Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU4977

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
10/836, 10/860, 10/889 en 10/1136
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling o.g.v. art. 19 WRO (oud) en bouwvergunning voor 10 woningen 't Harde. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN 1000A SU/ongegrond/geen PKV

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 10/836, 10/860, 10/889 en 10/1136

Uitspraak in het geding tussen:

1. [eiser sub 1];

2. [eiser sub 2];

3. [eisers sub 3].;

4. [eiser sub 4];

te [plaats],

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Elburg

verweerder,

alsmede

Woningstichting De Veste

te Ommen,

derde-partij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2009 heeft verweerder, na verlening van een vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) (oud), bouwvergunning verleend voor het bouwen van tien woningen c.a. op het perceel Serpentino 2 t/m 20 (even) te 't Harde, gemeente Elburg, kadastraal bekend gemeente Doornspijk, [kadastraal nummer] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 26 juni 2009 heeft verweerder een ontheffing (hierna: kapontheffing) ingevolge artikel 2 van de Natuur- en landschapsverordening 1997 verleend voor het kappen van een groenstrook met diverse bomen op het perceel.

Bij afzonderlijke besluiten van 8 april 2010 (hierna: de bestreden besluiten) heeft verweerder de daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten in stand gelaten, met dien verstande dat voorschrift 3 van de kapontheffing is gewijzigd.

Eisers hebben afzonderlijk beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en verweerschriften ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 oktober 2011, waar eisers sub 1 en 2 in persoon zijn verschenen, alsmede eiser sub 4, die tevens eisers sub 3 vertegenwoordigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. van den Hoorn, mr. J.D. Post, G. Wagenaar, C. Duitman en J.J. Ruster, bijgestaan door H.M.C. Verhagen, werkzaam bij Advies- en Ingenieursbureau Oranjewoud B.V. (hierna: Oranjewoud).

2. Overwegingen

Het bouwplan voorziet in de bouw van tien woningen en de daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken met bijbehorende parkeer- en andere openbare voorzieningen.

De kapontheffing ziet op de verwijdering van het feitelijk op het perceel aanwezige groen.

Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "1e uitwerkingsvoorschrift 't Harde", waarin het betreffende perceel de bestemming "openbaar groen, plantsoen of berm" heeft.

Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft verweerder vrijstelling van het bestemmingsplan verleend op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO (oud).

Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO (oud), kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, tweede en derde volzin, van de WRO (oud) wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

Het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: GS) heeft laatstelijk bij besluit van 15 november 2005 de lijst van categorieën van gevallen ex artikel 19, tweede lid, van de WRO (oud) vastgesteld. Ingevolge categorie 1 (Wonen) van deze vrijstellingslijst kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen voor bouwprojecten voor woonfuncties in stedelijk gebied, mits niet gesitueerd op een bedrijventerrein.

De rechtbank stelt vast dat het project past in categorie 1 (Wonen) van deze vrijstellingenlijst en dat het project is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing in de vorm van het document "Goede Ruimtelijke Onderbouwing Serpentino 't Harde". In zoverre is voldaan aan de wettelijke vereisten voor toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO (oud). De rechtbank merkt daarbij op dat er geen wettelijke verplichting bestaat voor verweerder om de ruimtelijke onderbouwing voor een project zelf op te stellen of door een onafhankelijke derde op te laten stellen. De door Oranjewoud opgestelde ruimtelijke onderbouwing voldoet in zoverre aan de daaraan te stellen eisen.

Hoewel verweerder in 2002 het bosperceel nog van dermate grote waarde achtte dat hij het perceel niet aan particulieren wilde verkopen, heeft de gemeenteraad in haar Woonvisie, vastgesteld op 27 januari 2005, de onderhavige locatie als één van de vier inbreidingslocaties in 't Harde aangewezen. Er is blijkbaar sprake van gewijzigde inzichten. Dit valt echter onder de beleidsvrijheid van de gemeenteraad en van verweerder.

Dat het bouwen van woningen op het bosperceel financiële middelen oplevert voor verweerder, maakt de keuze voor deze lokatie niet onrechtmatig.

In paragraaf 3.3. van de ruimtelijke onderbouwing wordt ingegaan op de gevolgen voor de huidige groenstrook en de woonomgeving. De aangevraagde bebouwingsdichtheid en bouwhoogte wordt uit stedenbouwkundig oogpunt passend geacht binnen de bestaande bebouwingsstructuur. In de zienswijzennota is dit nader gemotiveerd. De vrijstaande woningen met een nokhoogte van circa 6, 6 respectievelijk 8,1 meter voegen zich volgens verweerder in de bestaande bebouwing van plat afgedekte bungalows van een bouwlaag en twee-onder-een-kappers van twee bouwlagen met kap. Hoewel eisers bestrijden dat sprake is van een goede ruimtelijke inpassing, hebben zij geen gegevens aangedragen op grond waarvan deze stedenbouwkundige visie van verweerder rechtens als onacceptabel zou moeten worden geoordeeld. Hun standpunt is niet met een deskundig tegenadvies onderbouwd. In hoofdstuk 8 van de ruimtelijke onderbouwing is uiteengezet dat het project economisch uitvoerbaar is. De enkele stelling van eisers dat de huizen waarschijnlijk onverkoopbaar zijn, vormt onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat het project niet economisch uitvoerbaar is.

Uit de zonnestudie blijkt dat slechts in beperkte mate sprake is van schaduwwerking van het bouwproject, waarbij wordt meegewogen dat ook bij de bestaande bomen sprake is van schaduwwerking. Eisers bestrijden de juistheid van de zonnestudie, maar hebben geen deskundig tegenadvies laten opstellen dat hun argumenten ondersteunt. Hoewel de zonnestudie mogelijk op details onnauwkeurig zou kunnen zijn, volgt uit de argumenten van eisers niet dat de schaduwwerking van het bouwproject veel ongunstiger uitvalt dan uit de zonnestudie blijkt, en in elk geval niet dat de schaduwwerking zodanig onevenredig uitvalt voor eisers dat geoordeeld moet worden dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit had kunnen komen.

Verweerder heeft de voorwaarde aan de kapvergunning verbonden, dat pas gekapt mag worden wanneer de bouwvergunning en de vrijstelling onherroepelijk zijn geworden. In zoverre heeft verweerder zich ervan verzekerd dat er niet gekapt zal worden, terwijl nog onzeker is of het bouwproject wel uitgevoerd zal kunnen worden. Ter zitting heeft verweerder toegezegd dat afspraken met de projectontwikkelaar zullen worden gemaakt dat niet eerder gekapt zal worden voordat ook daadwerkelijk gebouwd gaat worden. Verweerder komt daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende tegemoet aan de vrees van eisers voor een langdurig braakliggend terrein.

Ten aanzien van de bezwaren met betrekking tot de in het gebied aanwezige flora en fauna, kan naar het oordeel van de rechtbank worden volstaan met een verwijzing naar hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 augustus 2011, LJN: BR5657.

Ten aanzien van de door eisers aan de orde gestelde procedurele aspecten overweegt de rechtbank als volgt. Er bestaat, anders dan eisers willen, geen wettelijke verplichting om omwonenden bij het ontwikkelproces van een dergelijk project te betrekken. Verweerder heeft alle formele inspraakmogelijkheden toegepast en heeft daarmee voldaan aan zijn wettelijke inspraakverplichting. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van de bezwaarschriftencommissie. De commissie voldoet aan de vereisten die aan een dergelijke commissie worden gesteld in de Awb.

De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen grond is voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot de bestreden besluiten heeft kunnen komen of dat deze anderszins rechtens onjuist zijn.

De rechtbank begrijpt het onbehagen bij eisers over het feit dat verweerder op geen enkel punt is tegemoet gekomen aan hun niet onbegrijpelijke bezwaren en wensen, hetgeen, ofschoon verweerder daartoe rechtens niet verplicht was, op enig moment zeker mogelijk was, maar dit maakt de genomen besluiten nog niet onrechtmatig.

De rechtbank wijst er nog op dat eisers zich tot verweerder kunnen wenden met een zelfstandig verzoek om planschade, indien zij als gevolg van het vrijstellingsbesluit schade lijden of zullen lijden in de vorm van waardevermindering van hun woning die redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van hen behoort te blijven.

Nu al hetgeen eisers hebben aangevoerd geen doel treft, zijn de beroepen ongegrond.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslist wordt daarom als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Groverman. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2011.