Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU6794

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
15-11-2011
Datum publicatie
05-12-2011
Zaaknummer
116992 FA RK 10-2043 en 120279 FA RK 11-395
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wettelijke onderhoudsplicht stiefouder na overlijden ouder, invloed van schulden ontstaan na einde relatie op draagkracht

Samenvatting: Vader en moeder hebben een dochter. Vader heeft dochter erkend. Moeder trouwt met stiefvader. Zij krijgen gezamenlijk gezag. Moeder overlijdt in 2004. Op grond van de wet is er thans geen wettelijke onderhoudsplicht meer van de stiefvader, die de dochter wel feitelijk verzorgt. De gemeente verstrekt bijstand naar de norm van een eenoudergezin. De rechtbank overweegt dat dit op goede gronden gebeurt. Zowel de gemeente als stiefvader verzoekt kinderalimentatie van vader; beide verzoeken zijn ontvankelijk. Alle schulden, ook niet-huwelijkse schulden, zijn van invloed op de draagkracht van de onderhoudsplichtige. Uitgaand van noodzaak en redelijkheid en hetgeen is onderbouwd heeft vader ook wanneer rekening wordt gehouden met de schulden voldoende draagkracht om volledig in de behoefte van de dochter te voorzien.

Artikelen: 1:253w, 253x, 395 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummers: 116992 / FA RK 10-2043 en 120279 FA RK 11-395

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 15 november 2011

in de zaken tussen:

(zaaknummer 116992 / FA RK 10-2043)

de gemeente ZUTPHEN,

zetelende te Zutphen,

verzoekster, hierna te noemen de gemeente,

en

[verweerder],

wonende te [plaats],

[adres],

verweerder, hierna te noemen [verweerder],

en tussen:

(zaaknummer 120279 / FA RK 11-395)

[verzoeker],

wonende te [plaats],

verzoeker, hierna te noemen [verzoeker],

advocaat: mr. A.H. Kiesouw te Zutphen,

en

[verweerder],

wonende te [plaats],

[adres],

verweerder, hierna te noemen [verweerder],

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

in de zaak met nummer 116992 / FA RK 10-2043:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 28 oktober 2010;

- de brief met bijlage van de gemeente van 10 december 2010;

- het aanvullende verzoekschrift van de gemeente, ingekomen op 27 januari 2011;

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 12 april 2011;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 juni 2011;

in de zaak met nummer 120279 / FA RK 11-395:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 23 februari 2011;

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 7 april 2011;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 juni 2011;

- de brief met bijlage van mr. Kiesouw van 28 juni 2011.

De feiten

Uit de relatie van [verweerder] en [naam], hierna te noemen de moeder, is op [1997] geboren te [plaats] [minderjarige], hierna te noemen de minderjarige. [verweerder] heeft de minderjarige erkend.

De moeder is op [2001] met [verzoeker] gehuwd. Bij beschikking van deze rechtbank van 14 augustus 2002 zijn de moeder en [verzoeker] gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarige. Op [2004] is de moeder overleden. De minderjarige verblijft sindsdien bij [verzoeker]. [verweerder] heeft tot 1 april 2010 een bedrag van € 175,-- per maand aan [verzoeker] betaald als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

Sinds 1 juni 2009 verstrekt de gemeente aan [verzoeker] een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) ter voorziening in de noodzakelijke kosten van bestaan, mede ten behoeve van de minderjarige.

Bij beschikking van de gemeente van 1 september 2009 is aan [verweerder] met ingang van 1 augustus 2009 een verhaalsbijdrage van € 97,50 per maand opgelegd. Bij besluit van de gemeente van 13 augustus 2010 is de verhaalsbijdrage ten laste van de man herzien en vastgesteld op € 272,50 per maand vanaf 1 juli 2010. Bij besluit van 22 september 2010 is besloten tot verhaal in rechte over te gaan.

De verzoeken

De gemeente verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

- de door [verweerder] te betalen verhaalsbijdrage ten behoeve van de minderjarige met ingang van 1 september 2009 zal vaststellen op € 97,50 per maand en met ingang van 1 juli 2010 op € 272,50 per maand;

- de inmiddels ontstane achterstand in de betalingen van 1 september 2009 tot en met 30 oktober 2010 zal vaststellen op € 1.285,--;

- de aflossing ter zake van de achterstand zal bepalen op € 100,-- per maand, en [verweerder] zal veroordelen dit bedrag te voldoen totdat de achterstand in de betalingen volledig is afgelost;

- ingeval de bijstand aan [verzoeker] wordt beëindigd, met ingang van die datum [verweerder] zal veroordelen tot betaling van € 272,50 per maand totdat de achterstand in de betalingen volledig is afgelost.

[verzoeker] verzoekt dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal bepalen dat [verweerder] als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige aan hem zal voldoen € 350,-- per maand ingaande 1 april 2010, althans een beslissing zal nemen als de rechtbank juist acht.

[verweerder] heeft mondeling verweer gevoerd.

De beoordeling

Gelet op de samenhang tussen beide zaken zijn deze gevoegd behandeld en zal daarop in één beschikking worden beslist.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat [verweerder] onderhoudsplichtig is jegens de minderjarige.

Ten aanzien van de onderhoudsplicht van [verzoeker] overweegt de rechtbank als volgt. [verzoeker] is op grond van het bepaalde in artikel 1:253t van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) samen met de moeder bij beschikking van 14 augustus 2002 belast met het gezag over de minderjarige. Uit artikel 1:395 BW vloeit een onderhoudsplicht van [verzoeker] jegens de minderjarige voort gedurende het huwelijk. Dit huwelijk is door het overlijden van de moeder geëindigd. Het gezag van [verzoeker] is toen op grond van artikel 1:253x BW omgezet in voogdij. Artikel 1:253w BW bepaalt voor die situatie (in zoverre in afwijking van artikel 1:395 BW) dat de onderhoudsplicht van [verzoeker] voortduurt voor een termijn gelijk aan de periode dat het gezamenlijk gezag heeft geduurd - in dit geval ruim twee jaren, tot 16 maart 2007 - voor zover de rechtbank niet op verzoek een langere termijn bepaalt. Een dergelijk verzoek is niet gedaan.

Gelet hierop is er geen wettelijke onderhoudsplicht van [verzoeker] jegens de minderjarige. Uit hoofde van de onderhoudsplicht van [verweerder] jegens de minderjarige kan [verzoeker] de kosten die hij voor de minderjarige maakt op [verweerder] verhalen.

In de verhouding tussen de gemeente en [verzoeker] dient te worden geconcludeerd dat ondanks het ontbreken van een wettelijke onderhoudsplicht terecht bijstand naar de norm van een eenoudergezin wordt verstrekt aan [verzoeker].

Artikel 4 lid 1 van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat onder alleenstaande ouder wordt verstaan de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander. Voor de definitie van een ten laste komend kind wordt verwezen naar de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: AKW).

In artikel 2 van de AKW is bepaald dat als eigen kind onder meer wordt beschouwd het kind van de man die na toepassing van Nederlands internationaal privaatrecht tot het kind in een familierechtelijke vaderschapsrelatie staat. Aangenomen wordt dat hiermee gedoeld wordt op het begrip “family life” in artikel 8 van het EVRM. Deze familierechtelijke relatie bestond reeds uit hoofde van de gezagsrelatie en het stiefouderschap en is naar het oordeel van de rechtbank niet geëindigd louter door het overlijden van de moeder, te meer nu [verzoeker] sindsdien al vele jaren lang de feitelijke zorg heeft over de minderjarige en het gezinsverband aldus heeft voortgeduurd. Er is derhalve voldaan aan dit criterium. Dit betekent dat [verzoeker] recht heeft op de kinderbijslag voor de minderjarige en dat op grond daarvan [verzoeker] als alleenstaande ouder dient te worden aangemerkt in het kader van de bijstandsverlening.

Gelet op het voorgaande zijn beide verzoeken ontvankelijk.

De gemeente heeft de behoefte van de minderjarige op € 275,-- gesteld. Namens [verzoeker] is aangevoerd dat het verzochte bedrag van € 350,-- een schatting was, omdat geen gegevens van [verweerder] bekend waren. Uit de nadere reactie van mr. Kiesouw begrijpt de rechtbank dat [verzoeker] zich aansluit bij de bepaling van de behoefte van de minderjarige op € 275,-- per maand. Nu [verweerder] tegen de hoogte van de behoefte geen verweer heeft gevoerd, staat deze vast. Aangezien alleen op [verweerder] een wettelijke onderhoudsplicht rust, dient hij in beginsel het gehele bedrag te voldoen. Onder omstandigheden is doorbreking van het wettelijke stelsel mogelijk, waarbij verwezen wordt naar Hoge Raad 8 april 1994, NJ 1994/439 en 18 februari 2011, NJ 2011/90. Die uitspraken hebben echter betrekking op situaties waarin naast een wettelijke vader een biologische vader wordt aangesproken met een beroep op artikel 8 van het EVRM. In de onderhavige situatie zou doorbreking van de wettelijke onderhoudsplicht jegens [verzoeker] juist een onderhoudsplichtige niet-biologische vader opleveren. Dat doorbreking van het wettelijke stelsel ook in die situatie mogelijk is, is wat de rechtbank betreft niet uitgesloten, maar aan deze vraag wordt gelet op genoemde uitspraken in beginsel pas toegekomen als de wettelijk onderhoudsplichtige onvoldoende draagkracht heeft. Gelet daarop dient ongeacht een eventuele onderhoudsplicht en een eventuele draagkracht van [verzoeker] te worden vastgesteld of [verweerder] volledig in de behoefte van de minderjarige kan voorzien.

[verweerder] is van mening dat hij niet in staat is het verzochte bedrag van € 272,50 te voldoen, terwijl uit de berekening van de gemeente blijkt dat hij ruimschoots in staat is dit bedrag te betalen. Dit heeft ermee te maken dat de gemeente geen rekening houdt met een aantal schulden van [verweerder]. De motivering in het verhaalsbesluit van de gemeente van 1 september 2009 luidt dat met die schulden geen rekening wordt gehouden omdat het geen huwelijkse schulden van [verweerder] en de moeder betreft.

De rechtbank is van oordeel dat de motivering voor het buiten beschouwing laten van de schulden niet voldoende is. Het rapport van de Werkgroep alimentatienormen beveelt aan dat bij de vaststelling van de kinderalimentatie alleen met de noodzakelijke lasten wordt gerekend. Tot deze lasten worden slechts die lasten gerekend die ten opzichte van het onderhoudsgerechtigde kind in ieder geval als redelijke uitgaven kunnen worden beschouwd. Een van de voorbeelden die daarbij wordt gegeven betreft de huwelijkse schulden. De toelichting op deze keuze vermeldt, voor zover van belang, dat het de voorkeur verdient volledig rekening te houden met de aflossing op huwelijkse schulden, omdat beide ouders daarvoor veelal hoofdelijk aansprakelijk zijn. De praktijk zal zijn dat in eerste instantie verhaal gezocht wordt bij de onderhoudsplichtige ouder. Als deze niet kan betalen vanwege de te betalen kinderalimentatie, zal de schuldeiser verhaal zoeken bij de onderhoudsgerechtigde ouder en zal de betaalde kinderalimentatie alsnog worden aangewend om schulden af te lossen en niet ten goede komen aan het kind.

Ten onrechte heeft de gemeente de aanbeveling dat met een huwelijkse schuld in beginsel rekening wordt gehouden a contrario uitgelegd als een aanbeveling om met een niet-huwelijkse schuld in beginsel geen rekening te houden. Het enkele feit dat een schuld niet uit het huwelijk voortvloeit is echter onvoldoende reden om met die schuld geen rekening te houden.

Uit HR 11 juli 2008, NJ 2008/402 vloeit voort dat in beginsel alle schulden, dus ook nahuwelijkse, van invloed zijn op de draagkracht van de onderhoudsplichtige. Er kunnen wel redenen zijn aan bepaalde schulden voor de draagkracht geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig zijn aangegaan, of als de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van de schuld te bevrijden. Elke keer moet van alle opgevoerde schulden de noodzaak en de redelijkheid worden beoordeeld. Daarbij kan van de onderhoudsplichtige, die immers als uitgangspunt dient bij te dragen in de kosten van de kinderen, worden verlangd voldoende omtrent die noodzaak en redelijkheid te stellen en daarin inzicht te geven.

Blijkens de door de gemeente overgelegde stukken heeft [verweerder] aan de gemeente stukken verstrekt waaruit in ieder geval blijkt van een schuld van € 2.300,-- aan SNS bank in verband met een persoonlijke lening, aangegaan op 22 augustus 2007 met een aflossingstermijn van 60 maanden. Deze schuld is derhalve op dit moment nog niet afgelost. Voorts is een bericht van Oxxio overgelegd waaruit blijkt dat een betalingsregeling is getroffen voor een bedrag van € 478,19 per 1 januari 2010. Ook is sprake van een vordering van het UWV in verband met de terugbetaling van een uitkering tot een bedrag van € 3.593,29. Hiervoor is een aflossing van € 133,06 vastgesteld met ingang van 1 mei 2009.

[verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er ook nog sprake is van een belastingschuld in verband met te veel ontvangen zorgtoeslag en dat er in mei loonbeslagen zijn gelegd. Ook heeft hij verklaard dat het UWV via het loonbeslag € 358,-- per maand incasseert. Hiervan zijn echter geen stukken overgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat [verweerder] de noodzaak van de aflossing van de schuld aan het UWV voldoende heeft onderbouwd. Hij heeft te veel uitkering ontvangen en dit geld uitgegeven alvorens hij een beslissing ontving omtrent de terugbetaling. Dat er een noodzaak is meer dan € 133,06 per maand te betalen is echter niet gebleken, gelet op de overgelegde stukken. De aflossing moet in dat geval in 27 maanden kunnen plaatsvinden en dat er redenen waren waarom dit niet mogelijk was, is gesteld noch gebleken, behoudens de algemene - niet toegelichte - opmerking van [verweerder] dat hij het ene gat met het andere vult. Dit betekent dat met een aflossing van € 133,06 van mei 2009 tot en met juli 2011 rekening dient te worden gehouden. Dat [verweerder] als gevolg van deze vordering ook overigens in financiële problemen is gekomen, is voldoende aannemelijk geworden. Het feitelijke bestaan van de schulden aan Oxxio en de SNS bank is niet betwist. Met die schulden dient evenzeer rekening te worden gehouden. Voor Oxxio was het bedrag dat vóór 2010 werd betaald € 75,40 per maand en bij gebreke van nadere informatie wordt ditzelfde bedrag redelijk geacht voor de periode nadien. Dit betekent dat de schuld geacht moet zijn te zijn afgelost in zeven maanden, zodat daarmee ook van januari tot en met juli 2010 rekening dient te worden gehouden. De verplichtingen aan SNS bank lopen van 1 oktober 2007 tot en met september 2012. Dit betreft een maandbedrag van € 53,85 (inclusief rente). Ter zake van de zorgtoeslag heeft [verweerder] voldoende aannemelijk gemaakt dat door de herberekening van zijn uitkering een schuld is ontstaan. [verweerder] heeft verklaard dat hij deze aflost doordat verrekening plaatsvindt met het bedrag waarop hij thans recht heeft. Aldus dient bij de lasten van [verweerder] de zorgtoeslag niet in mindering te worden gebracht. Ten slotte is er sprake van een debetstand op de privérekening. Uit het overgelegde bankafschrift blijkt dat rekening moet worden gehouden met een bedrag aan debetrente van € 78,20. Het bestaan van andere schulden is niet gebleken, nog daargelaten de noodzaak voor het aangaan daarvan.

Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank de door de gemeente overgelegde draagkrachtberekening op enkele punten wijzigen.

De berekening van het besteedbare inkomen op afgerond € 2.491,-- netto per maand wordt gevolgd. Vervolgens wordt voor de vaststelling van het draagkrachtloze inkomen rekening gehouden met de navolgende lasten (cijfers 2009):

- de bijstandsnorm van € 907,-- verminderd met de daarin begrepen wooncomponent van € 207,--;

- de huur van € 562,21;

- het totale bedrag aan ziektekosten, herberekend op € 278,15, bestaande uit de nominale premie ZVW ad € 122,11, het eigen risico ad € 12,92 en de inkomensafhankelijke werkgeversbijdrage ad € 186,12, verminderd met het in de bijstandsnorm begrepen deel van € 43,-- maar niet verminderd met de zorgtoeslag;

- de kosten van de omgangsregeling ad € 25,--;

- de rente en aflossing op schulden, die van 1 september 2009 tot 1 augustus 2010 wordt berekend op € 340,51, bestaande uit € 133,06 aan UWV, € 75,40 aan Oxxio en € 53,85 en € 78,20 aan SNS bank en vanaf 1 augustus 2010 op € 265,11 (UWV en SNS bank).

Het draagkrachtloze inkomen van [verweerder] bedraagt aldus van 1 september 2009 tot 1 augustus 2010 € 1.906,-- en nadien € 1.830,--. De draagkrachtruimte bedraagt daarmee respectievelijk € 585,-- en € 661,-- per maand. Daarvan is respectievelijk 60 en 70% beschikbaar, aangezien in 2009 nog met een lager beschikbaar deel werd gerekend dan thans. Dit betekent dat van 1 september 2009 tot 1 augustus 2010 een bedrag van € 351,-- per maand beschikbaar was en sinds 1 augustus 2010 € 462,-- per maand, nog los van eventueel te behalen fiscaal voordeel in verband met de betaling van kinderalimentatie.

In beide situaties is derhalve ook indien rekening wordt gehouden met de aangetoonde schulden voldoende beschikbaar om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien. Ook moet [verweerder] thans in staat worden geacht met € 100,-- per maand de ontstane achterstand af te lossen.

Verzoekers zijn het erover eens dat bepaald wordt dat [verweerder] aan [verzoeker] dient te betalen. Om een verrekening tussen [verzoeker] en de gemeente te voorkomen, zal bepaald worden dat [verweerder] met ingang van 1 december 2011 aan [verzoeker] dient te betalen. De reeds vervallen bijdragen dient [verweerder] aan de gemeente te voldoen. Dit gaat om € 272,50 per maand met ingang van 1 juli 2010 te vermeerderen met de ontstane achterstand. Nu [verzoeker] zich weliswaar heeft gerefereerd aan de gegevens van de gemeente, maar zijn verzoek niet heeft verlaagd, terwijl de behoefte per 2010 op € 275,-- is gesteld, beloopt het bedrag dat [verweerder] met ingang van 1 december 2011 aan [verzoeker] dient te voldoen (inclusief wettelijke indexering per 1 januari 2011) € 277,48. Gelet echter op het voortduren van de verplichting jegens [verzoeker] ook indien de bijstandsuitkering wordt beëindigd, zal het verzoek van de gemeente te bepalen dat [verweerder] met ingang van die datum € 272,50 per maand dient af te lossen worden afgewezen, omdat daarvoor onvoldoende grond bestaat.

De beslissing

De rechtbank:

stelt de door [verweerder] aan de gemeente te betalen verhaalsbijdrage ten behoeve van de minderjarige [minderjarige], geboren op [1997] te [plaats], met ingang van 1 september 2009 vast op € 97,50 (zevenennegentig euro en vijftig eurocent) per maand en met ingang van 1 juli 2010 tot 1 december 2011 op € 272,50 (tweehonderdtweeënzeventig euro en vijftig eurocent) per maand;

stelt de jegens de gemeente ontstane achterstand in de betalingen van 1 september 2009 tot en met 30 oktober 2010 vast op € 1.285,-- (eenduizend tweehonderdvijfentachtig euro);

bepaalt de aflossing ter zake van de achterstand op € 100,-- (eenhonderd euro) per maand en bepaalt dat [verweerder] dit bedrag maandelijks dient te voldoen totdat de achterstand in de betalingen volledig is afgelost;

bepaalt dat [verweerder] als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige met ingang van 1 december 2011 een bedrag van € 277,48 (tweehonderd-zevenenzeventig euro en achtenveertig eurocent) per maand, telkens bij vooruitbetaling, aan [verzoeker] dient te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.