Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU5515

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
23-11-2011
Zaaknummer
06/850047-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank spreekt man vrij van het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarig meisje in Ermelo. Zowel de rechtbank, als het OM en de raadsman zijn het eens dat niet bewezen kan worden of het meisje in die periode jonger was dan 16 jaar. Op grond van de verklaringen en ook anderszins komt niet vast te staan dat de handelingen hebben plaatsgevonden vóór de dag waarop het slachtoffer de leeftijd van zestien jaar bereikte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/850047-09

Uitspraak d.d.: 23 november 2011

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1969],

wonende te [adres].

Raadsman: M.Ü. Özsüren, advocaat te Harderwijk.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 november 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari

1999 tot en met 18 juni 2000 te Ermelo en/of Amersfoort en/of Harderwijk, met

[slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van

zestien jaren had bereikt, buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en)

heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen,

althans eenmaal met zijn penis de mond van die [slachtoffer] binnengedrongen;

art 245 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari

1999 tot en met 18 juni 2002 te Ermelo en/of Damwoude, gemeente Datumadeel

en/of Amersfoort en/of Harderwijk, althans elders in Nederland, ontucht heeft

gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde

minderjarige [slachtoffer], geboren op [1984], immers heeft hij

opzettelijk ontuchtig

- meermalen, althans eenmaal de borsten van die [slachtoffer] betast en/of

- meermalen, althans eenmaal de vagina van die [slachtoffer] betast en/of

- meermalen, althans eenmaal zich door die [slachtoffer] laten aftrekken en/of

- meermalen, althans eenmaal de vagina van die [slachtoffer] gekust en/of gelikt;

ALTHANS, dat

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 1999

1-1-1999 tot en met 18 juni 2000 te Ermelo en/of Amersfoort en/of Harderwijk

met [slachtoffer], geboren op [1984], die toen de leeftijd van

zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige

handelingen heeft gepleegd en/of genoemde [slachtoffer] tot het plegen en/of dulden

van (een) zodanige handeling(en) heeft verleid, bestaande die ontuchtige

handeling(en) hierin dat verdachte

- meermalen, althans eenmaal de borsten van die [slachtoffer] heeft betast en/of

- meermalen, althans eenmaal de vagina van die [slachtoffer] heeft betast en/of

- meermalen, althans eenmaal de vagina van die [slachtoffer] heeft gekust en/of

gelikt en/of

- meermalen, althans eenmaal zich heeft laten aftrekken door die [slachtoffer].

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op 14 oktober 2008 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van verkrachting, aanranding en het moeten dulden en plegen van ontuchtige handelingen door en bij verdachte.

Door verdachte is ter zitting verklaard dat er door hem ontuchtige handelingen zijn verricht,waarvan verdachte zegt dat die niet bestonden uit binnendringen van het lichaam van [slachtoffer]. Hij weet niet wanneer die handelingen hebben plaatsgevonden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [slachtoffer] ten tijde van het plegen van de handelingen door verdachte jonger was dan zestien jaar. Ook kan niet bewezen worden dat zij ten tijde van de handelingen aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [slachtoffer] ten tijde van het plegen van de handelingen door verdachte jonger was dan zestien jaar, dan wel aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 1, 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Op grond van de verklaringen van aangeefster [slachtoffer], haar moeder [moeder slachtoffer] en verdachte kan niet worden vastgesteld wanneer de ten laste gelegde handelingen zouden hebben plaatsgevonden. Door [slachtoffer] is bij de rechter-commissaris verklaard dat het misbruik is begonnen toen zij 15 of 16 jaar oud was. Ook is door [moeder slac[slachtoffer] verklaard dat haar dochter 15 of 16 jaar oud was toen zij voor het eerst contact kreeg met verdachte. Op grond van de verklaringen en ook anderszins komt niet vast te staan dat de handelingen hebben plaatsgevonden vóór 19 juni 2011, de dag waarop [slachtoffer] de leeftijd van zestien jaar bereikte.

Evenmin kan bewezen worden dat [slachtoffer] aan de zorg en/of waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd. De rechtbank overweegt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht, afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval, zoals het overwicht dat tussen de verdachte en de minderjarige bestaat op grond van de aard en de duur van de betrekking tussen beiden, de plaats waar de ten laste gelegde gedragingen plaatsvonden en de leeftijd van verdachte en van de minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat in het onderhavige geval, gelet op onder meer het karakter en de duur van de oppassituatie, het slachtoffer [slachtoffer] aan de zorg, opleiding en/of waakzaamheid van de verdachte was toevertrouwd ten tijde van het plegen van de ontuchtige handelingen.

Nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 1, 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu verdachte is vrijgesproken van het ten laste gelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Beslissing

De rechtbank:

• verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

• verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door mrs. Troost, voorzitter, Prisse en Tas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Demmers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 november 2011.