Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU4658

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
06/940270-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een Zutphense verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, voor het plegen van seksuele handelingen met zijn kleindoichter. Aan het voorwaardelijk strafdeel worden bijzondere voorwaarden verbonden, onder andere dat verdachte een behandeling dient te volgen. Verder dient de verdachte een schadevergoeding te betalen aan het slachtoffer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940270-11

Uitspraak d.d.: 16 november 2011

Tegenspraak / oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats, 1950],

wonende te [adres]

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem Noord, te Arnhem.

Raadsman: mr. D.P. Poppe advocaat te Epe.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

2 november 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 september 2009 tot en met 31 maart 2011 te Zutphen en/of Apeldoorn, in ieder geval in Nederland,

met zijn kleindochter [slachtoffer] (geboortedatum [2001]),

een of meer handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten

- het brengen van zijn penis in haar vagina althans tussen haar schaamlippen en/of

- het betasten van haar billen en/of haar borsten en/of haar vagina,

terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt en/of

en terwijl die [slachtoffer] aan verdachtes zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

art 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht,

art 244 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 september 2009 tot en met

31 maart 2011 te Zutphen en/of Apeldoorn, in ieder geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om bij/met

zijn kleindochter [slachtoffer] (geboortedatum [2001]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,

een of meer handelingen te plegen, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van haar lichaam,

zijn penis tegen de vagina van die [slachtoffer] heeft geduwd en/of daarbij heen en weer gaande ('rijdende') bewegingen heeft gemaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid en/of

terwijl die [slachtoffer] aan verdachtes zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

art 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht,

art 244 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 september 2009 tot en met

31 maart 2011 te Zutphen en/of Apeldoorn, in ieder geval in Nederland,

met zijn kleindochter [slachtoffer] (geboortedatum [2001]),

buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het betasten van haar borsten en/of haar billen en/of haar vagina,

terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt

en terwijl die [slachtoffer] aan verdachtes zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

art 248 lid 2 Wetboek van Strafrecht,

art 247 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding van het onderzoek

Op 13 april 2011 is er bij de politie een melding binnengekomen van vermoedelijke verkrachting van een minderjarig kind, gepleegd door haar opa. Het meisje had dit op school gemeld aan haar juf, door dit op te schrijven in een schrift waarin zij kon aangeven wat haar dwars zat. Nadat de moeder van het meisje aangifte had gedaan heeft er een studioverhoor van het vermoedelijke slachtoffer plaatsgevonden en zijn er getuigen gehoord. De verdachte is vervolgens aangehouden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Hij heeft dit gebaseerd op de aangifte, het studioverhoor, de verklaring van getuige [getuige A] en ten dele ook op de verklaringen die de verdachte heeft afgelegd. De verklaring van het slachtoffer tijdens het studioverhoor komt authentiek over en is samen met het overige steunbewijs voldoende betrouwbaar en overtuigend om te komen tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Op essentiële punten is er alleen de verklaring van aangeefster. Uit de verklaring van aangeefster blijkt echter niet dat sprake is geweest van daadwerkelijk binnendringen door verdachte. Er is geen medisch onderzoek verricht waaruit dit is gebleken, nog daargelaten dat verdachte een erectiestoornis heeft. De interpretatie van het verhoor van aangeefster is ingekleurd door het begrip "verkrachting", maar aangeefster heeft daarmee niet gedoeld op binnendringen. Ook van een poging tot binnendringen blijkt niet, althans onvoldoende. Uit de verklaring van aangeefster noch uit de verklaring van verdachte is af te leiden dat verdachte opzettelijk bij aangeefster wilde binnendringen. Dat valt niet met voorwaardelijk opzet te construeren. Op dat punt is er geen steunbewijs en zijn er ontkennende verklaringen van verdachte.

Ten aanzien van het meer subsidiaire is aangevoerd dat verdachte de vagina van aangeefster niet heeft betast. Voor zover de ontuchtige handelingen bestaan uit het betasten van billen en borsten wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Tijdens het studioverhoor heeft [slachtoffer]2 gedetailleerd verklaard dat verdachte haar meerdere keren op het bed of een bank heeft geduwd, haar broek en onderbroek heeft uitgetrokken, dat hij bij zichzelf de gulp open heeft gedaan en dat hij met zijn kruis tegen haar kruis is gegaan. In opa's kruis zit een piemel. Als hij zijn kruis tegen haar kruis deed voelde zij iets in haar plassertje. Dat vond zij niet leuk. Zij heeft zijn piemel gezien toen hij klaar was. Zij heeft zijn piemel alleen gezien als het gebeurde.

Het is meerdere keren gebeurd, zo'n zes keer. Dit is gebeurd in haar oude huis te Apeldoorn, in het huis van opa en oma en ook een keer in het bos. Haar oma en moeder waren dan weg naar de winkel of haar moeder was naar het werk. Het is begonnen toen zij acht jaar was.

Als zij hard riep, kwam haar zusje en hield opa op. Zij heeft het verteld aan de juf door het in het schriftje te schrijven.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 2 november 2011 en bij de politie verklaringen3 afgelegd. Hij heeft ontkend dat hij met zijn penis in de vagina of tussen de schaamlippen van [slachtoffer] is geweest en dat hij haar vagina heeft betast. Het ten laste gelegde betasten van de billen en borsten van [slachtoffer] heeft hij bekend te hebben gepleegd. Het begon met masseren en ging van daaruit verder. Dat gebeurde als hij oppaste, terwijl zijn vrouw en zijn dochter, de moeder van [slachtoffer], samen weg waren. Dit gebeurde in het huis van zijn dochter in Apeldoorn, maar ook bij hem thuis in Zutphen. Hij wist dat het strafbaar was.

De getuige [getuige A], de juf van [slachtoffer], heeft verklaard dat [slachtoffer] zich ongelukkig voelde en dat daarom op school het idee is opgevat een soort logboekje bij te houden. Op 5 april 2011 had [slachtoffer] opgeschreven dat zij door haar opa verkracht was. Zij heeft met [slachtoffer] gepraat. [slachtoffer] vertelde dat als haar moeder en oma weggingen opa op haar paste. Zij moest dan van opa op het bed liggen en opa trok haar broek en onderbroek uit. Hij deed zijn gulp open. Opa ging dan aan haar kruis zitten. Vervolgens ging opa op haar liggen en bewegen. Zij vertelde dat het vaker dan tien keer was gebeurd.

Anders dan de raadman is de rechtbank van oordeel dat tijdens het studioverhoor van [slachtoffer], dat volgens de daarvoor geldende voorschriften is afgenomen, de betekenis van het woord "verkrachting" niet is ingekleurd. Dat [slachtoffer] dit woord al kende blijkt uit het gegeven dat zij dit woord zelf al gebruikte in het logboekje op school en dat zij vervolgens naar aanleiding daarvan aan haar juf heeft uitgelegd wat haar opa met haar deed. Aan het begin van het studioverhoor heeft zij - wederom uit zichzelf - tegen de gecertificeerde zedenrechercheurs verklaard dat zij was verkracht door haar opa. Tijdens het verhoor heeft zij concreet en gedetailleerd verklaard wat voor haar het verschil is tussen vrijen en verkrachten. Ook heeft zij concreet en gedetailleerd verklaard welke handelingen verdachte met haar heeft gepleegd. Er is niet gebleken dat zij op enige wijze is gestuurd in haar verklaring. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] authentiek en betrouwbaar is. De rechtbank wordt daarin nog gesterkt door de houding van de verdachte ter terechtzitting. Aanvankelijk heeft hij ter zitting heel stellig verklaard dat hij [slachtoffer] niet heeft verkracht, maar gaandeweg heeft hij verklaard dat er naast het betasten misschien wel dingen zijn gebeurd die hij zich door fors alcoholgebruik niet meer kan herinneren.

Door en namens verdachte is gesteld dat hij vanwege een erectiestoornis, waarvoor hij in het verleden ook de huisarts zou hebben geconsulteerd, niet feitelijk heeft kunnen binnendringen. Uit de bij de huisarts van verdachte opgevraagde medische gegevens blijkt echter niet dat verdachte ooit melding heeft gemaakt van een erectiestoornis. Ook anderszins is dat niet gebleken, terwijl een eventuele erectiestoornis niet zonder meer in de weg hoeft te staan aan het ten laste gelegde primaire feit. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit punt niet aannemelijk.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op tijdstippen in de periode van 01 september 2009 tot en met 31 maart 2011 te Zutphen en/of Apeldoorn, met zijn kleindochter [slachtoffer] (geboortedatum [2001]),

handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten

- het brengen van zijn penis in haar vagina althans tussen haar schaamlippen en/of

- het betasten van haar billen en/of haar borsten,

terwijl die [slachtoffer] toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt en

terwijl die [slachtoffer] aan verdachtes zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Primair: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, begaan tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Over verdachte is een rapport opgemaakt op 21 september 2011 door mw. drs. B.T.E. Lems, gezondheidspsycholoog, en op 27 oktober 2011 door drs. L.P. Heinsman, psychiater.

De conclusie van de rapporten is dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Er is sprake van alcoholafhankelijk-heid en van pedofilie, zich beperkend tot incest bij een vermoedelijk zwakbegaafde man. Verder is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en vermijdende persoonlijkheidstrekken.

De ziekelijke stoornis en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens waren ook ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Op grond hiervan moet verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Met de conclusie van deze rapportages kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar nu overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5 jaar. De officier van justitie heeft daaraan de bijzondere voorwaarden verbonden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering en dat hij een behandeling moet volgen bij de Forensische Psychiatrische Polikliniek Kairos of een soortgelijke instelling.

Ter toelichting op zijn eis heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte een zeer ernstig feit heeft begaan. Enkel voor zijn eigen seksueel genot is hij voorbij gegaan aan de wil van zijn jonge kleinkind en heeft hij haar meerdere keren misbruikt, hetgeen langdurige psychische gevolgen voor haar kan hebben. Het kind was afhankelijk van verdachte. Verdachte heeft misbruikt gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen dat hij als opa had.

Ook heeft de officier van justitie rekening gehouden met het eerdere justitiële contact terzake een zedenmisdrijf en de bereidheid van verdachte om een behandeling te volgen.

De raadsman heeft, naast de bepleite vrijspraak voor het primair en subsidiair ten laste gelegde, aangevoerd dat de straf voor het meer subsidiair ten laste gelegde beperkt dient te blijven tot de tijd dat verdachte thans in detentie heeft doorgebracht. Indien er naar het oordeel van de rechtbank meer straf opgelegd dient te worden, dient enkel een voorwaardelijke straf opgelegd te worden met de voorwaarden zoals door het NIFP is geadviseerd. De noodzakelijke behandeling zou kunnen plaatsvinden in het kader van een bijzondere voorwaarde.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is.

De verdachte heeft inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn kleindochter. Hij heeft misbruik gemaakt van het overwicht dat hij als volwassene had en tevens van de vertrouwensrelatie die hij met zijn kleindochter had. Het is algemeen bekend dat de gevolgen van seksuele contacten bij heel jonge kinderen ernstig en langdurig kunnen zijn. Bovendien was verdachte een gewaarschuwd man omdat hij eerder met justitie in aanraking is geweest voor een soortgelijk feit. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij niet de verantwoordelijkheid voor zijn handelen neemt, maar deze afschuift naar zijn kleinkind door te stellen dat de handelingen zijn voortgekomen uit de aanhaligheid van [slachtoffer] zelf.

Anderzijds houdt de rechtbank er ook rekening mee dat verdachte zelf in een gezin is opgegroeid waar sprake was van incest, dat verdachte een beneden gemiddelde intelligentie heeft en dat door de aanhouding en detentie van verdachte ook zijn gezins- en familieleven onherstelbaar lijken te zijn ontwricht.

Ook houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met zijn hiervoor vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid, alsmede met het feit dat verdachte bereid en gemotiveerd is een behandeling te ondergaan. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een wat groter deel van de op te leggen straf voorwaardelijk opleggen.

In voornoemde over verdachte opgemaakte rapportage en in het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport wordt in overweging gegeven bij een voorwaardelijk strafdeel onder meer als bijzondere voorwaarde te stellen dat verdachte een behandeling dient te volgen. Dit zou een behandeling moeten zijn bij een forensisch psychiatrische polikliniek. Verder wordt een langdurig reclasseringscontact geïndiceerd geacht. De rechtbank zal dit advies volgen en deze voorwaarden verbinden aan het voorwaardelijk op te leggen strafdeel.

Aangezien er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat verdachte, gezien de ernst van zijn problematiek, wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, zal de proeftijd van het voorwaardelijk op te leggen strafdeel op 5 jaren worden gesteld. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat niet valt uit te sluiten dat verdachte op enig moment toch weer omgang met zijn kleinkind zal krijgen.

Vordering tot schadevergoeding

Namens de benadeelde partij [slachtoffer] heeft [moeder slachtoffer], moeder en wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer], zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 5.883,-- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde, waarbij is vermeld dat de immaterieel gevorderde schade een voorschot betreft. Ook wordt de wettelijke rente gevorderd met ingang van de schadedatum. Tevens is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft aangevoerd dat de kosten van rechtsbijstand "conform staffel kanton" zijn en derhalve toewijsbaar zijn. Zij heeft ter zitting toegelicht dat de kosten worden gevorderd op grond van het bepaalde in artikel 6:96 BW en dat de toevoeging van de benadeelde partij hieraan niet af doet.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de gevorderde immateriële schade van € 5000,-- toewijsbaar is, maar dat de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. Bovendien is de vordering ongegrond en is de vordering niet deugdelijk onderbouwd. Er is aansluiting gezocht bij zaken die niet overeenkomen met deze zaak. Voorts blijkt dat de negatieve gevolgen beperkt zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden. Het is bovendien een ervaringsgegeven dat kinderen, die op jonge leeftijd worden geconfronteerd met seksuele handelingen, daar in hun latere leven schade van ondervinden.

De rechtbank zal de tot op heden geleden immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid begroten op € 3.000,--, nu ervan uit mag worden gegaan dat deze schade in ieder geval is

geleden. Met betrekking tot de overigens gevorderde immateriële schade zal zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 833,-- is de rechtbank van oordeel dat niet is gesteld of gebleken dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Zij zal dit deel van de vordering afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 244 en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

primair: met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, begaan tegen een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die hem zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang als de reclassering zulks nodig oordeelt, ook als dat inhoudt het op orde brengen van de financiën door het aangaan van een schuldhulpverleningstraject. Veroordeelde dient zich daartoe binnen vijf dagen volgend op zijn invrijheidstelling te melden bij Reclassering Nederland te Zutphen op telefoonnummer 0575 - 582744. Hierna moet veroordeelde zich gedurende door de reclassering bepaalde perioden blijven melden, zo frequent als de reclassering dit nodig acht;

- zich ambulant zal laten behandelen bij Forensische Psychiatrische Polikliniek Kairos te Apeldoorn, of een soortgelijke instelling, voor zolang de reclassering dit noodzakelijk acht. Veroordeelde zal zich dan houden aan de regels die door of namens de leiding van Kairos of een soortgelijke instelling zullen worden gegeven;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

* geeft de reclassering opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], [adres], van een bedrag van € 3.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2011, met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij voor de overigens gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk in haar vordering;

* wijst af de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot gevorderde materiële schade ad € 833,--;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 3.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2011, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis;

* bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mrs. Gilhuis, voorzitter, Heenk en Rademaker, rechters, in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van

16 november 2011.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0620 2011048754, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 18 juli 2011.

2 Proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer], pag. 34-64

3 Processen-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 78-102