Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU5678

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
120770 FA RK 11-554
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot herroeping echtscheiding in verband met bedrog dan wel achterhouden van stukken t.a.v. de daarbij vastgestelde verdeling

De man laat verstek gaan in de echtscheidingsprocedure. Vervolgens verzoekt hij herroeping van de echtscheiding in verband met door de vrouw gepleegd bedrog c.q. het achterhouden van stukken. Hij stelt dat de rechtbank de verdeling, die in de echtscheidingsbeschikking is vastgesteld, niet op deze wijze had vastgesteld indien de vrouw de rechtbank volledig en juist had geïnformeerd.

Van bedrog in de zin van artikel 382 Rv kan alleen sprake zijn indien het bedrog niet redelijkerwijs had kunnen worden ontdekt. Nu de man eenvoudigweg door het vergelijken van de leningnummers had kunnen constateren dat de door de vrouw genoemde aan de man toe te delen lening niet de ABN AMRO-schuld betrof, is de rechtbank van oordeel dat hij niet met succes een beroep op deze grond kan doen. Hij wist bovendien dat er sprake was van meer dan één schuld.

De niet in het geding gebrachte stukken zouden niet zonder meer hebben geleid tot de conclusie dat sprake was van een onevenredige verdeling. Het ontbreken van de stukken had voor de man aanleiding kunnen vormen verweer te voeren. De rechtbank zou als er stukken van de schulden waren overgelegd nog geen zekerheid hebben gehad over de waarde van het chalet, de hoogte van andere schulden en de vraag of het om een uitputtende opsomming van de te verdelen zaken (schulden) ging.

Het verzoek wordt afgewezen.

Artikelen: 382 Rv, 390 Rv

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 382
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 390
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 120770 FARK 11-554

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 26 oktober 2011

in de zaak tussen:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],

verzoeker, hierna te noemen de man,

advocaat: mr. W.H. Teusink te Wezep,

en

[verzoekster],

wonende te [verweerster],

verweerster, hierna te noemen de vrouw,

advocaat: mr. H. Hulshof te Emmeloord.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 14 maart 2011;

- de brief met bijlage van 15 maart 2011 van mr. Teusink;

- het exploot van betekening van 28 maart 2011;

- het herstelexploot van betekening van 4 april 2011;

- het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 16 mei 2011;

- het journaalbericht met bijlagen van 7 juli 2011 van mr. Hulshof;

- de brief met bijlagen van 27 september 2011 van mr. Teusink;

- het faxbericht met bijlage van 27 september 2011 van mr. Teusink;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 28 september 2011.

De feiten

Bij beschikking van deze rechtbank van 15 september 2010 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die beschikking is op 4 oktober 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente].

In de echtscheidingsbeschikking van 15 september 2010 is voorts aan de vrouw toegedeeld, zonder nadere verrekening:

- de inboedelgoederen aanwezig in de woning aan de [adres];

- de bankrekeningen op haar naam met de daaraan verbonden saldi;

- de verzekeringen en polissen op haar naam, inclusief de daarin aanwezige waarden, waaronder de polis bij Fortis met polisnummer [nummer].

Aan de man is toegedeeld, zonder nadere verrekening:

- de inboedelgoederen aanwezig in de woning aan de [adres2];

- de bankrekeningen op zijn naam met de daaraan verbonden saldi;

- het chalet en de daaraan verbonden lening met nummer [nummer2];

onder de verplichting de eventuele huwelijkse schulden over te nemen en als eigen schuld te voldoen onder vrijwaring van de vrouw.

Daarbij is bepaald dat de man aan de vrouw € 800,-- dient te voldoen.

Het verzoek

De man verzoekt:

a) dat de rechter de beschikking van 15 september 2010 geheel of gedeeltelijk zal herroepen, voor zover een grond/de gronden van het herroepingsverzoek de gehele of de gedeeltelijke herroeping rechtvaardigt/rechtvaardigen;

b) dat de rechter die zaak geheel of gedeeltelijk zal heropenen en herstellen in de staat waarin het geding zich bevond voor de bestreden uitspraak en zal bepalen dat aan de man alsnog de gelegenheid wordt geboden zich te verweren in de echtscheidingsprocedure voor zover daarbij de boedelverdeling aan de orde zal komen;

c) dat dag en uur zullen worden bepaald waarop de behandeling van dit verzoek zal aanvangen;

d) de vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding.

De man stelt dat aan de echtscheiding een periode vooraf ging waarin partijen gescheiden leefden, na een scheiding van tafel en bed die door deze rechtbank werd uitgesproken bij beschikking van 20 februari 2008. Deze beschikking is nooit ingeschreven in het huwelijksgoederenregister, zodat deze nooit van kracht is geworden. Ten tijde van de scheiding van tafel en bed hadden partijen omvangrijke schulden. De vrouw heeft voorafgaand aan de echtscheidingsprocedure aan de man gemeld dat zij voornemens was vastlegging van de overeengekomen boedelverdeling te vragen. Hij zag daarin geen aanleiding te vermoeden dat de vrouw in rechte andere afspraken zou bedingen, dan die welke tussen partijen in onderling overleg al tot stand waren gekomen en werden uitgevoerd. Hij liet zich bewegen geen verweer te voeren en de zaak niet ter beoordeling aan een eigen raadsman voor te leggen. De vrouw wist dat hij over weinig financiële middelen beschikte en niet snel om een betaald advies zou vragen. Het echtscheidingsverzoek met slechts één relevante bijlage dat door de vrouw is ingediend, bevat een aantal onwaarheden en/of onvolledigheden, ten gevolge waarvan de man en vervolgens de echtscheidingsrechter is misleid. De vrouw heeft ten onrechte in haar verzoekschrift gesteld dat partijen - voor zover zij wist - niet over andere schulden beschikten dan de voor het chalet aangegane schuld onder nummer [nummer2]. De vrouw wist dat partijen ten minste twee schulden hadden die samenhangen met de betaling van het chalet. De vrouw hield er blijkbaar rekening mee dat de rechter een verdeling bij verstek mogelijk zou hebben afgewezen indien de verzochte verdeling niet redelijk of billijk voorkwam en heeft geprobeerd de indruk te wekken dat een redelijke verdeling werd verzocht. Zij heeft de redelijkheidstoets omzeild en derhalve de echtscheidingsbeschikking door middel van bedrog verkregen.

De man begreep uit het verzoek van de vrouw dat zij alleen maar schriftelijk wilde vastleggen dat de man het chalet zou verkrijgen mits daarbij werd vastgelegd dat de daarop rustende schuld die hij altijd al voldeed, door hem wordt gedragen. Hij ging ervan uit dat de vrouw met “de daaraan verbonden lening” bedoelde de ABN AMRO-schuld die op zijn naam stond en waarop hij al inloste. Pas bij de dagvaarding van 24 november 2010 werd de bijbehorende geldleningsovereenkomst voor het eerst getoond en blijkt het om een andere schuld met nummer [nummer2] van € 12.500,-- te gaan, die de vrouw is aangegaan op 14 april 2004 ter betaling van de laatste termijn van het chalet. Als hem dit stuk bij het echtscheidingsverzoek was voorgehouden had hij zich tijdig kunnen realiseren dat verweer noodzakelijk was.

Ten gevolge van het bedrog en het achterhouden van stukken is een verdeling tot stand gekomen waardoor hij ernstig benadeeld is.

De echtscheidingsbeschikking is op 15 december 2010 in kracht van gewijsde gegaan. Pas rond 4 maart 2011 heeft de advocaat van de man van de rechtbank de stukken ontvangen waaruit blijkt welke bijlagen de vrouw bij haar verzoekschrift aan de rechtbank heeft overgelegd. Nu het verzoekschrift tot herroeping is ingediend voor 15 maart 2011 is het daarmee ingediend binnen de daarvoor geldende termijn van drie maanden.

Het verweer

De vrouw verzoekt dat de rechtbank de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk zal verklaren, althans deze verzoeken zal afwijzen met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

De man heeft gedurende de periode dat partijen al gescheiden leefden niet gereageerd op de verzoeken van haar advocaat voor een gezamenlijke regeling van de echtscheiding. Daarom heeft zij besloten een eenzijdig verzoek in te dienen en de kosten daarvan voor haar rekening te nemen.

Op 15 oktober 2010 heeft haar advocaat de man aangeschreven tot nakoming van zijn verplichtingen. Omdat de man in gebreke bleef, is hij gedagvaard. Bij brief van 21 januari 2011 heeft de man gesteld dat de verdeling niet redelijk zou zijn dan wel dat hij zou hebben gedwaald omtrent de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap.

Zij betwist dat er sprake is van bedrog. Partijen woonden ten tijde van het verzoek al tweeënhalf jaar niet meer samen en de vrouw wist inmiddels niet meer welke schulden er allemaal waren. Daarom heeft zij verzocht eventuele huwelijkse schulden aan de man toe te delen. Zij heeft in haar verzoekschrift niet gesteld dat de verzochte verdeling een verdeling bij helfte was of daaraan gelijk. De rechtbank heeft bij de beoordeling een lijdelijke rol; het was aan de man verweer te voeren.

Voorts was de man in ieder geval ten tijde van de scheiding van tafel en bed bekend met het feit dat er twee leningen zijn aangegaan voor het chalet. De man heeft de lening op haar naam, waarvan zij het nummer in het verzoekschrift heeft genoemd, zelf afgesloten.

Voor zover de man stelt dat zij stukken zou hebben achtergehouden, moet het gelet op artikel 382 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) gaan om stukken van beslissende aard. Derhalve zou de uitspraak anders moeten zijn uitgevallen als de inhoud van die stukken bij de rechtbank wel bekend zou zijn geweest. Het overleggen van de overeenkomst van de lening had de uitspraak van de rechter niet anders gemaakt, omdat de rechtbank lijdelijk is en niet nagaat wat de omvang van de schulden is indien er geen verweer wordt gevoerd. Deze stukken waren bij de man wel bekend en hij wist vanuit de procedure tot scheiding van tafel en bed en eerder gevoerde discussies dat de vrouw wilde dat hij deze lening voor zijn rekening nam. Daarnaast laat de toevoeging dat verzocht werd alle huwelijkse schulden aan de man toe te delen geen enkele ruimte voor een misvatting dat zij de schulden voor haar rekening wilde of kon nemen.

Indien de man het niet eens was met de verdeling of vragen had over zijn juridische mogelijkheden, kon hij daartoe zelf een advocaat inschakelen. De mogelijkheid van hoger beroep stond open tot 15 december 2010 toen de man op 24 november 2010 de dagvaarding betekend kreeg. In feite is de man van mening dat hij heeft gedwaald. Voor zover daar al sprake van zou zijn, staat in ieder geval op grond van jurisprudentie vast dat dwaling geen grond voor herroeping vormt.

De beoordeling

Op grond van art. 390 juncto art. 382 Rv. kan een beschikking die in kracht van gewijsde is gegaan op vordering van een partij worden herroepen indien:

a. deze berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd,

b. deze berust op stukken, waarvan de valsheid na de beschikking is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of

c. de partij na deze beschikking stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

Op grond van art. 383 Rv. moet dit rechtsmiddel worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en verzoeker daarmee bekend is geworden, welke termijn niet aanvangt dan nadat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

Nu de beschikking op 15 december 2011 in kracht van gewijsde is gegaan en de advocaat van de man heeft toegelicht dat hij bovendien pas in maart 2011 over voldoende gegevens beschikte om een verzoek tot herroeping op te kunnen baseren, acht de rechtbank de man ontvankelijk in zijn verzoek.

De man baseert zijn verzoek op de gronden zoals genoemd in de leden a en c van art. 382 Rv.

Met betrekking tot zijn stelling dat er sprake is van bedrog heeft hij onder meer aangevoerd dat de vrouw ten onrechte in haar verzoekschrift heeft aangegeven dat partijen voor zover haar bekend naast de lening met nummer [nummer2] niet over andere schulden beschikten en dat door het ontbreken van een bijlage met betrekking tot deze lening de man op het verkeerde been werd gezet, in die zin dat hij daardoor logischerwijze mocht concluderen het wel de ABN AMRO-schuld betrof die op zijn naam stond en waarop hij al inloste.

Op grond van vaste jurisprudentie (HR 15 februari 2008, NJ 2008/112) kan een verzoek tot herroeping niet met succes worden ingesteld tegen een beslissing die mede berust op door de wederpartij gepleegd bedrog, indien het bedrog reeds tijdens de procedure is ontdekt, of bij een redelijkerwijs van de bedrogene te verwachten onderzoek had kunnen worden ontdekt. Nu de man eenvoudigweg door het vergelijken van de leningnummers had kunnen constateren dat de door de vrouw genoemde aan de man toe te delen lening niet de ABN AMRO-schuld betrof, is de rechtbank van oordeel dat hij niet met succes een beroep op deze grond kan doen. Het had te meer op de weg van de man gelegen zich in de stellingen van de vrouw te verdiepen, nu hem, zoals de vrouw genoegzaam heeft onderbouwd, bekend was dat er nog een schuld door partijen was aangegaan voor het chalet en de vrouw al eerder had aangegeven dat naar haar mening beide leningen aan de man dienden te worden toegedeeld. Daar doet het feit dat deze lening op naam van de vrouw is gesteld en de vrouw tot dan toe zorg droeg voor de betaling niet aan af. De stelling dat de beschikking voor wat betreft de verdeling berust op bedrog wordt daarom gepasseerd.

Voorts heeft de man aangevoerd dat hij na de beschikking stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden. Het achterhouden van stukken door de wederpartij behoeft volgens de jurisprudentie overigens geen bedrieglijk karakter te hebben. Aan de orde is thans de vraag of de stukken die de man noemt, stukken betreffen die de uitspraak anders zouden hebben doen uitvallen als zij aan de rechter bekend zouden zijn geweest. De man heeft aangevoerd dat, indien de vrouw bewijsstukken van de schulden en polis bij Fortis zou hebben overgelegd, de rechtbank zou hebben gezien dat er sprake is van een onevenredige verdeling. Indien hem uit de stukken zou zijn gebleken dat de vrouw verzocht de op haar naam staande lening ten behoeve van het chalet aan hem toe te delen en dat de door haar opgevoerde polis bij Fortis een polis betrof waarop de door haar in het verleden ontvangen vergoeding van haar werkgever van € 50.000,-- is gestort, zou hij bovendien verweer hebben gevoerd, stelt de man voorts. Hij verkeerde namelijk in de veronderstelling dat de vrouw dit geld in de periode voorafgaand aan de echtscheiding had uitgegeven en dat dit het spaarloon van de vrouw betrof.

De rechtbank overweegt dat de man zelf als prod. 6 een overzicht van zijn schulden van het BKR, afdeling inlichtingen en inzage, van 25 november 2009 overgelegd waaruit blijkt dat er sprake is van meer schulden. De man wist derhalve op het moment van indiening van het echtscheidingsverzoek door de vrouw reeds dat haar stelling dat er geen sprake was van overige schulden onjuist was. Ter zitting heeft de vrouw bevestigd dat de polis bij Fortis inderdaad de vergoeding van haar werkgever betreft. Het bedrag is destijds gestort in een lijfrentepolis. Nu de man op de hoogte was van het feit dat de vrouw enige jaren geleden een vergoeding van € 50.000,-- heeft ontvangen, lag het naar het oordeel van de rechtbank op zijn pad om hieromtrent nadere informatie te vragen. Dit alles tezamen maakt dat de man reeds voldoende aanleiding had om de door de vrouw verzochte wijze van verdeling nader te onderzoeken en desgewenst aan de hand daarvan verweer te voeren.

Voor zover de man stelt dat de informatie omtrent de leningen en schulden, met name het feit dat de lening op naam van de vrouw van € 12.500,-- aan de man zou worden toegedeeld naast de andere op naam van de man staande lening voor het chalet, en de nadere informatie over het tegoed/saldo van de polis bij Fortis tot een ander oordeel van de rechtbank zou hebben geleid, staat naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer vast dat deze informatie zou hebben geleid tot de conclusie dat het verdelingsverzoek van de vrouw onrechtmatig of ongegrond was. De rechtbank zou immers ook dan geen zekerheid hebben gehad over de waarde van het chalet, de hoogte van andere schulden en de vraag of het om een uitputtende opsomming van de te verdelen zaken (schulden) ging. Ook op deze grond dienen de verzoeken van de man daarom naar het oordeel van de rechtbank te worden afgewezen.

In de omstandigheid dat de vrouw en de man gewezen echtelieden zijn, ziet de rechtbank aanleiding de kosten van deze procedure tussen hen te compenseren als na te melden.

De beslissing

De rechtbank:

wijst de verzoeken van de man af;

compenseert de kosten van dit geding aldus dat iedere partij met de eigen kosten belast blijft.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 oktober 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.