Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU6835

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
122981 - HA RK 11-50
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil letsel- en overlijdensschade. Tussentijdse bevoorschotting buitengerechtelijke kosten in het onderhavige geval aan te merken als deelgeschil. Inhoudelijke beoordeling, met name uurtarief.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1019w
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/28

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Handel

zaaknummer / rekestnummer: 122981 / HA RK 11-50

Beschikking van 17 november 2011

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker,

advocaat mr. J.H. Lefers te Enschede,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

verweerster,

advocaat mr. E.C. Kleverlaan te ’s-Gravenhage.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift

- de mondelinge behandeling op 20 oktober 2011.

2. De feiten

2.1. [verzoeker] is op 28 juli 1999 een auto-ongeval overkomen. Daarbij heeft een verzekerde van Aegon de auto van [verzoeker] van achteren aangereden. Aegon heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. Naast [verzoeker] raakte ook zijn echtgenote gewond als gevolg van het ongeval. De letselschade van zijn echtgenote is inmiddels afgewikkeld.

2.2. [verzoeker] is boer. Hij heeft na het ongeval de biodynamische boerderij van zijn ouders overgenomen en gemoderniseerd.

2.3. Op verzoek van [verzoeker] heeft de rechtbank bij beschikking van 18 mei 2009 een voorlopig deskundigenbericht gelast door E. Oosterhoff, neuroloog. In zijn voorlopig deskundigenbericht van 4 februari 2010 heeft Oosterhoff onder meer geconcludeerd dat het goed mogelijk is dat [verzoeker] bij het ongeval een acceleratie-deceleratietrauma van de nek heeft opgelopen, met daarna de ontwikkeling van een postwhiplashsyndroom. Verder is volgens Oosterhoff sprake van een gedurende het beloop na het ongeval ontwikkeld depressief toestandbeeld. Tijdens zijn onderzoek heeft hij bij [verzoeker] geen duidelijke symptomen van een depressief syndroom gezien. De beperkingen die [verzoeker] als gevolg van het ongeval ondervindt, hebben volgens Oosterhoff met name betrekking op belemmeringen die hij ondervindt bij het verrichten van lichamelijk zware nek- en schouderbelastende activiteiten die bovendien langdurig volgehouden en chronisch herhaald moeten worden.

2.4. Aegon heeft de schaderegeling vervolgens op basis van het voorlopig deskundigenrapport ter hand genomen. Zij heeft de schadebehandeling overdragen aan de heer Schönherr van Andriessen Expertise (hierna: Schörherr).

2.5. Sinds april 2010 behartigt mr. Lefers de belangen van [verzoeker]. Hij heeft de zaak overgenomen van een kantoorgenoot.

2.6. Er is een discussie tussen Aegon en mr. Lefers ontstaan over het door mr. Lefers gedeclareerde uurtarief. Mr. Lefers heeft in 2010 gedeclareerd op basis van een uurtarief van € 250,- exclusief kantoorkosten en BTW, in 2011 (in eerste instantie) op basis van een uurtarief van € 255,-. Aegon voerde in 2010 het beleid dat een bedrag van € 210,- inclusief kantoorkosten en exclusief BTW wordt bevoorschot voor buitengerechtelijke kosten. Begin 2011 is dit bedrag opgehoogd naar € 215,- en vanaf 1 september 2011 naar € 230,-.

2.7. In een brief van 14 september 2010 aan mr. Lefers heeft Schönherr uiteengezet dat in het onderhavige geval een uitgebreid onderzoek door een arbeidsdeskundige dient plaats te vinden om de schade als gevolg van het ongeval vast te stellen. Hij heeft namens Aegon voorgesteld de schade van [verzoeker] finaal af te wikkelen tegen een vergoeding van € 150.000,- exclusief buitengerechtelijke kosten. Verder is onder meer vermeld:

“ (…) Tot besluit kan ik u meedelen dat met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten ik aan mijn opdrachtgever heb geadviseerd om hierop € 15.000,- te bevoorschotten. Het is u inmiddels bekend dat Aegon het beleid uitdraagt van een uurtarief van € 210,- inclusief kantoorkosten. Wanneer de schade zich in de afrondingsfase bevindt, zal ook aandacht worden besteed aan de component vergoeding buitengerechtelijke kosten.”

2.8. In zijn reactie van 20 september 2010 heeft mr. Lefers het voorstel afgewezen. Onder verwijzing naar een artikel van mr. Roth in Letsel & Schade en de Recofa-richtlijnen in faillissementen heeft hij tevens gesteld dat een uurtarief van € 350,- per uur acceptabel is. Hij heeft voorgesteld dat hij de tot dan gedeclareerde uren aanvullend zal declareren tot dit bedrag en dat dit bedrag voorlopig als uurtarief wordt aangehouden, waarbij aan het einde van het schaderegelingstraject kan worden gekeken of nog een verdere aanpassing nodig is.

2.9. Bij brief van 19 oktober 2010 heeft mr. Lefers een klacht ingediend bij de directie van Aegon over de behandeling van het dossier. Hij is daarbij met name ingegaan op het door Aegon gevoerde beleid ten aanzien van de bevoorschotting van buitengerechtelijke kosten. Hij heeft daarbij onder meer geschreven:

“Samengevat wil ik dan ook gaarne zien dat nu thans eerst de discussie over de buitengerechtelijke kosten voorlopig wordt opgelost. Ik wil dan ook omgaand van u bericht ontvangen dat een uurtarief van € 350,- als voorlopig eerste tarief reëel is. Vervolgens gaan wij kijken of aan het einde van de rit een opslag noodzakelijk is. Ik wil dan ook in dit dossier de kosten die tot nu toe in rekening gebracht zijn met terugwerkende kracht verhogen tot dit tarief en vraag allereerst om betaling van de inmiddels door mij gedeclareerde werkzaamheden die gedeclareerd zijn op basis van het werkelijk uurtarief. Dat ook dit bedrag nog niet is betaald is zonder meer niet reëel.

Als deze discussie is opgelost wil ik gaarne met de heer Schönherr verder praten over een verdere aanpak in het onderhavige dossier. (…)”

2.10. In een reactie van 2 november 2010 heeft Aegon onder meer het volgende naar voren gebracht:

“Het uurtarief waarnaar door de heer Schönherr is verwezen, is niet alleen gebaseerd op beleid van AEGON, maar ook op hetgeen naar de ervaring van AEGON gebruikelijk is in de branche. Voor het (voorlopig) hanteren van een aanzienlijk hoger uurtarief zie ik geen goede grond.

Bij buitengerechtelijke kosten staat voorop dat het gaat om schade van de benadeelde. Die schade zal door de aansprakelijke partij vergoed moeten worden, met inachtneming van de dubbele redelijkheidstoets. Daaraan doet niet af dat in letselschadezaken doorgaans rechtstreeks bij de verzekeraar wordt gedeclareerd. Uitgangspunt is dat het moet gaan om de kosten die de benadeelde heeft moeten maken om zijn vordering te incasseren.

Dat betekent dat gekeken moet worden naar het uurtarief dat u bij de heer [verzoeker] in rekening zou hebben gebracht. Nu draait u het om en wilt u uw gebruikelijke uurtarief (€ 250,-) oprekken naar wat nog redelijk geacht zou worden in de letselschadebranche. Daarmee gaat u voorbij aan het feit dat u dit uurtarief niet aan de heer [verzoeker] rekent en ook niet zou hebben gerekend. In de tot op heden ingediende declaraties hanteren u, uw medewerkers en ook uw voorganger het bij uw kantoor gangbare tarief. Ik zie niet in, waarom daarvan zou moeten worden afgeweken.

Overigens is de discussie over het uurtarief zeker niet allesbepalend. Ook van belang is immers het aantal uur dat gedeclareerd wordt. Uiteindelijk zal bekeken moeten worden of het totaal in rekening gebrachte bedrag redelijk was in verhouding tot het verrichte werk. Dat valt pas aan het eind van de rit goed te beoordelen. Daarom heeft de heer Schönherr ook aangegeven dat het door AEGON betaalde bedrag een voorschot is. De definitieve beoordeling van de gevorderde kosten zal nog gemaakt moeten worden.”

En verder:

“Om de benodigde vaart in deze zaak te blijven houden is AEGON bereid om het reeds betaalde voorschot op de buitengerechtelijke kosten aan te vullen tot het oorspronkelijk door u gedeclareerde bedrag. Tijdens de loop van de zaak zal uiteraard aanvullend bevoorschot worden. Aan het einde van de rit kan dan worden bezien of de totale namens de heer [verzoeker] gevorderde kosten de dubbele redelijkheidtoets kunnen doorstaan.”

2.11. Bij brief van 8 november 2010 heeft mr. Lefers Aegon wederom gevraagd te onderbouwen waarom het door hem genoemde voorlopige uurtarief in de onderhavige zaak niet redelijk zou zijn. Aegon heeft hierop gereageerd bij brief van 25 november 2010. Zij heeft haar standpunt herhaald.

2.12. Tijdens een bespreking op 21 januari 2011 heeft Aegon zich, in afwijking van het door haar gehanteerde beleid, bereid verklaard om in de onderhavige zaak een uurtarief van € 250,00 exclusief kantoorkosten en BTW als voorschot te betalen. Daarbij is meegedeeld dat als de schade is afgewikkeld zal worden bezien of het totaalbedrag redelijk is.

2.13. Bij brief van 3 februari 2011 is mr. Lefers onder meer teruggekomen op de buitengerechtelijke kosten. Hij heeft daarbij naar voren gebracht dat Aegon op geen enkele wijze zijn argumenten om in dit geval voorlopig uit te gaan van een tarief van € 300,- exclusief kantoorkosten en BTW, heeft weerlegd.

2.14. Bij brief van 4 februari 2011 heeft mr. Lefers twee declaraties aan Aegon gezonden betreffende de periode 6 januari 2011 tot en met 28 januari 2011 en de periode 31 januari 2011 tot en met 24 februari 2011. Hierbij is een uurtarief van € 255,- gehanteerd. Aegon heeft de declaraties vergoed conform het toegezegde uurtarief van € 250,-.

2.15. Bij brief van 28 februari 2011 heeft mr. Lefers Aegon onder meer bericht:

“Mijn kantoor heeft inmiddels een opdrachtbevestiging laten tekenen door de heer [verzoeker] waar in ieder geval het tarief van 2011 vast staat. (…). In de lijn van de jurisprudentie die is vastgelegd in de door mij aan u ter beschikking gestelde artikelen komt het mij voor dat dit een zeer gangbaar standaard tarief is [voor, rechtbank] een zaak van de onderhavige complexiteit. Nu ook de omvang van de schade toch wel als zeer groot dient te worden aangemerkt en de complexiteit in de komende tijd alleen nog maar verder zal toenemen met de inschakeling van alle deskundigen die hun licht nog over deze zaak dienen te werpen, acht ik een uurtarief van € 325,- met terugwerkende kracht vanaf 1 januari van dit jaar zeer reëel. Ik zal over 2011 dan ook dit bedrag hanteren en aanvullend factureren over de werkzaamheden die ik u reeds in rekening heb gebracht. Vanaf dit moment zal ik dit bedrag dan ook hanteren.”

Bij de brief is gevoegd een door [verzoeker] op 31 januari 2011 ondertekende opdrachtbevestiging, waarin hij zich onder meer akkoord verklaard met een basisuurtarief van € 255,- exclusief 6% kantoorkosten en BTW in 2011, te vermenigvuldigen met een specialisatiefactor waarvan de hoogte afhankelijk is van het financieel belang van de zaak.

Mr. Lefers heeft Aegon in dezelfde brief gesommeerd het resterende gedeelte van zijn factuur van 4 februari 2011 binnen 14 dagen te betalen.

2.16. Bij brief van 4 maart 2011 aan Schönherr heeft mr. Lefers een aanvullende declaratie gevoegd, waarin met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2011 een uurtarief van € 325,- wordt berekend.

2.17. Aegon heeft een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek ingediend ter vaststelling van de bedrijfseconomische schade van [verzoeker]. De mondelinge behandeling van dit verzoek heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2011.

3. Het geschil

3.1. [verzoeker] heeft op grond van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) - samengevat - verzocht te oordelen dat:

- Aegon gehouden is om als basisuurtarief aan de belangenbehartiger van verzoeker een bedrag te voldoen van € 255,00 exclusief 6% kantoorkosten en exclusief 19% BTW als zijnde het tarief voor 2011;

- Aegon gehouden is om ter zake van buitengerechtelijke kosten aan [verzoeker] te voldoen het uurtarief dat door JPR Advocaten in rekening is gebracht, te vermeerderen met een factor 1,4,

dit met veroordeling van Aegon in de kosten van de procedure.

3.2. [verzoeker] legt aan zijn verzoek - kort samengevat - het volgende ten grondslag.

Een tarief van € 350,- althans € 325,- exclusief 6% kantoorkosten en 19% BTW is redelijk, gelet op de specialisatie en ervaring van mr. Lefers en de omvang van de schade. Het gaat bovendien om een bijzonder ingewikkelde zaak. [verzoeker] is een ondernemer die werkzaam was in een familiebedrijf en na zijn ongeval noodgedwongen zijn echtgenote moest ondersteunen. Hij heeft vervolgens het bedrijf overgenomen en gemoderniseerd. Hij is secundair gevictimiseerd geraakt door de wijze waarop Aegon het schadedossier behandelt en moet ook thans nog met de verzekeraar in discussie over de schadevaststelling. Nu de kwestie nog geruime tijd gaat duren en nog veel onderzoeken nodig zijn, is Aegon gehouden een verhoging te betalen op het uurtarief, zodat de kosten worden voldaan. Er is bovendien sprake van een opdrachtbevestiging van [verzoeker]. Ter onderbouwing is verder gewezen op de Recofa-richtlijnen en de richtlijnen van de ASP.

Aegon heeft niet uitgelegd waarom het uurtarief van Lefers niet redelijk zou zijn. Aegon heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat € 210,-/€ 215,- inclusief kantoorkosten een gangbaar tarief is. Het tarief is niet redelijk, vooral niet in onderhavige zaak waarin door de weigerachtige houding van Aegon een situatie is ontstaan dat pas 10 jaar na het ongeval is gestart met het regelen van de schade. Partijen hebben voortgang geboekt bij het inschakelen van derden om de schade in beeld te brengen. Ook daar resteren nog wat pijnpunten, maar de verwachting is dat partijen daar uit kunnen komen.

De kosten van het opstellen van het verzoekschrift en de voorbereiding van de behandeling bedragen € 1.844,80 inclusief kantoorkosten en BTW. Daarbij is uitgegaan van een uurtarief van € 325,00. Hier komen bij de kosten voor de mondelinge behandeling, de voorbereidingstijd en de reistijd, geschat op in totaal 6 uur.

3.3. Aegon heeft ten verwere het navolgende aangevoerd.

Er is geen sprake is van een deelgeschil. Niet valt in te zien hoe de discussie over een voorschot op de buitengerechtelijke kosten kan leiden tot een vaststellingsovereenkomst. De verzochte bevoorschotting ligt te ver af van de totstandkoming van een minnelijke regeling over vergoeding van de letselschade. Ook over wezenlijke andere geschilpunten (de te benoemen deskundigen voor het bedrijfseconomisch onderzoek en de psychiatrische expertise, (inkomens)schade en diverse schadeposten) is geen overeenstemming bereikt. Betwist wordt dat partijen er voor het overige uit zullen komen. Aegon heeft zelfs een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek ingediend.

Het uurtarief voldoet niet aan de dubbele redelijkheidstoets. De hoogte van het gepretendeerde uurtarief van € 357,- dan wel € 325,- is niet redelijk. Omdat vergoeding van buitengerechtelijke kosten niet is overeengekomen, kunnen de kosten alleen worden toegewezen wanneer ze daadwerkelijk zijn gemaakt. Dat is niet het geval. Mr. Lefers wenst het oorspronkelijk door hem en zijn voorgangers gedeclareerde tarief van € 250,- op te hogen naar € 350,-. Dit bedrag heeft hij niet bij zijn cliënt in rekening gebracht. De opdrachtbevestiging is geconstrueerd en dient terzijde te worden gelegd. De bevestiging is door mr. Lefers aan zijn cliënt voorgelegd naar aanleiding van de opmerking van Aegon dat mr. Lefers het gevraagde uurtarief nooit zou hebben gehanteerd ten opzichte van zijn cliënt. Mr. Lefers heeft nimmer het basistarief vermeerderd met de factor 1,4 bij zijn cliënt in rekening gebracht. De declaraties van 2011 gaan uit van een uurtarief van € 255,-.

[verzoeker] heeft bovendien niet voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht omdat hij akkoord is gegaan met een substantiële verhoging van het uurtarief en wel met terugwerkende kracht.

Gelet op de verrichtingen van mr. Lefers is een voorschot op basis van € 250,- meer dan redelijk, mede gelet op de verhouding tussen de werkzaamheden en het voorgeschoten bedrag aan buitengerechtelijke kosten ad € 28.764,-.

Een uurtarief boven € 250,- is ook niet redelijk te noemen omdat bovenmatig veel tijd aan de werkzaamheden is besteed. Dat wordt gerekend met partnertarief betekent dat de werkzaamheden minder tijd in beslag zouden moeten nemen.

Aan het einde van de zaak zal aan de hand van de dubbele redelijkheidtoets worden bekeken wat een redelijke vergoeding is waarbij complexiteit van de zaak, hoogte van de schade en de mate van efficiënte behandeling een rol spelen.

Het verzoek tot vaststelling van een basisuurtarief wordt niet begrepen, omdat de laatste declaraties uitgaan van een uurtarief van € 325,-. Bovendien is het verzoek te onbepaald, omdat mr. Lefers op een vastgesteld basisuurtarief diverse factoren los kan laten.

Het tweede verzoek dient ook afgewezen te worden omdat het impliceert dat met terugwerkende kracht aanspraak zou kunnen worden gemaakt op een bedrag van € 357,-.

De kosten van de procedure dienen ten laste van [verzoeker] te blijven, omdat een beslissing niet kan leiden tot een vaststellingsovereenkomst, alsmede vanwege de volledige gang van zaken, waaronder de constructie met de nieuwe opdrachtbevestiging. Verzocht wordt [verzoeker] in de proceskosten van Aegon te veroordelen omdat de procedure ten onrechte is geëntameerd. Er is sprake van misbruik van procesrecht omdat [verzoeker] had moeten weten dat zijn verzoek bij behoorlijk verweer zou worden afgewezen. Hem valt een ernstig verwijt te maken van de ongegrondheid van hetgeen in deze procedure wordt aangevoerd respectievelijk de zinloosheid van deze procedure.

Subsidiair geldt dat niet is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets. Bij begroting van kosten dient uitgegaan te worden van het gehanteerde voorschot van € 250,- per uur.

4. De beoordeling

4.1. Voor de bevoegdheid om te beslissen op een verzoek in het kader van de Wet deelgeschillen voor letsel- en overlijdensschade geldt op grond van artikel 1019x lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) dat de rechter bevoegd is die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak kennis te nemen, indien deze ten principale aanhangig wordt gemaakt.

Op grond van artikel 7 lid 1 van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorruituigen (WAM) kan de benadeelde van een verkeersongeval de verzekeraar van de aansprakelijke persoon onder andere dagvaarden voor de rechter van de woonplaats van de benadeelde. Nu [verzoeker] woonplaats heeft binnen het arrondissement van de rechtbank, is de rechtbank op grond van 1019x Rv bevoegd om op het verzoek in deze deelgeschilprocedure te beslissen.

4.2. Vraag is vervolgens of er sprake is van een deelgeschil als bedoeld in de wet. Ingevolge het bepaalde in artikel 1019w lid 1 Rv moet het gaan om een geschil over of in verband met een deel van hetgeen ter zake de aansprakelijkheid voor schade door dood en letsel als rechtens geldt tussen de benadeelde en degene die aansprakelijk wordt gehouden en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering van de benadeelde. In artikel 1019z Rv is bepaald dat de rechter het verzoek afwijst voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

In de parlementaire geschiedenis is in dit verband onder meer opgemerkt dat de rechterlijke uitspraak in een deelgeschilprocedure partijen in staat moet stellen de buitengerechtelijke onderhandelingen weer op te pakken en mogelijk definitief af te ronden (Kamerstukken II 2007/2008, 31 518, nr. 3 p. 2). Als ratio van de deelgeschilprocedure is genoemd de bevordering van de buitengerechtelijke onderhandelingen. Daarbij is opgemerkt dat de investering in tijd, geld en moeite moeten worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II 2007/2008, 31 518, nr. 3 p. 18). De rechter heeft hierbij een ruime beoordelingsvrijheid (Kamerstukken II 2007/2008, 31 518, nr. 8, p. 9).

4.3. Het verzoekschrift heeft alleen betrekking op de tussentijdse bevoorschotting van buitengerechtelijke kosten. In de parlementaire wetsgeschiedenis wordt een geschil over de tussentijdse vergoeding van buitengerechtelijke kosten uitdrukkelijk genoemd als voorbeeld van een mogelijk deelgeschil (Kamerstukken II 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 10, 16, 20 en 21). Partijen zijn al langere tijd verdeeld over het te hanteren uurtarief, hetgeen heeft geleid tot een impasse in het onderhandelingstraject. Voorts bestaat nog een aantal geschilpunten, zoals de benoeming van een psychiatrisch deskundige en (de hoogte van) diverse schadeposten. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de behandeling van het voorlopige verzoekschrift tot benoeming van een deskundige ter vaststelling van de bedrijfseconomische schade heeft geleid tot een vergelijk tussen partijen. Het geschil hierover is dus opgelost. Door een beslissing over het te hanteren uurtarief in de bevoorschotting kan de impasse in de onderhandelingen over de overige geschilpunten worden doorbroken en kunnen de buitengerechtelijke onderhandelingen weer worden opgepakt. Uit hetgeen is aangevoerd, blijkt dat partijen hiertoe ook bereid zijn. Een beslissing kan dus een bijdrage leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Derhalve zal het geschil over de buitengerechtelijke kosten in het onderhavige geval worden aangemerkt als een deelgeschil.

4.4. Bij de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van [verzoeker] wordt het volgende vooropgesteld.

Uitgangspunt is dat een slachtoffer van een ongeval jegens de partij die aansprakelijk is voor de gevolgen van dat ongeval, recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand. In de praktijk worden deze kosten veelal op basis van ingediende declaraties rechtstreeks door de verzekeraar van de aansprakelijke partij aan de rechtsbijstandverlener van het slachtoffer vergoed. Zo is het ook in deze zaak gebeurd.

Of gevorderde buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, wordt uiteindelijk bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW: vereist is dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk is en de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is om vergoeding van de schade te verkrijgen.

4.5. [verzoeker] verzoekt te bepalen dat Aegon gehouden is als basisuurtarief aan mr. Lefers een bedrag van € 255,00 te voldoen, zijnde het basisuurtarief voor 2011.

Op grond van het onder 4.4 genoemde uitgangspunt heeft Aegon terecht aangevoerd dat het door mr. Lefers aan [verzoeker] in rekening gebrachte tarief in beginsel bepalend is voor de bevoorschotting. Het basisuurtarief van mr. Lefers voor 2011 bedraagt € 255,00, hetgeen op zich als een redelijk tarief kan worden aangemerkt. Het is derhalve redelijk dat de buitengerechtelijke kosten worden bevoorschot op basis van dit uurtarief. Aegon heeft ten verwere aangevoerd dat zij een vast beleid heeft bij de bevoorschotting en dat zij hiervan behoudens uitzonderingen niet afwijkt. Niet wordt ingezien waarom een vast beleid van Aegon bepalend zou moeten zijn voor de hoogte van het uurtarief in het kader van bevoorschotting, mede gelet op het door Aegon zelf gevoerde verweer tegen de hoogte van het gevorderde uurtarief van mr. Lefers. Door tegen een basisuurtarief te bevoorschotten wordt op redelijke wijze voldaan aan het uitgangspunt dat een slachtoffer recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand. Voor [verzoeker] heeft bevoorschotting op basistarief het voordeel dat zijn schadebehandelaar een redelijke vergoeding ontvangt voor de verrichte werkzaamheden, zodat een discussie over de buitengerechtelijke kosten geen belemmerende factor in het schadetraject hoeft te vormen. Aegon heeft belang bij zodanige bevoorschotting van de buitengerechtelijke kosten dat in de eindfase van het letselschadetraject, rekening houdend met alle relevante factoren, een slotbetaling ter zake kan worden uitgekeerd. Een bevoorschotting op maximaal tarief houdt de kans in dat Aegon bij het bepalen van de hoogte van de slotuitkering het ter zake van de buitengerechtelijke kosten teveel betaalde zal verdisconteren in de eindafrekening met het slachtoffer. Dit is niet in het belang van het slachtoffer en zal de afhandeling van letselschadedossiers niet bevorderen. Voor het letselschadetraject op zich heeft deze wijze van bevoorschotting als bijkomend effect dat alle betrokken partijen nog eens wordt ingescherpt dat zij zich voortdurend dienen af te vragen welke kosten verantwoord zijn te maken in het kader van de te behandelen letselschade. Dit strookt met de verplichting van een schadebehandelaar van een letselschadedossier geen onnodige kosten te maken, zodat bij een juiste taakuitoefening het slachtoffer niet met onverwachte meerkosten aan het eind van het letselschadetraject wordt geconfronteerd.

4.6. Het verzoek van [verzoeker] om te bepalen dat Aegon is gehouden om als basisuurtarief een tarief van € 255,00 exclusief 6% kantoorkosten en exclusief 19% BTW te voldoen zal worden toegewezen, zij het met de navolgende kanttekening. Pas bij brief van 31 januari 2011 heeft mr. Lefers [verzoeker] verzocht om een kopie van deze brief voor akkoord te tekenen als blijk van instemming met de gemaakte afspraken. In de brief is opgenomen dat mr. Lefers sinds 26 april 2010 de belangen behartigt van [verzoeker]. Uit de ondertekening kan niet worden afgeleid dat [verzoeker] akkoord is gegaan met een basisuurtarief van € 255,00 met terugwerkende kracht tot 26 april 2010, omdat dit niet duidelijk uit de brief blijkt. Het basisuurtarief van € 255,00 zal derhalve in rekening kunnen worden gebracht met ingang van 31 januari 2011.

4.7. Voorts verzoekt [verzoeker] in het onderhavige letselschadegeschil te bepalen dat Aegon is gehouden om ter zake van buitengerechtelijke kosten een uurtarief te voldoen te vermeerderen met de factor 1,4, omdat het een ingewikkelde zaak betreft van een zelfstandig ondernemer met een groot financieel belang.

Dit verzoek zal worden afgewezen. Allereerst om redenen zoals onder 4.5 zijn verwoord. Voorts staat in het geheel nog niet vast dat het om een omvangrijke schade zal gaan. Het is daarbij zelfs niet ondenkbaar dat uit het nog te verrichten bedrijfseconomische deskundigenonderzoek zal blijken dat, het ongeval weggedacht, de boerderij van [verzoeker] het financieel minder goed zou hebben gedaan, dan in de situatie met ongeval. Voor het ongeval werd op een arbeidsintensieve manier met gebruik van slechts weinig machines op biodynamische grondslag gewerkt, terwijl na het ongeval de boerderij is gemechaniseerd teneinde [verzoeker] in staat te stellen zijn bedrijf te blijven uitoefenen en de activiteiten op de boerderij zijn uitgebreid. De situatie van [verzoeker] rechtvaardigt geen uitzondering op het hiervoor geformuleerde uitgangspunt. Daartoe heeft [verzoeker] onvoldoende gesteld.

4.8. Gelet op artikel 1019aa lid 3 Rv kan Aegon kan niet worden gevolgd in haar betoog dat [verzoeker] in de kosten van de onderhavige procedure dient te worden veroordeeld. Bij de begroting van de kosten ex artikel 1019aa Rv aan de zijde van [verzoeker] geldt eveneens de dubbele redelijkheidstoets.

Gelet op de beperkte omvang en geringe complexiteit van het deelgeschil wordt bij de begroting rekening gehouden met twee uur voor het opstellen van het verzoekschrift, één uur voor het voorbereiden van de zitting en één uur voor de mondelinge behandeling tegen het basisuurtarief van € 255,00 exclusief kantoorkosten en BTW.

De gevorderde kosten inzake de reistijd zullen worden afgewezen, omdat de mondelinge behandeling van het deelgeschil heeft plaatsgevonden in aansluiting op de behandeling van het verzoekschrift tot een voorlopig deskundigenbericht, zodat de reistijd wordt geacht al te zijn verdisconteerd.

De kosten van de deelgeschilprocedure worden derhalve aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 1.275,00 inclusief kantoorkosten en BTW, te vermeerderen met het door hem betaalde griffierecht van € 258,00, derhalve in totaal € 1.533,00.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat Aegon gehouden is als uurtarief aan de belangenbehartiger van [verzoeker] te voldoen het basisuurtarief van € 255,00 exclusief 6% kantoorkosten en exclusief 19% BTW, zijnde het tarief voor 2011 met ingang van 31 januari 2011;

5.2. begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 1.533,00,

5.3. wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2011.