heeft gebracht met die/dat gordijn(en), althans met (een) brandbare stof(fen), terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Aanleiding voor het onderzoek is de melding door [aangever van feit 1] aan de meldkamer Oost-Nederland over een woningbrand in een woning aan [adres] te Epe. Nadat de brand is geblust heeft [zus van verdachte] de meldkamer Oost-Nederland gemeld dat de bewoner van [adres], verdachte, zichzelf zou hebben willen vergassen door de gaskraan open te zetten en er een kaars bij te zetten2. [zus van verdachte] is de zuster van verdachte.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit

Het Team Forensische Opsporing (TFO) heeft vastgesteld dat de brand niet is veroorzaakt door de afzuigkap. Feit blijft dat verdachte tegen zijn eigen broer [broer van verdachte] heeft gezegd dat hij de woning in brand heeft gestoken met een kaars. Dat dit juist is blijkt ook uit het rapport van TFO. Dit betekent dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen door middel van het rapport van TFO, de verklaring van verdachte zelf en de getuigenverklaring van de broer van verdachte.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit

Verdachte heeft de gordijnen in de woning aan de [adres] te Epe in brand gestoken. Verdachte heeft dit ook bekend. Uit de jurisprudentie volgt dat als een goed in brand is gestoken maar er verder geen gevaar is geweest, er geen sprake is van brandstichting. Uiteindelijk is de brand in de woning aan de [adres] beperkt gebleven tot de gordijnen. Dat is de reden dat op de tenlastelegging een poging is opgenomen.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit

Ten onrechte ligt er geen bevel van de officier van justitie ten grondslag aan de aanhouding van verdachte. De rechtbank hoeft hier geen oordeel over te vellen maar het dient wel onder de aandacht van de rechtbank te worden gebracht.

Verdachte was ten tijde van de brand in [adres] te Epe overspannen en onder invloed van alcohol. Dit betekent dat de rechtbank niet rechtstreeks mag afgaan op de verklaringen van verdachte. Er moet kritisch gekeken worden naar de verklaringen van verdachte. Als gekeken wordt naar de verklaringen van de betrokken brandweerlieden, dan kan genoegzaam getwijfeld worden aan een opzettelijk opengedraaide gaskraan. Verwezen wordt naar de pagina's 75, 76 en 83 van het proces-verbaal waarin staat dat de gaskraan niet open stond en een gasbrand heviger zou zijn geweest. Daar staat het TFO-rapport tegenover. TFO heeft de wasemkap als oorzaak van de brand uitgesloten. Verdachte had wel stroom in de woning. Verdachte heeft de dag voor de brand de wasemkap nog getest en deze maakte een rammelend geluid. De raadsman heeft er op gewezen dat na de brand een schoonmaakbedrijf heeft schoongemaakt en dat niet meer te achterhalen is of er ook daadwerkelijk kaarsvet is geweest. Een brandweerman heeft verklaard dat hij kaarsvet op zijn brandweerpak had maar dat kan ook vet uit de wasemkap zijn, aldus de raadsman. Volgens de raadsman staat wel vast dat er brand is geweest en dat verdachte deze brand heeft gesticht. De exacte toedracht is echter niet meer te achterhalen. Volgens de raadsman dient een vrijspraak te volgen voor het openen van de gaskraan en het zetten van een brandende kaars daarbij.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit

Ten aanzien van het onder twee tenlastegelegde feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat hij met inachtneming van de aangifte, het forensisch onderzoek en het gevonden DNA geen verdere opmerkingen heeft. De raadsman heeft betoogd dat sprake is van een poging en niet van een voltooid delict.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit

Op zaterdag 7 mei 2011 is om omstreeks 14:47 uur melding gedaan van een woningbrand in de flatwoning [adres] in Epe door [aangever feit 1]. [aangever feit 1] heeft verklaard dat hij de bewoner van [adres] vijf minuten voor de brand had zien wegrijden op zijn brommer3. De bewoner van [adres] is verdachte. De brandweer heeft de brand geblust.

Op zaterdag 7 mei 2011 om omstreeks 19:08 uur heeft [zus van verdachte], de zuster van verdachte, de politie gebeld met de melding dat verdachte zichzelf zou hebben willen vergassen. Volgens [zus van verdachte] had verdachte de gaskraan opengezet en er een kaars bijgezet4. De politie heeft verdachte in [adres] op een matras op de grond aangetroffen. Verdachte heeft bij zijn aanhouding verklaard dat hij het gas in de keuken had aangezet en daarnaast een kaars had geplaatst5. Verdachte is daarna weggereden op zijn brommer.

De broer van verdachte, [broer van verdachte], heeft verklaard dat hij op 7 mei 2011 om omstreeks 16:00 uur heeft gebeld met verdachte. Verdachte heeft tijdens dit telefoongesprek zoiets gezegd als: "Steek de boel in de brand"6. Volgens [broer van verdachte] was verdachte op dat moment in het café en was hij dronken. [broer van verdachte] is op de dag van de brand om omstreeks 19:00 uur bij [adres] aangekomen. [broer van verdachte] zag dat de wasemkap was weggebrand en dat er een gat in het dak was gebrand. [broer van verdachte] heeft verklaard dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij er een einde aan wilde maken, dat hij de gaskraan heeft opengedraaid en een kaars heeft aangedaan7. Volgens [broer van verdachte] was er, toen hij in [adres] was, een mevrouw aan het schoonmaken en heeft hij iets van kaarsvet op het aanrechtblad zien liggen8. [broer van verdachte] heeft verder verklaard dat verdachte een boodschappenkrat met spullen van zijn moeder had gekregen. In dat krat zat ook een kaars9.

[Brandweerman A], hoofd brandwacht, heeft verklaard dat hij na de brand kaarsvet in de mouw van zijn brandweerpak heeft ontdekt10. [Schoonmaakster] heeft verklaard dat zij namens [bedrijf] heeft schoongemaakt in [adres]. Zij heeft op het aanrecht, nabij de aansluiting van de gaskraan, een behoorlijke plek met kaarsvet zien liggen. Klein heeft verklaard dat zij het kaarsvet heeft opgeruimd11.

Verdachte heeft bij zijn aanhouding en ook later bij de politie verklaard dat hij de gaskraan heeft losgedraaid en dat hij er een kaars heeft neergezet12 13. Volgens verdachte was het kooktoestel nog niet aangesloten op de gaskraan. Verdachte heeft verklaard dat hij de gaskraan helemaal heeft opengedraaid. De kaars heeft hij neergezet op de keukentafel of het aanrecht14. Volgens verdachte zat de kaars in een kist die hij van zijn moeder heeft gekregen. Verdachte heeft verklaard dat hij zichzelf wilde vergassen15. Hij heeft een paar minuten op een matras in de kamer gelegen en is toen weggegaan.

In het proces-verbaal sporenonderzoek (TFO) is onder meer het volgende opgenomen.

Gelet op het brandbeeld, de beroeting een de hitte-inwerking op de keukentegels had de brand het hevigst gewoed in de hoek van de keuken waar de koopapparatuur was gemonteerd. In het plafond boven de gaskookplaat was door het vuur een gat in het platte dak gebrand. Door het vrijelijk uitstromende brandende gas ontstond een langwerpige vlam welke door het te rijke mengsel fakkelde. De vlammen verhitten de boven de kookplaat gemonteerde afzuigkap. Hierdoor konden de aanwezige vetten in het filter en de kunststof onderdelen vlamvatten en brandend op de kookplaat en de bovenzijde van het keukenkastje vallen. Verder is in dat rapport opgenomen dat door het opzettelijk laten uitstromen van aardgas uit de geopende gaskraan boven het aanrecht in de keuken, in nabijheid van een brandende kaars, dit een explosie gevolgd door brand kan veroorzaken of een op zich staande brand kan veroorzaken met als gevolg gemeen gevaar voor goederen en personen16.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

De rechtbank acht op grond van de vorenstaande bewijsmiddelen bewezen dat verdachte opzettelijk de gaskraan bij het fornuis heeft opengedraaid. De rechtbank gaat hierbij uit van de verklaringen van verdachte zelf, de verklaring van [broer van verdachte] en de conclusie van het TFO. Dat de brandweerlieden [brandweerman B] en [brandweerman A] hebben verklaard dat de gaskraan niet open stond doet daar niet aan af. Brandweerman [brandweerman A] heeft immers verklaard dat zijn collega [brandweerman C] de hoofdgaskraan heeft dichtgedraaid. Waar [brandweerman A] heeft verklaard dat de gaskraan niet open stond omdat je dan wel hoort sissen en de vlammen heviger zouden zijn, roept dit naar het oordeel van de rechtbank geen verdere vragen op omdat de hoofdgaskraan was dichtgedraaid.

De rechtbank is verder van oordeel dat bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de brandstichting. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij zichzelf van het leven wilde beroven door zich te vergassen. Hij heeft daartoe de gaskraan opengezet en daarbij een brandende kaars geplaatst. Toen verdachte daarna de flatwoning heeft verlaten, heeft hij niet de gaskraan dichtgedraaid en de kaars uitgemaakt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door niet de gaskraan dicht te draaien en de kaars uit te maken, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er brand zou ontstaan. De rechtbank overweegt bovendien dat het opzet bij verdachte niet gericht behoefde te zijn op het teweegbrengen van de gevolgen, maar slechts op het brandstichten.

De rechtbank komt op grond van de hierboven opgenomen bewijsmiddelen en bewijsoverweging tot de volgende bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit

Op zaterdag 5 februari 2011 is door [aangever feit 2] aangifte gedaan van brandstichting in de woning aan de [adres] te Emst17. Op zaterdag 5 februari 2011 is tussen 16:15 en 22:39 uur brand gesticht in deze onbewoonde woning. De gordijnen in de woonkeuken waren geheel verbrand. Op de keukentafel lag een blauwe wegwerpaansteker en een schroevendraaier. Op de grond naast de keukentafel lag een sigarettenpeuk18. De gordijnen waren de brandhaarden. Er is geen technisch aanwijsbare oorzaak voor het ontstaan van de brand aangetroffen. Door het ingrijpen van de brandweer kon gemeen gevaar voor verbranding van de woning worden voorkomen19. Het DNA-profiel dat is verkregen uit de bemonstering van de sigarettenpeuk matcht met het DNA-profiel van het referentiemonster wangslijmvlies van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met eerstgenoemd DNA-profiel is kleiner dan een op een miljard20. Op grond van die match concludeert de rechtbank dat verdachte, die in de buurt woont, daadwerkelijk in het pand is geweest.

[getuige 1] heeft verklaard dat hij op een vrijdag- of een zaterdagavond in begin februari 2011 uit nieuwsgierigheid de brandweer is gevolgd. [getuige 1] heeft toen verdachte op de Bloemendaalseweg op de brommer zien rijden, komende vanuit de richting van de brand21.

Verdachte heeft verklaard dat hij op zijn brommer naar de woning aan de [adres] is gereden omdat hij wist dat de woning leeg stond22. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de deur met een schroevendraaier heeft losgebroken. Verdachte heeft in de woning een sigaret gerookt en heeft de gordijnen aan de voorkant van de woning in brand gestoken met een aansteker, toen het smeulde is hij weggegaan23.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de aangifte van Stegeman, het proces-verbaal van sporenonderzoek (TFO), de verklaring van getuige [getuige 1], de bekennende verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting en de match tussen het DNA-profiel verkregen uit de bemonstering van de sigarettenpeuk en het DNA-profiel van verdachte, tot bewezenverklaring kan worden gekomen van het ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 07 mei 2011 te Epe opzettelijk brand heeft gesticht in de (flat-)woning [adres] aldaar, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk een gaskraan geopend en (vervolgens) een brandende kaars bij deze gaskraan gezet, ten gevolge waarvan een wasemkap en het plafond en dak van die woning geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer naast- en ondergelegen woningen in die flat en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoner(s) van die naast- en ondergelegen woningen, te duchten was;

2.

hij op 05 februari 2011 te Emst, gemeente Epe, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan de woning [adres] aldaar, met dat opzet een of meer gordijn(en) in die woning heeft aangestoken, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Feit 1

Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Feit 2

Poging tot opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

Naar de persoon van verdachte is psychologisch onderzoek verricht24, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van S. Wijga (psycholoog) van 26 augustus 2011.

Wijga heeft aangegeven dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een aanpassingsstoornis met een stoornis in het gedrag en een alcoholafhankelijkheid. Er is eveneens sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, een licht verstandelijke handicap. Wijga heeft voorts aangegeven dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde wel het ongeoorloofde ervan besefte. Vanwege de aanpassingsstoornis en de verstandelijke beperking kon verdachte zijn gedrag niet geheel conform een dergelijk besef bepalen. Daarom kan verdachte ten tijde van het ten laste gelegde als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden aangemerkt.

Met de conclusie van de psycholoog dat verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, kan de rechtbank zich verenigen en zij neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de officier van justitie

Er is sprake van ernstige feiten. Het gaat bij het onder 2 tenlastegelegde feit om een woning, ook als daar inmiddels niemand meer woont. Een woningbrand is iets engs en gevaarlijks. Brand kan alles verwoesten. Er moet echter ook naar de toekomst worden gekeken. Dit betekent dat er een eis moet komen die recht doet aan de ernst van de feiten en vooral de toekomst. De officier van justitie heeft aangegeven dat zij bij de bepaling van haar eis rekening heeft gehouden met het psychologisch rapport dat over verdachte is opgemaakt en met name met de daarin vervatte conclusie dat het ten laste gelegde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 392 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren gelet op de problematiek en de mogelijke aantasting van de lichamelijke integriteit. Dit onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de reclassering (inclusief een meldingsgebod), een (ambulante) behandeling bij een forensisch psychiatrisch ziekenhuis en ambulante begeleiding door de Stichting Philadelphia, ook als dat een verplichting tot dagbesteding inhoudt. Verdachte zou ingaande 24 november 2011 kunnen worden geschorst.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat er ten aanzien van verdachte geen sprake is van relevante documentatie. Verdachte is eenmaal, in 2005, veroordeeld voor een geweldsdelict. Uit het psychologisch rapport blijkt dat sprake is van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid en alcoholproblematiek. De rechtbank dient daarmee rekening te houden evenals met de mentale gesteldheid van verdachte ten tijde van het plegen van de delicten. Verdachte heeft meermaals aangegeven dat hij hulp nodig had. Het is triest om te constateren dat verdachte in februari een poging brandstichting heeft gedaan, dat de maand daarop door het NFI wordt geconstateerd dat het delict door verdachte is gepleegd en niemand naar hem omkijkt.

De voorlopige hechtenis zou met ingang van 23 november 2011 om 09:00 uur dienen te worden geschorst. De raadsman heeft daarbij betoogd dat er geen extra onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd maar dat deze gelijk dient te zijn aan het voorarrest. De voorwaarden als door de reclassering geadviseerd kunnen zowel bij de schorsing van de voorlopige hechtenis als in het vonnis worden gehanteerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Verdachte heeft binnen een tijdsbestek van een paar maanden eenmaal gordijnen in een leegstaand huis in brand gestoken en eenmaal in zijn flatwoning de gaskraan opengedraaid en daar een brandende kaars bij gezet. Beide branden konden door tussenkomst van de brandweer gelukkig snel worden geblust.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze voor een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte, onder meer, brand heeft gesticht in zijn flatwoning, waardoor verdachte niet alleen zijn eigen leven in gevaar heeft gebracht, maar hij ook voor personen en goederen in zijn directe omgeving zeer ernstige risico's veroorzaakt heeft.

In het voordeel van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte blijkens zijn justitiële documentatie niet eerder veroordeeld is voor een soortgelijk feit.

Voorts houdt de rechtbank, ten aanzien van de persoon van verdachte, rekening met het over hem opgemaakte psychologisch rapport. In aanvulling op hetgeen hierboven onder "strafbaarheid van verdachte" is opgenomen, te weten dat verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, neemt de rechtbank uit bedoeld rapport voorts nog het volgende in aanmerking. De licht verstandelijke beperking, het tekortschieten van de coping strategieën en het misbruik van alcohol maken de kans op recidive groot. Om het recidiverisico terug te brengen op een maatschappelijk geaccepteerd niveau, zal het oplopen van spanningen moeten worden teruggebracht. Woonbegeleiding gericht op taken en problemen, waar betrokkene in de maatschappij tegen aanloopt is noodzakelijk. Daarnaast is behandeling, controle en toezicht omtrent het alcohol misbruik van groot belang. Wanneer betrokkene zich in een stabiele situatie bevindt, lijkt behandeling die leidt tot versterking van de coping strategieën eveneens noodzakelijk. Geadviseerd wordt een gecombineerde straf met een lang voorwaardelijk deel met als bijzondere voorwaarde controle en toezicht van de reclassering verslavingszorg Tactus, ook als dit inhoudt het volgen van aanwijzingen van de reclassering verslavingszorg Tactus en het accepteren van woonbegeleiding en behandeling bij een Forensisch Psychiatrische Kliniek zoals De Tender in Deventer of Kairos of Trajectum.

Door de reclassering wordt het advies van psycholoog Wijga onderschreven, met de toevoeging dat verdachte wordt verplicht om zich ambulant te laten begeleiden door de Stichting Philadelphia in het kader van woonbegeleiding, ook als de Stichting aan de begeleiding de verplichting tot dagbesteding verbindt.

Uit het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 21 juli 2011 neemt de rechtbank voorts nog in aanmerking dat het recidiverisico als hoog gemiddeld wordt ingeschat in verband met het gebrek aan inzicht in zijn eigen problematiek, dat eerdere delicten verdachte lijken te zijn overkomen in combinatie met de onstabiele emotionele situatie van verdachte. Bij verdachte is sprake van verschillende criminogene factoren die de kans op recidive kunnen verhogen, namelijk het ontbreken van stabiele huisvesting, het niet hebben van een dagbesteding, de relatie met zijn partner/familie, alcoholgebruik, emotioneel welzijn en gedrag.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf, in grote lijnen, passend is. De rechtbank acht het van belang dat verdachte zo spoedig mogelijk kan starten met de woonbegeleiding door de Stichting Philadelphia en de daarbij behorende dagbesteding. Bij afzonderlijke beslissing heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte daartoe met ingang van 24 november 2011 geschorst. De rechtbank is van oordeel dat passend is een straf van 381 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Aldus is het onvoorwaardelijk deel van de straf gelijk aan de tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht. De proeftijd van 3 jaar acht de rechtbank noodzakelijk in verband met de grote kans op recidive, zoals geconstateerd door Wijga, waardoor er ernstig rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden koppelen zoals door de officier van justitie geëist en zoals door de reclassering is geadviseerd. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven bereid en gemotiveerd te zijn om hulp en begeleiding van de reclassering te aanvaarden en zich voor de behandeling in te zetten.

Vordering tot schadevergoeding

Feit 1

De benadeelde partij [woningcorporatie] in Heerde heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 15.790,69 exclusief BTW gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1. De vordering ziet op herstelkosten van de woning, huurderving en begeleidingskosten.

De officier van justitie heeft aangegeven dat er veel vragen zijn bij de vordering van [woningcorporatie]. Bij de vordering is alleen een expertiserapport gevoegd. Het lijkt er bovendien op dat [woningcorporatie] verzekerd is voor deze schade. De vordering benadeelde partij van [woningcorporatie] dient dan ook als onvoldoende onderbouwd niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus de officier van justitie.

De raadsman heeft betoogd dat de vordering van de benadeelde partij [woningcorporatie] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De vordering mist een concrete onderbouwing. Niet duidelijk is bovendien hoe het zit met de verzekering. Op het voegingsformulier is onder 2 ingevuld [naam]. Onder 3 bij machtiging is niets ingevuld.

Naar het oordeel van de rechtbank, en in afwijking van de standpunten van de officier van justitie en de raadsman, is de door [woningcorporatie] gevorderde schadevergoeding voldoende onderbouwd en komt deze in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van € 15.790,69. Dat slechts een expertiserapport ten aanzien van de schade is overgelegd staat niet in de weg aan toewijzing van de vordering, evenmin als de omstandigheid dat [woningcorporatie] al dan niet verzekerd is voor deze schade. Nu [woningcorporatie] niet heeft gesteld dat zij de BTW niet kan verrekenen, is de vordering voor dat deel (de BTW) onvoldoende onderbouwd. In zoverre zal [woningcorporatie] in haar vordering niet ontvankelijk worden verklaard. Voor dat deel kan zij haar vordering bij de civiele rechter aanhangig maken.

Feit 2

De benadeelde partij [aangever feit 2] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 6.183,68 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde onder 2.

De vordering is ter terechtzitting toegelicht door de gemachtigde [aangever feit 2], de zoon van de benadeelde partij. [aangever feit 2] heeft betoogd dat omdat de woning leeg stond, de braakschade niet wordt vergoed door de verzekering. Deze schade dient vergoed te worden. Er is een bedrag van € 2.983,- overgemaakt naar de nieuwe eigenaren van de woning. De woning stond gemeubileerd te koop. Er mankeerde niets aan de vitrage, de vloerbedekking en het wandmeubel. De woning heeft door de schade € 2.000,- minder opgeleverd. Er is ten aanzien van het wandmeubel gekeken naar de nieuwprijs van een dergelijk meubelstuk. Het wandmeubel was ongeveer vijf jaar oud. De verzekering vergoedt ook de nieuwwaarde.

De officier van justitie heeft aangegeven dat de vordering ter zake van de braakschade toewijsbaar is. Ten aanzien van de schade die is gevorderd voor de gordijnen, de vloerbedekking en het wandmeubel dient niet alleen gekeken te worden naar de nieuwwaarde maar ook naar de afschrijvingen. De vordering ter zake van de gordijnen, de vloerbedekking en het wandmeubel dient voor 50% te worden toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft het volgende betoogd. De schoonmaakkosten en de schilderkosten van de benadeelde partij [aangever feit 2] zijn vergoed. De inbraakschade is betaald aan de nieuwe eigenaren van de woning. Enerzijds kan worden geoordeeld dat [aangever feit 2] schade heeft geleden. Aan de andere kant staat bij de betaling dat het begrotingsschade is. Volgens de raadsman is de vordering benadeelde partij op dit punt onvoldoende onderbouwd met als gevolg dat, voor wat betreft de inbraakschade, de vordering benadeelde partij van [aangever feit 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De woning stond te koop. De raadsman kan zich niet voorstellen dat de nieuwe eigenaren van de woning de vloerbedekking en de vitrage niet zouden hebben vervangen. De eigenaren van de woning ten tijde van de brand waren oudere mensen die niet recentelijk nieuwe vloerbedekking hebben gelegd dan wel nieuwe vitrage hebben opgehangen. Het is dan ook onduidelijk hoe oud de vloerbedekking, de vitrage en het wandmeubel waren en derhalve wat de waarde daarvan is geweest ten tijde van de brand. Dit betekent dat het deel van de vordering benadeelde partij dat ziet op de vitrage, de vloerbedekking en het wandmeubel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel te worden afgewezen als onvoldoende onderbouwd.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie is aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat de braakschade ten bedrage van € 2.983,68 voor vergoeding in aanmerking komt. Deze kosten zijn als rechtstreekse schade aan te merken en zijn ook voldoende onderbouwd. De rechtbank is voorts van oordeel dat de door benadeelde geleden schade ter zake van de vloerbedekking, de gordijnen en het wandmeubel in redelijkheid tot een bedrag van

€ 1.600,- voor vergoeding in aanmerking komt, omdat rekening moet worden gehouden met afschrijvingen op deze zaken. De wettelijke rente over de toegewezen bedragen wordt toegewezen met ingang van 5 februari 2011.

Voor het overige zal benadeelde niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Zij kan deze voor dit deel bij de civiele rechter aanhangig maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemde slachtoffers.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder 1 en 2 heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1

Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Feit 2

Poging tot opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 381 (driehonderdeenentachtig) dagen;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 180 (honderdtachtig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde

- zich gedurende de proeftijd van 3 jaar zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt dat veroordeelde zich op uitnodiging zal melden bij de reclassering en daarna zo frequent als deze instelling dat nodig acht,

- zich in het kader van woonbegeleiding, ambulant zal laten behandelen door de Stichting Philadelphia of een soortgelijke instelling ook als dit inhoudt de verplichting tot dagbesteding. De veroordeelde zal zich dan houden aan regels die door of namens de leiding van die instelling zullen worden gegeven;

- op verzoek van de reclassering ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [woningcorporatie], gevestigd te [adres], van een bedrag van € 15.790,69 (vijftienduizend zevenhonderdennegentig euro en negenenzestig cent), en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij [woningcorporatie] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [woningcorporatie], een bedrag te betalen van € 15.790,69 (vijftienduizend zevenhonderdennegentig euro en negenenzestig cent), met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 113 (honderddertien) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever feit 2], wonende te [adres], van een bedrag van € 4.583,68 (vierduizend vijfhonderddrieentachtig euro en achtenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 februari 2011 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij [aangever feit 2] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever feit 2], een bedrag te betalen van € 4.583,68 (vierduizend vijfhonderddrieentachtig euro en achtenzestig cent), met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 55 (vijfenvijftig) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

* heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis;

Aldus gewezen door mrs. Kropman, voorzitter, Van der Mei en Van der Hooft, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y. Oosting, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 december 2011.

Mr. Kropman is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Voetnoot:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0618 2011061955-17, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Noordwest Veluwe, gesloten en ondertekend op 7 juni 2011.

2 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 mei 2011, p. 39

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 mei 2011, p. 38-39

4 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 mei 2011, p. 39-40

5 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 7 mei 2011, p. 16

6 Proces-verbaal verhoor getuige [broer van verdachte] d.d. 8 mei 2011, p. 64

7 Proces-verbaal verhoor getuige [broer van verdachte] d.d. 8 mei 2011, p. 65

8 Proces-verbaal verhoor getuige [broer van verdachte] d.d. 14 mei 2011, p. 68

9 Proces-verbaal verhoor getuige [broer van verdachte] d.d. 14 mei 2011, p. 68

10 Proces-verbaal verhoor getuige [Brandweerman A] d.d. 12 mei 2011, p. 84

11 Proces-verbaal verhoor getuige [Schoonmaakster] d.d. 17 mei 2011, p. 90

12 Proces-verbaal aanhouding d.d. 7 mei 2011, p. 16

13 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 8 mei 2011, p. 113

14 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 8 mei 2011, p. 114

15 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 8 mei 2011, p. 114

16 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 9 mei 2011, p. 42

17 Proces-verbaal van aangifte d.d. 5 februari 2011, p. 134

18 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 mei 2011, p. 138

19 Proces-verbaal sporenonderzoek (TFO) d.d. 10 februari 2011, p. 140

20 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 14 maart 2011, p. 154-156

21 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] d.d. 9 mei 2011, p. 159

22 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 9 mei 2011, p. 167

23 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 9 mei 2011, p. 168

24 Psychologisch onderzoek monodisciplinair, Pro Justitia, drs. S. Wijga (klinisch psycholoog/psychotherapeut) d.d. 26 augustus 2011