Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU6432

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
30-11-2011
Datum publicatie
30-11-2011
Zaaknummer
10/2023 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom beëindigen bewoning recreatiewoning. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder er terecht en op goede gronden van uitgegaan, dat eiseres de recreatiewoning eerst per 1 oktober 2009 permanent en ononderbroken is gaan bewonen. Consequentie daarvan is onder meer dat verweerder eiseres geen langere begunstigingstermijn hoefde te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 10/2023 GEMWT

Uitspraak in het geding tussen:

[eiseres]

te [plaats],

eiseres,

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2010 heeft verweerder eiseres gelast de permanente bewoning van de recreatiewoning aan de [adres] te Epe binnen 26 weken te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom van € 5000 per vier weken, of gedeelte daarvan, dat aan de last niet is voldaan, tot een maximum van € 50.000.

Bij besluit van 5 november 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 16 november 2011, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. M.M.H. van Kuijk, werkzaam bij DAS rechtsbijstand. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Verberk-Jansen en J. Bovendorp.

2. Overwegingen

2.1. Eiseres bewoont de betrokken recreatiewoning permanent.

Op grond van artikel 45.1.1, gelezen in samenhang met artikel 18.5 van de voorschriften van het bestemmingsplan “Buitengebied, vierde partiële herziening” is permanente bewoning van recreatiewoningen verboden.

Eiseres overtreedt dit verbod.

Verweerder is derhalve bevoegd handhavend op te treden.

2.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3. Concreet zicht op legalisering is niet aanwezig. Verweerder is niet zonder meer verplicht daaraan mee te werken. Verweerder wil in geen enkel geval medewerking verlenen. Hij heeft zijn beleid ten aanzien van (handhavend optreden tegen) permanente bewoning van recreatiewoningen vastgesteld en neergelegd in zijn besluiten van 10 juni 1980 en 9 december 1980, en op behoorlijke wijze bekend gemaakt op 4 maart 1981, waaraan ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in haar uitspraak van 7 oktober 2009 (www.rechtspraak.nl; LJN: BJ9524) heeft gerefereerd. Nadien heeft de gemeenteraad - op 16 december 2004 en, nogmaals, op 30 oktober 2007 - expliciet besloten om het verbod op permanente bewoning van recreatiewoonverblijven onverminderd door te zetten. Uit evenvermelde uitspraak van de ABRvS volgt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn beleid op 31 oktober 2003 daadwerkelijk uitvoerde, en dat daaraan niet afdoet dat de handhaving in de periode 4 maart 1981 - 31 oktober 2003 niet steeds met dezelfde intensiteit heeft plaatsgevonden.

Het bestreden besluit is met dit beleid in overeenstemming. Eiseres kan aan dat beleid geen aanspraak op ontheffingverlening ontlenen.

Ook biedt dat beleid overigens geen aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerder de permanente bewoning door eiseres ongemoeid zou behoren te laten. Aan de stelling van eiseres dat zij de woning reeds sinds 1998 als zodanig in gebruik heeft, komt geen doorslaggevende betekenis toe. Verweerder is er terecht en op goede gronden van uitgegaan dat eiseres de recreatiewoning eerst per 1 oktober 2009 permanent en ononderbroken is gaan bewonen. Blijkens de gemeentelijke basisadministratie (gba) staat eiseres er per die datum ingeschreven. Voorts heeft eiseres verklaard dat zij in de jaren 2003-2004 met haar toenmalige echtgenoot een andere woning in de gemeente heeft bewoond, dat de recreatiewoning voor haar toen als “vluchtadres” diende en dat zij de recreatiewoning pas na haar scheiding permanent heeft betrokken.

Ook overigens is geen sprake van een bijzonder geval om van handhaving af te zien.

Het gegeven dat eiseres heeft aangekondigd de woning te willen verkopen per mei 2011 maakt handhavend optreden niet onevenredig, reeds omdat niet is gebleken van concrete verkooponderhandelingen.

Verder kan eiseres aan het wetsvoorstel voor de Wet vergunning onrechtmatige bewoning recreatiewoningen thans geen aanspraken ontlenen.

Tenslotte valt ook verder niet in te zien – daarvoor is geen feitelijk aanknopingspunt voorhanden – dat de situatie van eiseres zodanig afwijkt van anderen die de permanente bewoning van hun recreatiewoning moeten staken, dat het voor haar, anders dan voor die anderen, onmogelijk is te verhuizen, hoe onaangenaam dat ook voor haar is.

Al hetgeen eiseres in dit verband heeft aangevoerd, treft dus geen doel.

2.4. Evenmin treft doel het betoog van eiseres dat de begunstigingstermijn onredelijk kort is.

De gestelde begunstigingstermijn van 26 weken is in overeenstemming met het beleid van verweerder, dat de lengte van de begunstigingstermijn koppelt aan het tijdstip waarop de (onafgebroken) bewoning van de recreatiewoning is begonnen. Dit beleid is niet onredelijk te achten. In dit geval is verweerder – zoals het vorenstaande met zich brengt – er terecht van uitgegaan dat de permanente bewoning is aangevangen op 1 oktober 2009.

Voorts is geen aanknopingspunt aanwezig voor het oordeel dat de last niet binnen de gestelde termijn kan worden uitgevoerd.

2.5. Het beroep richt zich, naar ter zitting is gebleken, ook tegen de invorderingsbeslissing van 24 februari 2011, die ziet op de invordering van één termijn van € 5000. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

2.5.1. In het eerste lid van artikel 5:39 van de Awb, zoals die bepaling sinds 1 juli 2009 luidt, is bepaald dat het beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking heeft op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Indien het voor die datum geldende recht van toepassing is, dient de burgerlijke rechter te oordelen over een geschil omtrent de invordering van verbeurde dwangsommen.

Ingevolge artikel IV van de Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb (hierna: Vierde tranche Awb), die op 1 juli 2009 in werking is getreden, blijft, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht van toepassing zoals dat gold voor dat tijdstip.

Nu vaststaat dat de overtreding is aangevangen op 1 oktober 2009 is artikel 5:39 van de Awb van toepassing en wordt het beroep van eiseres mede geacht te zijn gericht tegen de invorderingsbeslissing van 24 februari 2011.

2.5.2. Eiseres heeft betoogd, dat verweerder aan zijn constatering dat er een termijn is verbeurd ten onrechte geen ander onderzoek ten grondslag heeft gelegd dan de vaststelling dat eiseres nog in het gba stond ingeschreven.

Dit betoog faalt. Verweerder heeft uit die inschrijving mogen afleiden dat eiseres de permanente bewoning niet binnen de gestelde termijn had beëindigd, reeds nu er verder geen enkele aanwijzing was om aan te nemen dat inmiddels wel aan de last was voldaan en thans ook vast staat dat daaraan niet voldaan was.

2.5.3. Ter zitting heeft verweerder meegedeeld, dat er inmiddels vijf termijnen van elk € 5000 zijn verbeurd. Verweerder heeft ter zitting toegezegd het bij de invordering van de thans in geding zijnde termijn te laten.

2.6. Uit het vorenstaande volgt dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd, geen doel treft. De slotsom is dan ook dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Groverman. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 november 2011.