Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU6958

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
10/1147 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herziening met terugwerkende kracht van de eigen bijdrage voor Zorg en Verblijf niet in strijd met rechtszekerheid. T.a.v. invordering wordt aansluiting gezocht bij 'zesmaandenjurisprudentie'van de CRvB. Invordering over de gehele periode is daarmee in strijd. Beroep in zoverre gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/36
RZA 2012/78

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: 10/1147 AWBZ

Uitspraak in het geding tussen:

de erven van [naam]

te [plaats],

eiseres,

en

Centraal Administratie Kantoor Bijzondere Zorgkosten b.v. (CAK)

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2010 heeft verweerder de eigen bijdrage voor Zorg en Verblijf met ingang van 11 februari 2009 gewijzigd en definitief vastgesteld op € 1.113,61 per maand. Voorts heeft verweerder eiseres via een factuur van 26 maart 2010 meegedeeld dat zij vanaf 11 februari 2009 over het zorgjaar 2009 een bedrag van € 9.961,29 is verschuldigd.

Bij besluit van 4 juni 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het invorderingsbedrag verlaagd en vastgesteld op € 7.293,67.

Namens eiseres heeft haar zoon [zoon eiseres] beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 1 september 2011, waar [zoon eiseres] is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.P.N.Coenraad en

C. Pahladsingh. Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde de erven in de gelegenheid te stellen een verklaring van erfrecht over te leggen. Nadat de betreffende verklaring is ontvangen hebben partijen toestemming gegeven een nadere zitting acherwege te laten. Daarop is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres heeft van 28 november 2008 tot en met 10 februari 2009 op grond van een revalidatie-indicatie verbleven in de [zorginstelling] te [plaats] waarbij conform het Bijdragebesluit zorg en de Bijdrageregeling zorg AWBZ een lage eigen bijdrage verschuldigd was. Met ingang van 11 februari 2009 is het verblijf omgezet in ‘langdurig verblijf’ en vanaf deze datum was overeenkomstig de wettelijke regeling een maandelijkse hoge eigen bijdrage verschuldigd.

Bij besluit van 22 juni 2009 heeft verweerder met ingang van 1 januari 2009 de lage eigen bijdrage (definitief) vastgesteld op € 192,60 per maand. Bij brief van 2 maart 2010 heeft verweerder aangekondigd dat de eigen bijdrage onjuist en te laag is vastgesteld en bij primair besluit van 10 maart 2010 is de wijziging naar de hoge eigen bijdrage van € 1.113,61 per 11 februari 2009 doorgevoerd.

2.2 In beroep is namens eiseres aangevoerd dat verweerder veel te lang gewacht heeft met het herzieningsbesluit waarbij de definitieve eigen bijdrage is gecorrigeerd. Bovendien is verweerder, ondanks de in het bestreden besluit vermelde wijzigingen, opnieuw uitgegaan van onjuiste berekeningen, zodat ook het gewijzigde en verlaagde invorderingsbedrag onjuist is vastgesteld. Ten slotte is gewezen op de onzorgvuldige handelwijze van verweerder ten aanzien van diverse berekeningen en facturen en is er volgens eiseres na afweging van alle belangen sprake van een onevenredig en onbillijk besluit.

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de eigen bijdrage over het jaar 2009 van

€ 1.113,61 volgt uit de berekeningsmethode van het Bijdragebesluit Zorg, waarvan verweerder niet kan afwijken. Voorts is gesteld dat verweerder bij het uitoefenen van de bevoegdheid om te beslissen over de invordering van een rechtmatig vastgestelde eigen bijdrage de belangen van eiseres op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft afgewogen, hetgeen heeft geleid tot een kwijtschelding van 25% van de invordering van de eigen bijdrage over 2009.

2.4 De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat voor het verblijf van eiseres in [zorginstelling] op grond van het bepaalde bij en krachtens de AWBZ een eigen bijdrage verschuldigd was. Evenmin is tussen partijen in geschil dat CAK met ingang van 11 februari 2009 de eigen bijdrage ten onrechte heeft vastgesteld ingevolge het bepaalde in artikel 14 van het Bijdragebesluit zorg, de zogenoemde lage eigen bijdrage. In geschil is slechts de vraag of het met terugwerkende kracht (hoger) vaststellen van de eigen bijdrage door CAK rechtens geoorloofd is.

Naar vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 30 juli 2008, LJN BD9312) komt aan een bestuursorgaan in beginsel de bevoegdheid toe een gemaakte fout te herstellen, mits het daartoe strekkende besluit niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel.

Ook al kan worden toegegeven dat de gevalsbehandeling door het CAK in het geval van eiseres bijzonder ongelukkig is geweest, is de rechtbank van oordeel dat eiseres dan wel haar belangenbehartiger rekening had kunnen en moeten houden met een wijziging van de eerder op 22 juni 2009 vastgestelde lage eigen bijdrage met ingang van 11 februari 2009.

De rechtbank acht daarbij van belang dat het voor eiseres, althans voor haar zoon die haar belangen ten tijde in geding feitelijk behandelde, gelet op het verhandelde ter zitting duidelijk was dat naar aanleiding van de wijziging per 11 februari 2009 van‘revalidatie’ in ‘langdurig verblijf’ dat niet de lage, maar de hoge, eigen bijdrage had moeten worden opgelegd.

De herziening van de eigen bijdrage met een terugwerkende kracht tot 11 februari 2009 is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet strijdig te achten met de rechtszekerheid. Het beroep is in zoverre ongegrond.

2.5 Overeenkomstig vaste jurisprudentie heeft verweerder de factuur van 26 maart 2010 als invorderingsbesluit gekwalificeerd, waartegen de rechtsmiddelen van de Awb openstaan. Uit vaste jurisprudentie volgt dat een besluit tot invordering moet berusten op een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4, eerste en tweede lid, van de Awb. De uitoefening van de bevoegdheid tot invordering mag geen automatisme zijn en moet worden uitgeoefend met inachtneming van het geschreven en ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot een evenredige belangenafweging.

De rechtbank ziet zich aldus gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de met terugwerkende kracht tot 11 februari 2009 vastgestelde eigen bijdrage in te vorderen op een wijze als in het bestreden besluit is vervat. Verweerder heeft daarbij de oorspronkelijke vordering met een percentage van 25 verlaagd tot een bedrag van € 7.293,67, daarbij rekening houdend met zijn eigen aandeel in de ontstane situatie.

De rechtbank constateert in dit verband allereerst dat het percentage van 25 niet berust op beleid van verweerder dat geacht kan worden een belangenafweging in abstracto te bevatten, terwijl evenmin blijkt waarop het percentage van 25 in het individuele geval van eiseres is gebaseerd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat een objectieve maatstaf vooralsnog niet aan het bestreden invorderingsbesluit ten grondslag is gelegd, althans niet op een kenbare wijze die als voldoende draagkrachtige motivering kan gelden, zoals vereist in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank is van oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarin een invorderings-bedrag ten gevolge van in verweerders risicosfeer liggende omstandigheden onnodig hoog is opgelopen, aansluiting kan worden gezocht bij de door de CRvB ontwikkelde ‘zesmaandenjurisprudentie’ Die jurisprudentie houdt kort gezegd in dat een bestuursorgaan in een situatie dat van schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is, vanaf het moment dat het over alle relevante informatie beschikte om tot correcte besluitvorming over te kunnen gaan daarvoor maximaal zes maanden tijd wordt gegund. De vordering die gemoeid is met de tijd die het bestuursorgaan gebruikt na afloop van deze periode van zes maanden kan vanuit een redelijke belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 Awb niet meer worden afgewenteld op een belanghebbende.

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting beschikte verweerder reeds op 4 maart 2009 over de informatie dat de hoge eigen bijdrage in het geval van eiseres diende te worden toegepast, echter is de eigen bijdrage tengevolge van interne ICT-problemen eerst op 10 maart 2010 aangepast.

Voor de onderhavige situatie betekent dit dat verweerder in het kader van zijn bevoegdheidshantering de eigen bijdrage nog kan invorderen met betrekking tot de periode die eindigde zes maanden, gerekend vanaf 4 maart 2009, dus tot en met 3 september 2009. Verweerder kan derhalve in redelijkheid niet overgaan tot invordering van de bijdrage die betrekking heeft op de periode vanaf 4 september 2009.

Gelet op het vorenstaande dient het besluit, voor zover gericht tegen het in te vorderen bedrag, te worden vernietigd. Het beroep is in zoverre gegrond. Verweerder zal met betrekking tot het in te vorderen bedrag nader op het bezwaar dienen te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

2.6 De rechtbank ziet in de vernietiging van het bestreden besluit aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die namens eiseres in verband met de behandeling van het beroep zijn gemaakt. Met toepassing van de artikelen 1, onderdeel d, en 2, eerste lid onderdeel d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden de gemaakte verletkosten vastgesteld op € 265,45 (5 uur x het maximale uurtarief van € 53,09). Gelet op de limitatieve opsomming in het Bpb komen de kosten verband houdend met het opstellen van de verklaring van erfrecht niet voor vergoeding in aanmerking.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de invordering van de eigen bijdrage, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

- bepaalt dat verweerder met betrekking tot de hoogte van het in te vorderen bedrag nader op het bezwaar beslist, met inachtneming van deze uitspraak;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- bepaalt dat verweerder het gestorte griffierecht van € 41 aan de eisende partij vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van de eisende partij tot een bedrag van € 265,45.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.J.M. Weyers, voorzitter, en

mrs. A.L.M. Steinebach-de Wit en C.W.C.A. Bruggeman, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 november 2011.