Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU5739

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
10/1420 GEMWT
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BY0984, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit waarbij is gelast de permanente bewoning van een recreatiewoning te Epe te beëindigen. Bestreden besluit is vernietigd, omdat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft het besluit alsnog voorzien van een aanvullende motivering. De rechtbank is van oordeel dat permanente bewoning in strijd is met het bestemmingsplan. De gemeente heeft in redelijkheid ontheffing van het bestemmingsplan kunnen weigeren. Geen bijzondere omstandigheden aanwezig om van handhaving af te zien. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft echter bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nrs.: 10/1420 GEMWT

Uitspraak in het geding tussen:

[eisers]

te Epe,

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2009 heeft verweerder eisers, onder aanzegging van een dwangsom, gelast de permanente bewoning van de recreatiewoning aan de [adres] (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 14 juli 2010 (hierna: het bestreden besluit), zoals gecorrigeerd bij brief van

21 juli 2010, heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft de begunstigingstermijn en voor het overige ongegrond verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Bij brief van 15 september 2011 heeft verweerder het bestreden besluit van een nadere motivering voorzien.

Het beroep is behandeld ter zitting van 29 september 2011, waar eisers zijn verschenen, bijgestaan door mr. H.J.F. Dullemond, advocaat te Zwolle. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van der Sluis, J. Bovendorp en mr. K.A. Weerts.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank is van oordeel dat, nu verweerder met zijn brief van 15 september 2011 de motivering van het bestreden besluit heeft aangevuld, het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en zal daarom worden vernietigd. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

2.2 Eisers hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte bij het nemen van het primaire besluit van 16 december 2009 geen acht heeft geslagen op de ingebrachte zienswijze. Hierdoor is het primaire besluit van 16 december 2009 in strijd met artikel 3:2 en 3:4 van de Awb tot stand gekomen, zodat dit niet in stand kan blijven.

Vast staat dat verweerder eisers in de gelegenheid heeft gesteld een zienswijze in te dienen. Verweerder heeft erkend dat hij ten onrechte deze zienswijze niet bij het besluit van

16 december 2009 heeft betrokken.

Uit de stukken kan worden afgeleid dat eisers op 20 januari 2010 in een gesprek met een tweetal ambtenaren van verweerders gemeente hun zienswijze hebben toegelicht en dat eisers in het kader van de bezwaarschriftenprocedure schriftelijk en mondeling hun bezwaren naar voren hebben kunnen brengen.

De rechtbank is van oordeel dat, zo al sprake is van gebreken in de besluitvorming van

16 december 2009, deze in het kader van de bezwaarschriftenprocedure bij het bestreden besluit zijn hersteld. Het betoog van eisers kan dan ook niet leiden tot het door hen beoogde resultaat.

2.3 Ingevolge het bestemmingsplan “Wissel 1994”, zoals dat ten tijde van belang van kracht was, rust op het perceel de bestemming “Bos, logiesverblijven toegestaan”.

Ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, is de op de plankaart voor “bos, logiesverblijven toegestaan” aangewezen grond bestemd voor doeleinden voor recreatief (nacht)verblijf met de daarbij behorende gebouwen (logiesverblijven) en andere bouwwerken.

Ingevolge artikel 2.8, elfde lid, van deze voorschriften is permanente bewoning van logiesverblijven en stacaravans niet toegestaan.

Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van deze voorschriften is het verboden gronden of opstallen te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, in strijd met de in het bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming.

In artikel 1.1, aanhef en onder 13, is bepaald dat onder logiesverblijf wordt verstaan een gebouw of gedeelte van een gebouw, welk gebouw of welk gedeelte blijkens zijn constructie en inrichting is bestemd voor het bieden van recreatief (nacht)verblijf of tijdelijk onderdak aan mensen die hun hoofdverblijf elders hebben.

In artikel 5.2, derde lid, is bepaald dat gebruik van grond en opstallen op een wijze of tot een doel strijdig met de in het bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming en met de daarbij in deze voorschriften gegeven gebruiksbepalingen mag worden voortgezet voor zover het gebruik bestond ten tijde van het van kracht worden van het plan, zolang in de aard van dat gebruik geen wijziging wordt aangebracht, dan wel deze wijziging een vermindering van de strijdigheid van het plan inhoudt.

In afwijking van het derde lid is in het vierde lid van dit artikel bepaald dat het permanent bewonen van logiesverblijven gelegen binnen de bestemming “Bos, logiesverblijven toegestaan”, ongeacht het moment waarop dit gebruik bestond, niet mag worden voortgezet.

2.4 Niet in geschil en ook de rechtbank stelt vast dat eisers hun woning permanent bewonen.

Eisers hebben zich in beroep op het standpunt gesteld dat zij sedert 1992 de recreatiewoning permanent bewonen en hebben ter onderbouwing daarvan in bezwaar een aantal verklaringen en stukken overgelegd. Gelet op de overgangsbepalingen van het bestemmingsplan “Wissel 1994” is verweerder niet bevoegd handhavend op te treden, aldus eisers.

De rechtbank volgt eisers niet in deze stelling. Nog daargelaten of eisers met de overgelegde stukken aannemelijk hebben gemaakt dat zij de woning sinds 1992 permanent bewonen, is de rechtbank van oordeel dat het bepaalde in het vierde lid van artikel 5.2 van de hiervoor genoemde planvoorschriften een geslaagd beroep op het overgangsrecht in de weg staat.

Gelet op het voorgaande staat vast dat eisers handelen in strijd met het bestemmingsplan zodat verweerder daartegen handhavend kon optreden.

2.5 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.6 Tussen partijen is in geschil of aan eisers ontheffing kan worden verleend voor de permanente bewoning van de recreatiewoning. Is dat het geval, dan bestaat concreet zicht op legalisatie van de geconstateerde overtreding. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dit luidde ten tijde hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, onderdeel j, van het Besluit ruimtelijke ordening komen voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro in aanmerking een wijziging van het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning mits:

1e. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;

2e. bewoning niet in strijd is me de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden, en

3e. de aanvrager vóór, maar in elk geval op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont.

In het bestreden besluit zoals aangevuld bij brief van 15 september 2011, heeft verweerder zijn standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor verlening van ontheffing op grond van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro gemotiveerd. De rechtbank merkt in dit verband op dat de brief van 15 september 2011 moet worden aangemerkt als een aanvullende motivering en niet als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb.

Verweerder voert het beleid om geen permanente bewoning van recreatiewoningen toe te staan. Dit beleid heeft hij vanaf 1981 naar buiten toe gecommuniceerd en is sinds dat jaar ook in bestemmingsplannen opgenomen. Dit beleid is ook daadwerkelijk gehandhaafd, waartoe verweerder verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 oktober 2009 (LJN: BJ9524). Verlening van ontheffing zou in strijd zijn met dit beleid. In dit verband heeft verweerder nog aangegeven dat door prioriteitsstelling, de handhavingscapaciteit en de landelijke ontwikkeling rond permanente bewoning minder is ingezet op handhaving van permanente bewoning, maar dit neemt niet weg dat hij daadwerkelijk handhavend heeft opgetreden, aldus verweerder. Voorts wijst verweerder erop dat er in het verleden in meerdere situaties lasten zijn opgelegd die ertoe hebben geleid dat de permanente bewoning is beëindigd. Verder is verweerder van mening dat, indien in dit geval ontheffing zou worden verleend, dit een precedent zal scheppen in toekomstige handhavingssituaties, hetgeen hij ongewenst acht. Bovendien acht verweerder het niet juist dat mensen die bewust het risico hebben genomen in strijd met het beleid te handelen, worden beloond.

Tot slot heeft verweerder gewezen op het belang van het borgen van voldoende verblijfsrecreatief aanbod en het borgen en ontwikkelen van de kwaliteit en de leefbaarheid van het landelijk gebied. Hierbij heeft verweerder aangegeven, dat de gemeente Epe een recreatieve gemeente is met een gevarieerd aanbod van verblijfsrecreatie. Door bewoning van recreatiewoningen wordt het aanbod voor de recreant minder en ook brengt de permanente bewoning van recreatiewoningen verstening van het buitengebied met zich, aldus verweerder.

De rechtbank is van oordeel dat, gegeven de aan verweerder toekomende beleidsvrijheid, verweerder zich op de naar voren gebrachte gronden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verlenen van ontheffing niet in de rede ligt, zodat geen concreet zicht op legalisatie bestaat.

2.7 Naar het oordeel van de rechtbank is voorts niet gebleken van omstandigheden die zo bijzonder zijn dat verweerder had behoren af te zien van handhaving.

Dat, naar eisers hebben betoogd, zij al zeer geruime tijd in de recreatiewoning wonen, staat naar het oordeel van de rechtbank niet in de weg aan handhavend optreden. Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 21 juli 2010,

zaak nr. 200909962/1, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl) vormt het enkele tijdsverloop, ongeacht de duur daarvan, geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder van handhavend optreden had behoren af te zien.

Met betrekking tot de aangevoerde medische omstandigheden overweegt de rechtbank dat dit niet nader is onderbouwd, bijvoorbeeld door een verklaring van een arts, zodat dit reeds hierom voor verweerder geen aanleiding behoefde te zijn om van handhavend optreden af te zien.

2.8 Ten aanzien van de begunstigingstermijn overweegt de rechtbank ten slotte dat voor bewoners die, zoals eisers, vóór 31 oktober 2003 permanent in een recreatiewoning zijn gaan wonen, een overgangsregeling geldt, die inhoudt dat zij een begunstigingstermijn krijgen, die wordt berekend op de helft van het aantal jaren dat zij in de woning hebben gewoond tot, naar de rechtbank begrijpt, 31 oktober 2003. Anders dan eisers hebben betoogd acht de rechtbank dit beleid niet kennelijk onredelijk.

Uit de overlegde stukken kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat eisers vanaf 1992 de woning permanent hebben bewoond. Verweerder heeft het ervoor gehouden dat dit 1995 is en heeft in verband hiermee de begunstigingstermijn in het bestreden besluit aangepast naar een periode van vier jaar en vijf maanden. De rechtbank acht verweerders standpunt ten aanzien van de aanvang van de permanente bewoning niet onjuist.

De rechtbank stelt in dit verband echter vast dat uitgaande van een begunstigingstermijn van vier jaar en vijf maanden de permanente bewoning op 17 mei 2014 beëindigd moet zijn. Zoals verweerder in zijn brief van 21 juli 2010 heeft vermeld, is in het bestreden besluit abusievelijk de datum 17 mei 2013 opgenomen. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat sprake is van een kennelijke verschrijving.

2.9 Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

2.10 Er is aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van eisers. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van rechtsbijstand 2 punten toegekend (beroep 1 punt en verschijnen ter zitting 1 punt) waarbij een wegingsfactor 1 wordt toegekend.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 874,-- ter zake van verleende rechtsbijstand;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 150,-- aan eisers vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 november 2011.