Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU6251

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
06/940369-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte is veroordeeld voor het plegen van een diefstal met geweld en een (poging tot) afpersing. Verdachte en zijn mededaders hebben (toen ze 's nachts over straat liepen tijdens het uitgaan), drie volstrekt willekeurige jonge jongens onder dreiging van een door aangevers niet van echt te onderscheiden wapen, gedwongen tot de afgifte van geld en hebben zich een ipod en een mobiele telefoon toegeeïgend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige Jeugdstrafkamer

Parketnummer: 06/940369-11

Uitspraak d.d. 29 november 2011

Tegenspraak / dnip

Raadsman: mr. C.A. Spekschoor, advocaat te Lochem.

in de zaak tegen:

[verdachte B],

geboren te [plaats op 1996],

wonende te [plaats, adres],

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren op de terechtzitting van 15 november 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 10 september 2011 op 11 september 2011 te Zutphen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld en/of een I-pod en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld die [slachtoffer A] en/of die [slachtoffer B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij verdachte, en/of zijn mededader(s)

- een (balletjes)pistool, althans een daarop gelijkend voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam

van die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] heeft/hebben gericht en/of

- (vervolgens) dit (balletjes)pistool, althans een daarop gelijkend voorwerp, één of meermalen

heeft/hebben doorgeladen en/of

- opzettelijk dreigend aan die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] de woorden heeft/hebben toegevoegd:

"geef je geld, geef je mobiel" en/of "ik weet je te vinden. ik weet waar je woont. geen politie

erbij" en/of "pas op, moet ik je neerschieten of zo" en/of "ik kan jullie zo doodschieten", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

en/of

hij in of omstreeks de nacht van 10 september 2011 op 11 september 2011 te Zutphen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] heeft gedwongen tot de afgifte van geld en/of een mobiele telefoon en/of een I-pod, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

- een (balletjes)pistool, althans een daarop gelijkend voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam

van die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] heeft/hebben gericht en/of

- (vervolgens) dit (balletjes)pistool, althans een daarop gelijkend voorwerp, heeft/hebben

doorgeladen en/of

- opzettelijk dreigend aan die [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] de woorden heeft/hebben toegevoegd:

"geef je geld, geef je mobiel" en/of "ik weet je te vinden. ik weet waar je woont. geen politie

erbij" en/of "pas op, moet ik je neerschieten of zo" en/of "ik kan jullie zo doodschieten", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

artikel 317 lid 3 wetboek van strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de nacht van 10 september 2011 op 11 september 2011 te Zutphen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of een mobiele telefoon, althans enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer C], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

- een (balletjes)pistool, althans een daarop gelijkend voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam

van die [slachtoffer C] hebben/heeft gericht en/of

- (vervolgens) dit (balletjes)pistool, althans een daarop gelijkend voorwerp, één of meermalen

heeft/hebben doorgeladen en/of

- opzettelijk dreigend aan die [slachtoffer C] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "geef je geld, geef je

mobiel" en/of "ik weet je te vinden. ik weet waar je woont. geen politie erbij" en/of "pas op,

moet ik je neerschieten of zo" en/of "ik kan jullie zo doodschieten",

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

hij in of omstreeks de nacht van 10 september 2011 op 11 september 2011 te Zutphen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer C] te dwingen tot de afgifte van geld en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

- een (balletjes)pistool, althans een daarop gelijkend voorwerp, op het hoofd en/of het lichaam

van die [slachtoffer C] heeft/hebben gericht en/of

- (vervolgens) dit (balletjes)pistool, althans een daarop gelijkend voorwerp, één of meermalen

heeft/hebben doorgeladen en/of

- opzettelijk dreigend aan die [slachtoffer C] de woorden heeft/hebben toegevoegd: "geef je geld, geef je

mobiel" en/of "ik weet je te vinden. ik weet waar je woont. geen politie erbij" en/of "pas op,

moet ik je neerschieten of zo" en/of "ik kan jullie zo doodschieten",

althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

artikel 317 lid 3 wetboek van strafrecht)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 als eerste alternatief ten laste gelegde, te weten de diefstal met geweld van de ipod en de mobiele telefoon, het als tweede alternatief onder feit 1 ten laste gelegde, te weten de afpersing van het geld en het tweede alternatief van het onder 2 ten laste gelegde, te weten de poging tot afpersing van geld en een mobiele telefoon.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft in zijn pleidooi tot uitdrukking gebracht dat de bewijsmiddelen ontoereikend zijn om tot een bewezenverklaring voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde te komen en hij heeft integrale vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij naar voren gebracht dat het verband tussen (het oogmerk van) wederrechtelijke toe-eigening en de bedreiging met geweld/afpersing niet bewezen kan worden verklaard, nu het oogmerk van verdachte (en zijn medeverdachten) hooguit was gericht op de mishandeling cq. het plegen van geweld en niet op de beroving/afpersing. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat er, gelet op de geringe rol van verdachte, het feit dat verdachte niet wist dat medeverdachte [medeverdachte A] een wapen bij zich had en het feit dat er geen sprake is geweest van een gezamenlijke voorbereiding, niet gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking.

Beoordeling van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om het eerste en het tweede alternatief van het onder 1 ten laste gelegde en het tweede alternatief van het onder 2 ten laste gelegde bewezen te verklaren.

De rechtbank acht voor haar bewijsoordelen de volgende bewijsmiddelen redengevend1.

De aangifte van [slachtoffer A]2, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

"Op zondag 11 september 2011 omstreeks 0.00 uur waren [slachtoffer B], [slachtoffer C] en ik in Zutphen. Ik zag dat drie jongens om ons heen kwamen staan, zodat we niet weg konden. Opeens zag ik dat een van de jongens een pistool in zijn handen had. Ik zag dat het een zwart pistool betrof. U laat nu uw dienstwapen aan mij zien. Ik kan zeggen dat het wapen dat de jongen in zijn handen had qua uiterlijk redelijk overeenkomt met uw wapen, alleen was de loop van het wapen van de jongen langer. Ik zag dat de jongen het pistool in zijn rechterhand vasthield. Ik zag dat hij het op ons richtte. Ik zag dat hij het pistool gericht op ons heen en weer zwenkte, alsof we alle drie "onder schot" waren. Ik zag dat de jongen het pistool doorlaadde. Ik zag dat hij de slede achterover haalde. Ik hoorde dat de jongen tegen ons zei "ik kan jullie zo doodschieten". Ik hoorde een van de drie jongens roepen "hebben jullie geld?" Ik pakte mijn portemonnee uit mijn broekzak. Ik pakte 10 euro uit mijn portemonnee en gaf het aan een van de drie jongens. Toen hoorde ik een van de drie jongens roepen "hebben jullie een mobiel bij je, mobiel bij je". Ik wilde mijn mobiel uit mijn broekzak pakken, maar toen zag en voelde ik dat een van de jongens zijn hand in mijn broekzak stak en mijn mobieltje en mijn Ipod uit mijn zak haalde. Terwijl ik geld heb afgestaan en terwijl mijn mobiel en Ipod werden weggenomen heb ik nog gezien dat de jongen met het pistool het wapen nog drie of vier keer laadde en herlaadde. Ik zag dit doordat de jongen meerdere malen de slede van het pistool naar achteren bewoog. Vervolgens zag ik dat twee jongens wegliepen. Ik zag dat de andere jongen het wapen nog steeds vasthield. De jongen met het pistool zei "geen politie bellen, weglopen". Ik ben bestolen van 10 euro, een Apple Touch 3G, een Ipod, en een mobiele telefoon Samsung Chat.

Ik heb de jongen die het pistool op mij richtte meerdere malen horen zeggen terwijl hij het pistool op mij richtte en op [slachtoffer B] en op [slachtoffer C] "ik kan jullie zo neerschieten, ik kan jullie zo doodschieten."

De aangifte van [slachtoffer B]3, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

"Ik was zaterdag 10 september 2011 te 23.30 uur met [slachtoffer C] en [slachtoffer A] in Zutphen. Op de Turfstraat kwamen twee jongens op ons af, een licht getinte jongen met een zwart vest en een andere. De jongen met het zwarte vest sprak ons aan. Hij kwam agressief over. Hij kwam dicht bij ons staan en zijn stem klonk dreigend. Hij legde zijn arm om mijn schouder en trok mij naar zich toe. Hij fluisterde "Weet je wel wie wij zijn, wij zijn de baas, de gangster"of zoiets. Hij duwde me naar beneden en pakte mijn haren vast. Ik kon loskomen. De andere jongen hield hem vast en zei "Ga maar weg, anders pakt hij jullie nog" of zoiets. [slachtoffer A], [slachtoffer C] en ik zijn toen afgeslagen het steegje in. Wij durfden niet rechtdoor te lopen. Ik voelde mij angstig. Wij zijn de steeg doorgelopen en kwamen bij het museum uit. Toen wij ter hoogte van het museum waren hoorde ik geschreeuw. Ik hoorde ineens dat er werd geroepen "stilstaan". Ik zag dat drie jongens ons hadden ingehaald. Ik weet zeker dat een van hen de jongen met het zwarte vest was die mij daarvoor op de Turfstraat had vastgepakt. Een van die jongens trok mijn aandacht omdat hij een pistool trok. Ik zag dat de jongen een pistool onder zijn vest vandaan haalde. Ik zag en hoorde dat hij het wapen doorlaadde. Ik zag en hoorde dat hij de bovenkant van het wapen twee of drie keer naar achteren trok. Het klonk als metaalachtig. Ik hoorde dat de jongen die het wapen had getrokken, zei "geef je geld, geef je geld." Ik zag dat de jongen in het zwarte vest vechtbewegingen maakte. Ik zag dat een hand in de broekzak van [slachtoffer A] ging. Ik weet niet wie van de drie jongens met zijn hand in de broekzak van [slachtoffer A] ging. Ik zag dat de Blackberry van [slachtoffer A] uit zijn broekzak werd gehaald. Ik heb vervolgens twee biljetten van 10 euro uit mijn portemonnee gepakt en ik heb het afgegeven. Ik was zo bang voor het vuurwapen en die jongens dat ik het geld heb gegeven. Vervolgens zag ik dat de jongen met het pistool zo'n beetje voor [slachtoffer A], [slachtoffer C] en mij ging staan. Ik zag dat hij het pistool, de loop, in onze richting hield. Ik zag dat hij zijn hand en arm waarin hij het pistool vasthield, wat hoger hield. Ik zag dat hij het pistool schuin naar ons richtte. Op zo'n manier als je in van die gangsterfilms ziet. Hij stond heel dicht bij me, ik denk op minder dan 50 cm van mij vandaan. Ik zag dat hij het pistool op mijn hoofd richtte. Het pistool raakte mijn hoofd niet, maar was amper op 10 cm afstand van mijn hoofd op mij gericht. Ik hoorde dat hij dingen zei als "ik weet je te vinden. Ik weet waar je woont. Geen politie erbij." Dit zei hij heel vaak. Ik hoorde dat de jongen in het zwarte vest ook dit soort dingen zei. Hij kwam steeds heel bedreigend op mij over."

De aangifte van [slachtoffer C]4, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

"Tussen zaterdag 10 september 2011 te 23.45 uur en zondag 11 september 2011 te 00.03 uur was ik in Zutphen met [slachtoffer A] en [slachtoffer B]. Op de Rozengracht zag ik dat drie jongens naar ons toekwamen lopen. Een van de jongens begon te roepen "waarom lopen jullie weg, kom eens hier". Hierop hebben wij niet gereageerd, wij zijn stug doorgelopen.

Ter hoogte van de fontein stonden de drie jongens ineens bij ons. We waren een soort van ingesloten door de jongens. Een van de jongens zei tegen ons "waarom lopen jullie weg." De jongen werd ineens heel boos en zei tegen ons "daar staan nu." Hierbij wees een van de jongens de plek aan waar ik stond. [slachtoffer B] en [slachtoffer A] moesten naast mij gaan staan.

Alle drie de jongens maakten zich groot, pompten zich op, en begonnen op een agressieve manier tegen ons te praten. De drie jongens gingen om ons heen staan, en liepen een beetje heen en weer. Ineens uit het niets, haalde een van de jongens een pistool uit zijn vest. De jongen zei "moet ik hem doorladen?" Ik zag dat de jongen mij hierbij aankeek. Ik heb gevraagd "wat willen jullie, we hebben wel geld". De jongen richtte hierna het pistool op mij. Ik zag dat de jongen het pistool op mijn hoofd richtte. Ik kon recht in de loop van het pistool kijken. Ik hoorde dat de jongen zei "moet ik je doodschieten?"

Ik schat de afstand tussen het pistool en mijn hoofd op ongeveer 30 cm. Ik schrok en was erg overdonderd. Nadat de jongen het pistool op mijn hoofd richtte, richtte hij het pistool weer op de grond. Ik zag dat de jongen het pistool doorlaadde. Tijdens het doorladen zag ik niets uit het wapen vallen. Wel hoorde ik het metaal van het wapen over elkaar heen schuiven. Ik zag ook de kamer van het wapen.

De andere twee jongens begonnen op dat moment in onze broekzakken te voelen. [slachtoffer A] en [slachtoffer B] hadden al geld afgegeven. Ik had niets bij me, dus ik kon ook niets afgeven.

Nadat de andere twee jongens merkten dat ze alles hadden, liepen ze weg in de richting van de bibliotheek. Eén van die twee jongens zei hier nog bij " als je de politie belt, dan weten we je te vinden, ik maak je dood, we weten waar je woont en ik weet je naam." De jongen met het pistool liep ook achteruit naar de bibliotheek. Al lopend achteruit, zag ik dat deze jongen het wapen nog een keer doorlaadde. De jongen zei hier ook meerdere dingen bij".

De verklaring van verdachte5 bij de politie, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

"Ik droeg gisteren 10 september 2011 in Zutphen een zwart vest. Ik ben op de Turfstraat naar drie jongens toe gegaan en heb mijn arm om de nek van een van die jongens geslagen. [medeverdachte A] en [medeverdachte C] gingen achter drie jongens aan. Ik ben ze toen gevolgd. Op een gegeven moment zag ik ze in het parkje bij de bibliotheek staan.

Ik zag de drie jongens staan en [medeverdachte A] stond voor de jongens en [medeverdachte C] liep een beetje heen en weer. Het laatste stukje ben ik naar hen toegerend. Ik stond achter de drie jongens en hoorde ze praten. [medeverdachte A] pakte een wapen en richtte dit op de jongens en haalde hem over. [medeverdachte A] pakte het wapen uit de binnenzak van zijn spijkerjas. Hij pakte het wapen met zijn rechterhand. [medeverdachte A] stond vlakbij de jongens. Toen hij het wapen op de jongens richtte, was het wapen ongeveer 40 cm van hen af. [medeverdachte A] begon aardig te schreeuwen van "weten jullie wie we zijn en we weten jullie te vinden." Ik hoorde dat het wapen doorgeladen werd.

Ter terechtzitting is verdachte bij deze verklaring gebleven.

De verklaring van medeverdachte [medeverdachte A] 6 bij de politie, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

"In de nacht van 10 op 11 september 2011 kreeg [verdachte B] een confrontatie met een paar jongens. Wij zijn toen achter hen aangerend tot aan de bibliotheek. [medeverdachte C] kwam wat later. [verdachte B] stond een beetje ruzie te maken en ik had een wapen in mijn spijkerjasje. Op een gegeven moment zegt [verdachte B] hebben jullie telefoons of zo. De jongens zeiden van niet. Ik zei "o ja jongens wat gaan we doen". De jongens zeiden "wij geven jullie wel geld". Een van de jongens zei op een gegeven moment dat hij niets had. Ik zei toen "hoezo niets" en toen heb ik mijn pistool gepakt. Ik was de enige die wist dat het geen echt wapen was. Ik heb net gedaan of ik hem doorgeladen heb. Er werd gescholden en [verdachte B] begon bij de jongens aan de zakken te zitten en zei "geef me je mobiel." De jongens stonden in het midden van een parkje en wij stonden erbij. De jongens stonden eigenlijk tussen ons in. [verdachte B] stond tussen de jongens. [verdachte B] kreeg geld, 20 euro.

[verdachte B] en [medeverdachte C] wisten dat ik een wapen bij me had. [verdachte B] heeft het wapen in mijn zak zien zitten."

De verklaring van medeverdachte [medeverdachte C]7 bij de politie, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

"Ik zag dat [verdachte B] en [medeverdachte A] naar drie jongens toeliepen. Ik zag dat de drie jongens een keer achterom keken. Ik zag dat de drie jongens begonnen te rennen. Vervolgens gingen [verdachte B] en [medeverdachte A] ook rennen. Ik zag dat ze achter de jongens aan renden. Ik ben met [medeverdachte A] en [verdachte B] meegelopen tot het begin van het steegje. Bij de bankjes ter hoogte van de bibliotheek zag ik dat [medeverdachte A] en [verdachte B] stil stonden. Toen ik dichter bij kwam zag ik dat [medeverdachte A] zijn pistool had gepakt. Ik zag dat [medeverdachte A] zijn pistool in zijn handen had. Hij richtte in de richting van de jongens. Hij was ze bang aan het maken. Tijdens het praten met de jongens bewoog hij steeds met zijn pistool heen en weer. Dit was ter hoogte van zijn borstkas. Hij zei dat ze hun spullen en geld af moesten geven. [medeverdachte A] was de jongens bang aan het maken, want op het moment dat hij zei dat ze de spullen af moesten geven, richtte hij zijn wapen op de jongens. [medeverdachte A] schreeuwde.

Ik wist dat [medeverdachte A] een pistool bij zich had die avond. Toen ik [medeverdachte A] voor het eerst deze avond zag, liet hij direct het pistool zien. Ik wist niet of het een echt of een neppistool was.

Ik hoorde [medeverdachte A] tegen de jongens zeggen dat ze alles moesten afgeven. Twee jongens gaven geld aan [medeverdachte A] en [verdachte B]. Ik had een telefoon en een Ipod in mijn handen. Die heb ik in mijn jaszak gestopt. [medeverdachte A] ging de jongens bang maken met het pistool. Hij schreeuwde "als je naar de politie gaat, dan kom ik je pakken". Hij richtte daarbij het pistool op de jongens. Ik hoorde wel zo'n geluid van doorladen van het wapen.

Toen heeft hij nogmaals gezegd dat ze niet naar de politie mochten gaan en toen zijn wij weggelopen. De telefoon heb ik later aan [medeverdachte A] gegeven. De Ipod heb ik zelf gehouden."

Op grond van voormelde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en zijn mededaders zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan het plegen van een diefstal met bedreiging van geweld, een en afpersing en een poging tot afpersing.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en zijn twee medeverdachten ten tijde van de diefstal en (poging tot) afpersing alle drie hebben bijgedragen aan de voor aangevers bedreigende sfeer, waarin zij geld moesten afgeven en van een I-Pod en een mobiele telefoon zijn bestolen, door dicht in de buurt van aangevers te staan en daarbij een dreigende houding aan te nemen, waarbij zij zich, zoals door [slachtoffer C] aangegeven, alle drie 'oppompten'. Daarbij heeft verdachte zich, op het moment dat een van zijn medeverdachten een wapen toonde, niet aan de situatie onttrokken. Verdachte heeft, zo blijkt genoegzaam uit de verklaring van aangevers, vervolgens actief bijgedragen aan het doorzoeken van de zakken van aangevers en/of het in ontvangst nemen van het door hen afgegeven geld. Uit de feitelijke gang van zaken blijkt dat het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening van de goederen van aangevers (ook) bij verdachte bestond.

Op grond van het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten, dat sprake is van het medeplegen van de verdachte van de onder 1, eerste en tweede alternatief, en onder 2, tweede alternatief tenlastegelegde feiten. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat door dit gezamenlijk optreden van verdachte en zijn medeverdachten het voor de bewezenverklaring van deze feiten niet terzake doet wie van de verdachten welke van de tenlastegelegde handelingen feitelijk heeft gepleegd.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het eerste en het tweede alternatief van het onder 1 ten laste gelegde en het tweede alternatief van het onder 2 ten laste gelegde, heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in de nacht van 10 september 2011 op 11 september 2011 te Zutphen tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een I-pod en een mobiele telefoon, toebehorende aan [slachtoffer A], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer A], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, en het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij verdachte, en zijn mededaders:

- een balletjespistool op het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer A] heeft gericht en

- vervolgens dit balletjespistool meermalen heeft doorgeladen en

- opzettelijk dreigend aan die [slachtoffer A] de woorden hebben toegevoegd: "geef je geld, geef je mobiel" en "ik weet je te vinden. ik weet waar je woont. geen politie erbij" en "pas op, moet ik je neerschieten of zo" en "ik kan jullie zo doodschieten", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

en

hij in de nacht van 10 september 2011 op 11 september 2011 te Zutphen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer A] en [slachtoffer B] heeft gedwongen tot de afgifte van geld toebehorende aan die [slachtoffer A] en [slachtoffer B], welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders,

- een balletjespistool op het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer A] en [slachtoffer B] heeft gericht en

- vervolgens dit balletjespistool heeft doorgeladen en

- opzettelijk dreigend aan die [slachtoffer A] en [slachtoffer B] de woorden hebben toegevoegd: "geef je geld, geef je mobiel" en "ik weet je te vinden. ik weet waar je woont. geen politie erbij" en "pas op, moet ik je neerschieten of zo" en "ik kan jullie zo doodschieten", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

2. tweede alternatief

hij in de nacht van 10 september 2011 op 11 september 2011 te Zutphen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld

[slachtoffer C] te dwingen tot de afgifte van geld en/of een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer C], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte en zijn mededaders,

- een balletjespistool op het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer C] heeft gericht en

- vervolgens dit balletjespistool meermalen heeft doorgeladen en

- opzettelijk dreigend aan die [slachtoffer C] de woorden hebben toegevoegd: "geef je geld, geef je mobiel" en "ik weet je te vinden. ik weet waar je woont. geen politie erbij" en "pas op, moet ik je neerschieten of zo" en "ik kan jullie zo doodschieten", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel

van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

Feit 1:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken, bij

betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit

wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 2, tweede alternatief :

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft, uitgaande van een bewezenverklaring van het eerste en het tweede alternatief van het onder 1 ten laste gelegde en het tweede alternatief van het onder 2 ten laste gelegde, gevorderd verdachte te veroordelen tot oplegging van een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 108 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen gegeven door de jeugdreclassering en een contactverbod met de aangevers, behoudens een situatie in het kader van een slachtoffergesprek. Voorts heeft zij een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen jeugddetentie gevorderd.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de strafmaat op het standpunt gesteld dat hij, in geval van enige bewezenverklaring, de door de officier van justitie gevorderde strafmodaliteit aan de hoge kant vindt. Gelet op de rol van verdachte, zijn blanco strafblad en de omstandigheid dat hij de komende tijd erg druk zal zijn op school, verzoekt hij de rechtbank een op te leggen straf, met name op het punt van de werkstraf te matigen.

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich samen met zijn mededaders schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met geweld en een (poging tot) afpersing. Verdachte heeft 's nachts (tijdens het uitgaan) samen met anderen, drie volstrekt willekeurige jongens van ongeveer vijftien jaar oud, op straat aangesproken. Verdachte was daarbij initiator van het eerder op de avond van de afpersing en diefstal lastig vallen van de aangevers en heeft zich reeds op dat moment agressief opgesteld. Vervolgens hebben verdachte en zijn mededaders de aangevers onder dreiging van een door aangevers niet van echt te onderscheiden wapen gedwongen tot de afgifte van geld en hebben zij zich voorts een ipod en een mobiele telefoon wederrechtelijk toegeëigend.

Het gaat om ernstig geweldsdelict die een voor de rechtsorde schokkend karakter hebben en die leiden tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Bovendien heeft verdachte op geen enkele manier rekening gehouden met de gevolgen die zijn daden voor de slachtoffers zouden kunnen hebben en heeft hij bovendien door zijn handelen het gevoel van veiligheid van de slachtoffers in ernstige mate aangetast. Dat de gedragingen voor de slachtoffers nadelige gevolgen hebben gehad en nog altijd hebben, is onder meer gebleken uit de toelichting van de door de slachtoffers ingediende vorderingen tot schadevergoeding.

Op dit bijzonder ernstige feit dient in beginsel te worden gereageerd met een forse straf.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met het gegeven dat verdachte de initiator in de eerste geweldshandelingen is geweest en dat hij daarna, ondanks verdachtes ontkenning daartoe, tijdens de diefstal met geweld/afpersing een substantiële rol heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat verdachte een grotere rol heeft gehad dan hij zichzelf heeft toe bedeeld.

De rechtbank heeft anderzijds rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest voor soortelijke feiten en met zijn open proceshouding, waarin hij de ernst van zijn daden en de gevolgen daarvan voor de aangevers heeft erkend en bereid is met tussenkomst van de medewerkers van 'Slachtoffer in Beeld' zijn excuses aan te bieden aan aangevers.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting voorts acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 10 november 2011, waaruit onder meer blijkt dat verdachte binnen de diverse leefgebieden positief functioneert en dat op basis van de Pre-Screen de kans op recidive laag is.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank, met de officier van justitie, van oordeel dat een (deels) voorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden is om verdachte er van te doordringen dat hij zich niet meer moet inlaten met dit soort strafbare feiten. Aan deze voorwaardelijke straf zullen als bijzondere voorwaarden worden gekoppeld dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg Gelderland, afdeling jeugdreclassering en dat hij de aangevers niet actief zal benaderen en/of aanspreken, behoudens onder professionele begeleiding in het kader van een dader/slachtoffergesprek. De proeftijd zal worden gesteld op twee jaren.

Ten aanzien van de bijzondere voorwaarde inzake het contactverbod, is de rechtbank van oordeel dat deze voorwaarde, met het oog op het gevoel van veiligheid voor de slachtoffers van belang is.

Om de ernst van de onderhavige feiten te benadrukken en uit oogpunt van normhandhaving acht de rechtbank voorts een werkstraf als door de officier van justitie gevorderd, geïndiceerd. Rekening houdend met hetgeen door de raadsman op dit punt is aangevoerd en in vergelijking met hetgeen is opgelegd in de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte C] komt zij echter tot een lagere werkstraf dan door de officier van justitie is gevorderd.

Een en ander brengt tevens met zich dat het geschorste bevel voorlopige hechtenis dient te

worden opgeheven, gelet op de periode die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

Vorderingen tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer B] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 20,- voor materiële schade en € 1.500,- voor immateriële schade gevoegd in het onderhavige strafproces ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te weten € 20,- voor materiële schade en € 750,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van deze vordering heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde inzake de immateriële schade gematigd dient te worden tot een bedrag van

€ 500,- , gelet op de huidige jurisprudentie en op de uitspraken vermeld in de smartengeldgids.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het 1 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van € 20,00 aan materiële schade. Gelet op de (jeugdige) leeftijd van de aangevers en de verdachte(n) en hun financiële en economische positie, acht de rechtbank een totaalbedrag van € 600,- voor immateriële schade redelijk en billijk. Om te bewerkstelligen dat de verdachten onderling zo min mogelijk contact zullen hebben, zal de rechtbank de vordering niet hoofdelijk toewijzen, maar zal zij de vordering in evenredigheid verdelen onder de verdachten.

De vordering dient dan ook in het geval van verdachte tot een totaalbedrag van € 206,66, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2011, te worden toegewezen. Voor het overige zal deze benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

De benadeelde partij [slachtoffer A] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 99,99 voor materiële schade en € 1.600,- voor immateriële schade gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te weten € 99,99 voor materiële schade en € 750,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van deze vordering heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde inzake de immateriële schade gematigd dient te worden tot een bedrag van

€ 500,-, gelet op de huidige jurisprudentie en op de uitspraken vermeld in de smartengeldgids.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het 1 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van € 99,99 aan materiële schade. Gelet op de (jeugdige) leeftijd van de aangevers en de verdachte(n) en hun financiële en economische positie, acht de rechtbank verder een totaalbedrag van € 600,- voor immateriële schade redelijk en billijk. Om te bewerkstelligen dat de verdachten onderling zo min mogelijk contact zullen hebben, zal de rechtbank de vordering niet hoofdelijk toewijzen, maar zal zij de vordering in evenredigheid verdelen onder de verdachten.

De vordering dient dan ook in het geval van verdachte tot een totaalbedrag van € 233,33, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2011, te worden toegewezen. Voor het overige deel zal deze benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

De benadeelde partij [slachtoffer C] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.500,- aan immateriële schade gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te weten € 750,- voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van deze vordering heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze vordering gematigd dient te worden tot een bedrag van € 500,-, gelet op de huidige jurisprudentie en op de uitspraken vermeld in de smartengeldgids.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het 2 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden.

Gelet op de (jeugdige) leeftijd van de aangevers en de verdachte(n) en hun financiële en economische positie, acht de rechtbank een totaalbedrag van € 600,- voor immateriële schade redelijk en billijk. Om te bewerkstelligen dat de verdachten onderling zo min mogelijk contact zullen hebben, zal de rechtbank de vordering niet hoofdelijk toewijzen, maar zal zij de vordering in evenredigheid verdelen onder de verdachten.

De vordering dient dan ook in het geval van verdachte tot een totaalbedrag van € 200,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2011, te worden toegewezen. Voor het overige deel zal deze benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemde slachtoffers.

Toepasselijke wettelijke artikelen

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 27, 36f, 45, 57, 77a, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 77aa, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het eerste en het tweede

alternatief van het onder 1 ten laste gelegde feit en het tweede alternatief van het onder

2 ten laste gelegde feit heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan

hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

Feit 1:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen

personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te

maken, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het

misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te

verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Feit 2, tweede alternatief :

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde

personen;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 120 (honderd en twintig) dagen;

* bepaalt, dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 108 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en

voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Bureau

Jeugdzorg Gelderland, afdeling jeugdreclassering, zolang deze instelling dit

noodzakelijk oordeelt;

- dat veroordeelde de aangevers, [slachtoffer B], [slachtoffer C] en [slachtoffer A], niet actief zal

benaderen en/of aanspreken, behoudens onder professionele begeleiding in het kader

van een dader/slachtoffergesprek;

- dat veroordeelde op verzoek van de jeugdreclassering ten behoeve van het vaststellen

van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer

vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de

identificatieplicht ter inzage aanbieden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 140 (honderd en veertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 70 (zeventig) dagen;

* veroordeelt verdachte betreffende feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer B], [adres, plaats] (gironr. [nummer]), van een bedrag van € 206,66, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2011 en vermeerderd met de betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer B] voornoemd, een bedrag te betalen van € 206,66 met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 4 dagen jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* veroordeelt verdachte betreffende feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer A], [adres, plaats] (banknr. [nummer]), van een bedrag van € 233,33, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2011 en vermeerderd met de betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer A] voornoemd, een bedrag te betalen van € 233,33, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 4 dagen jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* veroordeelt verdachte betreffende feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer C], [adres, plaats] (banknr. [nummer]), van een bedrag van € 200,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2011 en vermeerderd met de betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer C] voornoemd, een bedrag te betalen van € 200,- met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 4 dagen jeugddetentie zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

* heft op het -reeds geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mr. Weijers-van der Marck, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. Troost en Moolenburgh, rechters, in tegenwoordigheid van Vriezekolk, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 29 november 2011.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm

opgemaakte proces-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer

PL0630-2011127477-44, gesloten en ondertekend op 14 oktober 2011 te Ermelo door

Verdick, hoofdagent

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer A], pag. 113-117

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer B], pag. 124-128

4 Proces-verbaal aangifte van [slachtoffer C], pag. 107-111

5 Proces-verbaal van het verhoor van verdachte [verdachte B], pag. 216-235

6 Proces-verbaal van het verhoor van medeverdachte [medeverdachte A], pag. 190-207

7 Proces-verbaal van het verhoor van medeverdachte [medeverdachte C], pag. 252-260