Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU6941

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
06/940203-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt minderjarige jongen voor meerdere inbraken en diefstallen in Eibergen tot een jeugddetentie van 68 dagen, waarvan 30 voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. Daarnaast moet hij een schadevergoeding betalen. Zie uitspraak BU6949 voor medeverdachte B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector strafrecht

Meervoudige kamer voor jeugdstrafzaken

Parketnummers: 06/940203-11

Uitspraak d.d.: 6 december 2011

Tegenspraak/nip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte A],

geboren te [plaats, 1994],

wonende te [adres],

Raadsman: mr. Willemse, advocaat te Ulft.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 22 november 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 20 januari 2011 tot en met 24 januari 2011

te Eibergen, gemeente Berkelland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

vanaf een in de parkeergarage Koningsbult gestalde fiets (merk Cube, type Pure

White) heeft weggenomen een voorlamp en/of een achterlamp en/of een zadel met

zadelpen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 23 januari 2011 tot en met 24 januari 2011

te Eibergen, gemeente Berkelland, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een (zwarte) (oma)fiets (merk Gazelle), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 februari

2011 tot en met 20 februari 2011 te Eibergen, gemeente Berkelland, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,(telkens) met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een aantal

fiets(en), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of [slachtoffer E] en/of [slachtoffer F]

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 19 februari 2011 tot en met 20 februari

2011 te Eibergen, gemeente Berkelland, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

in/uit een aan de [adres] geparkeerd staande (personen)auto

(Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken]) heeft weggenomen

een (auto)radio en/of een (grijze) koffer met inhoud, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer D], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

5.

hij in of omstreeks de periode van 25 februari 2011 tot en met 26 februari

2011 te Eibergen, gemeente Berkelland, tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

heeft weggenomen één of meerdere krat(ten) bier, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer G], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

6.

hij in of omstreeks de periode van 13 april 2011 tot en met 14 april 2011 te

Eibergen, gemeente Berkelland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

in/uit een tuin (behorende bij de woning gelegen aan de [adres]) heeft

weggenomen een scooter (merk Peugeot, type Vivacity voorzien van kenteken

[kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer H], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak

en/of verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 03 februari 2011 te Eibergen, gemeente Berkelland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een sleutebos, althans één of meerdere sleutel(s),, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer I], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1, 2, 3, 4 en 6. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat er voor ieder feit een aangifte is en dat verdachte de feiten 1, 2, 3 en 6 heeft erkend.

Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie verzocht tot bewezenverklaring, nu verdachte niet alleen de deur van de auto heeft opengehouden, maar ook heeft gevoeld of de deur open was en dit aan medeverdachte [verdachte C] heeft verteld, wat hem medepleger van de diefstal maakt. Bovendien heeft de officier van justitie gesteld dat er twee verklaringen in het dossier zijn die melding maken van een gestolen koffier, waardoor ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen kan worden.

De officier van justitie verzoekt verdachte vrij te spreken van feit 5, nu de in de aangifte vermelde datum en het aantal kratten bier dat is ontvreemd niet overeenkomen met de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte. Voorts verzoekt zij verdachte vrij te spreken van feit 7, nu verdachte consequent is in zijn verklaring dat hij die avond als medeplichtige heeft opgetreden en niet als medepleger.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor bewezenverklaring van de feiten 1, 2, en 6.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman gesteld dat hij de diefstal van de fiets van aangeefster [slachtoffer F] niet kan koppelen aan de verklaring van verdachte.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman gesteld dat verdachte alleen de deur van de auto heeft opengehouden, waardoor zijn rol minimaal is geweest, en verdachte hooguit als medeplichtige zou kunnen worden bestempeld, wat niet ten laste is gelegd. Bovendien is er in de aangifte alleen sprake van een autoradio en niet van een koffer.

Ten aanzien van feit 5 verzoekt de raadsman verdachte vrij te spreken, nu datum en het aantal kratten bier in de aangifte niet overeenkomen met de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte.

Voor feit 7 vraagt de raadsman eveneens vrijspraak, nu de opzet op samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte ontbreekt.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 5 tenlastegelegde heeft begaan, aangezien de in de aangifte genoemde datum van de diefstal en het aantal kratten bier dat is weggenomen niet strookt met de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachte. De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken.

De feiten 1, 2, 3 en 6

Aangezien verdachte de feiten 1, 2, 3 en 6 duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, is volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering.

Feit 1

* de aangifte van [slachtoffer A]2;

* de bekennende verklaring van verdachte3 waarin hij verklaart dat hij in de periode van 20 januari 2011 tot en met 24 januari 2011 te Eibergen samen met medeverdachte [verdachte B] in een parkeergarage een voorlamp, achterlamp en een zadel met zadelpen van een witte herenfiets heeft afgehaald en meegenomen;

* de bekennende verklaring van medeverdachte [verdachte B]4 waarin hij verklaart dat hij in de periode van 20 januari 2011 tot en met 24 januari 2011 te Eibergen samen met verdachte in een parkeergarage een lamp en een zadel van een witte herenfiets heeft afgehaald en meegenomen.

Feit 2

* de aangifte van [slachtoffer B]5;

* de bekennende verklaring van verdachte6 waarin hij verklaart dat hij in de periode van 23 januari 2011 tot en met 24 januari 2011 te Eibergen een zwarte omafiets heeft gestolen;

Feit 3

* de aangiftes van [slachtoffer E], [slachtoffer C], [slachtoffer D] en [slachtoffer F]7;

* de bekennende verklaring van verdachte8 waarin hij verklaart dat hij in de periode van 19 februari tot en met 20 februari 2011 samen met medeverdachte [verdachte C] ongeveer vijf fietsen heeft weggenomen bij woningen in Eibergen;

* de bekennende verklaring van medeverdachte [verdachte C]9 waarin hij verklaart dat hij in de nacht van 19 februari tot en met 20 februari 2011 samen met verdachte diverse fietsen heeft weggenomen bij woningen in Eibergen.

Feit 6

* de aangifte van [slachtoffer H]10;

* de bekennende verklaring van verdachte11 waarin hij verklaart dat hij samen met medeverdachte [medeverdachte C] in de periode van 13 april 2011 tot en met 14 april 2011

een scooter, merk Peugeot Vivacity, heeft gestolen in Eibergen.

De feiten 4 en 7

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor het tenlastegelegde onder feit 4 en feit 7. Zij acht daartoe de volgende bewijsmiddelen redengevend.

Feit 4

Aangeefster [slachtoffer D] heeft verklaard dat in de nacht van 19 februari tot en met 20 februari 2011 in Eibergen uit haar auto een autoradio is gestolen12. Verdachte heeft verklaard dat hij in de nacht van 19 op 20 februari 2011 in Eibergen aan de kofferbak van een auto heeft gevoeld en dat deze open was. Hij heeft dit aan medeverdachte [verdachte C] verteld en hij zag dat [verdachte C] via het passagiersportier de auto inging en de autoradio eruit haalde. Daarna zag hij hoe [verdachte C] naar de kofferbak ging en een grijze koffer uit de kofferbak haalde. Verdachte heeft vervolgens de kofferbak weer dicht gedaan. Verdachte en medeverdachte [verdachte C] hebben de inhoud van de grijze koffer weggegooid en hebben de koffer en de radio gehouden omdat ze van plan waren die te verkopen.13 Medeverdachte [verdachte C] heeft verklaard dat hij samen met verdachte een autoradio uit een auto heeft gestolen in Eibergen en dat hij in de kofferbak van een auto een koffertje heeft zien liggen14.

De rechtbank is op grond van de aangifte en de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte van oordeel dat verdachte en medeverdachte [verdachte C] opzet hadden op het stelen van de goederen als tenlastegelegd en dat zij op een zodanige wijze hebben samengewerkt dat er sprake is van medeplegen.

Feit 7

Aangeefster [slachtoffer I] heeft verklaard dat op 3 februari 2011 in Eibergen uit haar tas die in de kleedkamer van een gymzaal lag een bos sleutels is gestolen15. Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte [verdachte C] bij een gymzaal naar binnen ging en dat verdachte de toegangsdeur heeft opengedaan en heeft gezien hoe [verdachte C] de dameskleedkamers is binnengegaan en terugkwam met een tas met daarin o.a. een bos sleutels, waaronder de autosleutel van een Ford16. Medeverdachte [verdachte C] heeft verklaard dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij in de kleedkamer wilde gaan kijken of er nog geld lag en dat [verdachte C] het gebouw in is gegaan, terwijl verdachte bij de deur bleef staan en die deur voor [verdachte C] openhield en [verdachte C] toeriep dat hij een tas moest meenemen vanuit de kleedkamer. [verdachte C] heeft toen een tas meegenomen, waarin o.a. autosleutels zaten van een Ford17. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door mee te gaan met medeverdachte [verdachte C] en bij de toegangsdeur te blijven staan en die deur voor [verdachte C] open te houden, terwijl hij wist dat [verdachte C] bij de gymzaal naar binnen ging om iets te stelen en verdachte bovendien al eerder samen met medeverdachte diefstallen had gepleegd, medepleger is van de diefstal als tenlastegelegd.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1, 2, 3, 4, 6 en 7 heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de periode van 20 januari 2011 tot en met 24 januari 2011 te Eibergen, gemeente Berkelland, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een in de parkeergarage Koningsbult gestalde fiets (merk Cube, type Pure

White) heeft weggenomen een voorlamp en een achterlamp en een zadel met zadelpen, toebehorende aan [slachtoffer A];

2.

hij in de periode van 23 januari 2011 tot en met 24 januari 2011 te Eibergen, gemeente Berkelland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een zwarte omafiets (merk Gazelle), toebehorende aan [slachtoffer B];

3.

hij op tijdstippen in de periode van 19 februari 2011 tot en met 20 februari 2011 te Eibergen, gemeente Berkelland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aantal

fietsen, toebehorende aan [slachtoffe[slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] en/of [slachtoffer E] en/of [slachtoffer F];

4.

hij in de periode van 19 februari 2011 tot en met 20 februari 2011 te Eibergen, gemeente Berkelland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de [adres] geparkeerd staande (personen)auto Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken] heeft weggenomen een autoradio en een grijze koffer met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer D];

6.

hij in de periode van 13 april 2011 tot en met 14 april 2011 te Eibergen, gemeente Berkelland, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een tuin behorende bij de woning gelegen aan de [adres] heeft

weggenomen een scooter merk Peugeot, type Vivacity voorzien van kenteken

[kenteken] toebehorende aan [slachtoffer H], waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

7.

hij op 03 februari 2011 te Eibergen, gemeente Berkelland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een sleutelbos, toebehorende aan [slachtoffer I].

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1, 3, 4 en 7: diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

Feit 2: diefstal

Feit 6: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Over de persoon van verdachte is op 17 november 2011 door de Raad voor de Kinderbescherming een rapportage opgemaakt waarin naar voren komt dat er in 2010 een pro justitia rapportage is uitgebracht. Verdachte blijkt in psycho-diagnostische zin cognitief benedengemiddeld te scoren en niet goed gehecht te zijn en een gedragsstoornis te hebben. In de pro justitia rapportage is destijds geconcludeerd dat verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar was en de kans op recidive hoog. Uit het raadsrapport blijkt voorts dat verdachte vanaf 9 juni 2011 bij Rentray te Rekken verblijft en dat het daar goed gaat.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een jeugddetentie van 68 dagen met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan de proeftijd dient de bijzondere voorwaarde te worden gekoppeld dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen hem te geven door de jeugdreclassering. De officier van justitie verzoekt de rechtbank rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en dat art. 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht in geval van bewezenverklaring van de feiten bij de strafmaat rekening te houden met de aanzienlijke tijd dat verdachte in voorarrest heeft gezeten. Daarnaast verzoekt hij de rechtbank rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en met het feit dat verdachte zich goed houdt aan de schorsingsvoorwaarden die hem zijn opgelegd bij de schorsing van de voorlopige hechtenis. Ook heeft hij de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat art. 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf meegewogen dat verdachte reeds enige tijd heeft vastgezeten in voorlopige hechtenis voor de onderhavige feiten. De rechtbank houdt tevens rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Alles in aanmerking nemend komt de rechtbank voor de tenlastegelegde feiten tot oplegging van een jeugddetentie van 68 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Aan de proeftijd is de bijzondere voorwaarde gekoppeld dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen hem te geven door de jeugdreclassering.

Vordering tot schadevergoeding

Feit 1:

De benadeelde partij [slachtoffer A] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 850,- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde.

Feit 3:

De benadeelde partij [slachtoffer F] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 50,- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer A] ten aanzien van feit 1 niet ontvankelijk te verklaren. De vordering is niet duidelijk gespecificeerd en leent zich daardoor niet voor behandeling in een strafgeding.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer F] hoofdelijk toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de bij feit 1 ingediende vordering van benadeelde partij [slachtoffer A] af te wijzen nu niet duidelijk gespecificeerd wordt welke kosten er zijn gemaakt. De benadeelde [slachtoffer F] die bij feit 3 een vordering heeft ingediend dient volgens de raadsman niet ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering nu de diefstal van de fiets niet aan verdachte gekoppeld kan worden.

Ten aanzien van feit 1 zal de benadeelde partij [slachtoffer A] niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu niet duidelijk is waarom het wegnemen van een viertal relatief kleine onderdelen van een fiets een schade zou opleveren van € 850,-- en daarom de behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. NB alternatief: niet eenvoudig van aard. SD

Ten aanzien van feit 3 is naar het oordeel van de rechtbank, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer F] als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks tot het gevorderde bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 24a, 27, 36f, 47, 63, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 6 en 7 ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1, 3, 4 en 7: diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

Feit 2: diefstal

Feit 6: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 68 (achtenzestig) dagen;

* beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf in mindering wordt gebracht;

* bepaalt, dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 30 (dertig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde

o zich binnen 5 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij Bureau Jeugdzorg;

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

o zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Jeugdreclassering;

* Bepaalt dat de benadeelde partij ten aanzien van feit 1, [slachtoffer A] niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.

* veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer F], [adres], rekeningnummer [nummer] van een bedrag van € 50,-, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer F] een bedrag te betalen van € 50,-, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* heft op het bevel tot voorlopige hechtenis;

Aldus gewezen door mrs. Ouweneel, voorzitter, Van Apeldoorn en Djebali, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Erp-Noordenbos, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 december 2011.

Eindnoten

1Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PLO645 2011077244, Regio Noord- en Oost Gelderland, Divisie Executieve ondersteuning, gesloten en ondertekend op 6 juni 2011 te Borculo.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A], pagina 456-459

3 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 463-465

4 Proces-verbaal verhoor medeverdachte [verda[verdachte C], pagina. 460-462

5 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer B], pagina 447-450

6 Proces-verbaal verklaring verdachte, pagina 453-454

7 Proces-verbaal aangiften [slachtoffer E], [slachtoffer C], [slachtoffer D] en [slachtoffer F], pagina's 272, 285, 298 en 311

8 Proces-verbaal verklaring verdachte, pagina 292-296

9 Proces-verbaal verklaring medeverdachte [verda[verdachte C], pagina 302-304

10 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer H], pagina 385-387

11 Proces-verbaal verklaring verdachte, pagina 393-395

12 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer D], pagina 369-372

13 Proces-verbaal verklaring verdachte, pagina 374

14 Proces-verbaal verklaring medeverdachte [verda[verdachte C], pagina 376-380

15 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer I], pagina 470-474

16 Proces-verbaal verklaring verdachte, pagina 477-478

17 Proces-verbaal verklaring medeverdachte [verda[verdachte C], pagina 476