Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU4282

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
18-11-2011
Zaaknummer
126203 KG RK 11/675
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst het verzoek tot wraking van rechter af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Meervoudige wrakingskamer

Rekestnummer: 126203 KG RK 11/675

Beslissing van 8 november 2011 van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [plaats, adres],

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

[rechter],

rechter in deze rechtbank.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de op 8 november 2011 gehouden terechtzitting in de procedures met zaaknummers 125068 JERK 11/924, 120028 JERK 11/141 en 126138 JERK 11/1100, waaruit blijkt dat [naam] namens verzoeker [rechter] heeft gewraakt;

- het proces-verbaal van de behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting van 8 november 2011.

2. Het wrakingsverzoek

2.1. Verzoeker heeft aan zijn mondelinge verzoek tot wraking, gedaan ter terechtzitting van 8 november 2011, voor zover relevant het volgende ten grondslag gelegd.

2.1.1. Verzoeker is tijdens de zitting ten onrechte de zaal uitgestuurd. Hierdoor nam de rechter de belangen van verzoeker niet behoorlijk waar. Er was geen grond om verzoeker uit de zaal te verwijderen. Verzoeker heeft ook onvoldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt naar voren te brengen en hij heeft ook niet de gelegenheid gehad om zijn processtukken over te leggen.

2.1.2. Door verzoeker is ook gesteld dat de rechter verantwoordelijkheid draagt voor fouten, nalatigheid en partijdigheid van andere partijen in de justitiële keten, zoals de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg. Deze partijen dienen door de rechter erop aangesproken te worden als zij onjuist handelen. In de onderhavige procedure hebben de genoemde partijen opzettelijk onwaarheden naar voren gebracht en hebben zij partij gekozen tegen verzoeker. [Rechter] heeft hier niet tegen opgetreden en zij heeft de kwaliteit in de justitiële keten zodoende niet gewaarborgd.

3. Standpunt van [rechter]

3.1. [Rechter] heeft het verzoek tot wraking gemotiveerd weersproken ter terechtzitting van de wrakingskamer. Op hetgeen [rechter] heeft aangevoerd zal hierna, indien van belang, nader worden teruggekomen.

4. Ontvankelijkheid

4.1. Voor zover de wraking betrekking heeft op de zaak bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer 125068 JERK 11/924, zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking buiten beschouwing laten. Bij beslissing van de wrakingskamer van 7 november 2011 is door de wrakingskamer op grond van artikel 39 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaald dat in deze zaak een nieuw verzoek tot wraking niet in behandeling zal worden genomen. De wrakingskamer zal het verzoek tot wraking in zoverre dan ook niet in behandeling nemen.

5. Beoordeling door de rechtbank

5.1. Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij een rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14, eerste lid van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3. Onderzocht moet worden of de door verzoeker aangevoerde grond kan worden gekwalificeerd als een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid. De wrakingskamer overweegt hieromtrent het volgende.

5.4. Door verzoeker is aan het verzoek tot wraking ten grondslag gelegd dat de rechter hem ten onrechte de zaal heeft uitgestuurd. De rechter heeft hierdoor de belangen van verzoeker niet behoorlijk waargenomen.

5.4.1. De beslissing van [rechter] om verzoeker uit de zaal te verwijderen betreft een procesbeslissing. Ter terechtzitting is het aan de rechter om de orde en de gang van zaken ter terechtzitting te bepalen en te handhaven. Een dergelijke procesbeslissing kan behoudens bijkomende feiten en/of omstandigheden niet zonder meer een omstandigheid opleveren zoals onder 5.2. bedoeld. Een procesbeslissing is derhalve in het algemeen geen grond voor toewijzing van een verzoek tot wraking, tenzij die beslissing zozeer onbegrijpelijk is, dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter partijdig is, dan wel dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.4.2. Uit het proces-verbaal van de zitting in de onderhavige zaak blijkt dat verzoeker is verzocht de zaal te verlaten nadat hij bij herhaling andere procesdeelnemers had onderbroken en hiermee de orde en de gang van zaken ter terechtzitting had verstoord. Tijdens de zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker erkend dat hij bij herhaling andere procesdeelnemers had onderbroken en aangegeven dat hij hiermee door zou blijven gaan zolang andere partijen leugens zouden blijven verkondigen. Door zijn gedrag heeft verzoeker de orde en gang van zaken ter zitting verstoord. Bij het herhaaldelijk verstoren van de orde en de goede gang van zaken kan en mag een rechter de persoon die de zitting verstoort uit de zittingzaal laten verwijderen, ook als dit een van de procespartijen betreft. In dit geval heeft voornoemde [naam] wraker vertegenwoordigd.

5.4.3. Nu is gebleken dat verzoeker bij herhaling de orde en gang van zaken ter zitting heeft verstoord en ook niet voornemens was hiermee op te houden, kon en mocht [rechter] beslissen dat verzoeker niet langer in de zaal van de terechtzitting aanwezig zou mogen zijn. De beslissing van [rechter] is dan ook niet zo onbegrijpelijk dat deze een zwaarwegende aanwijzing kan opleveren voor het oordeel dat de rechter als partijdig moet worden aangemerkt, dan wel een dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Van bijkomende feiten en/of omstandigheden zoals onder 5.4.1. bedoeld is ook niet gebleken.

5.5. Voor zover verzoeker heeft gesteld dat hij niet in de gelegenheid is geweest zijn standpunt naar voren te brengen en/of dat de rechter processtukken zou weigeren, overweegt de wrakingskamer dat uit het proces-verbaal van de onderhavige zitting blijkt dat verzoeker daar in een later stadium nog gelegenheid toe zou krijgen. Niet volgehouden kan worden dat verzoeker geen enkele gelegenheid daartoe heeft gehad en/of nog zou krijgen.

5.6. Door verzoeker is aan het verzoek tot wraking ook nog ten grondslag gelegd dat de rechter verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de gehele justitiële keten en deze kwaliteit moet waarborgen. Nu [rechter] heeft toegestaan dat Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming opzettelijk onjuistheden vermelden in hun rapporten en toelaat dat deze partijen partij kiezen tegen verzoeker, kan zij als eindverantwoordelijke worden gewraakt.

5.6.1. De wrakingskamer stelt voorop dat de rechter niet verantwoordelijk en evenmin verantwoordelijk te houden is voor hetgeen door partijen, deskundigen en overige belanghebbenden ter zitting naar voren wordt gebracht. Hetgeen door Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming naar voren wordt gebracht, is voor rekening en verantwoording van deze partijen zelf. Het beginsel van partijautonomie brengt met zich mee dat het aan partijen is om de rechter te voorzien van de volgens deze partijen voor de beoordeling van het geschil van belang zijnde informatie. Indien verzoeker meent dat de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en/of Bureau Jeugdzorg op onwaarheden berusten of dat deze partijen ten onrechte partij kiezen, is het aan hem om deze stelling nader te onderbouwen. De enkele stelling van verzoeker, dat de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en/of Bureau Jeugdzorg opzettelijk onjuist zouden zijn, maakt nog niet dat de rechter de conclusie van verzoeker moet volgen en in die zin partijdig zijn.

5.6.2. Het is de taak van de rechter om nadat zij kennis heeft genomen van alle standpunten van alle betrokken partijen een beslissing te nemen. Hierbij zal de rechter alle naar voren gebrachte informatie toetsen en op basis van de standpunten van alle partijen een eigen afweging maken. De rechter kan niet reeds op voorhand een oordeel vellen over de standpunten en rapporten van Bureau Jeugdzorg en de Raad voor de Kinderbescherming, dan wel die van verzoeker. Het ten onrechte gemaakte verwijt aan de gewraakte rechter komt erop neer, dat deze zich neutraal heeft opgesteld in plaats van meteen en zonder hoor en wederhoor toe te passen, partij te kiezen voor verzoeker.

5.7. Al de hiervoor besproken door verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, zowel op zichzelf beschouwd als in onderlinge samenhang bezien, kunnen niet leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek, zodat het zal worden afgewezen.

5.8. Het is de wrakingskamer bekend dat verzoeker meermalen op dezelfde gronden verzoeken om wraking heeft ingediend. Nu het steeds opnieuw op dezelfde gronden verzoeken om wraking van de behandelende rechter moet worden gekwalificeerd als misbruik van recht, wordt op voet van het vierde lid van artikel 39 Rv bepaald dat een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling zal worden genomen.

6. Beslissing

De rechtbank:

6.1. wijst het verzoek tot wraking van [rechter] af;

6.2. bepaalt dat de procedures, bij de rechtbank bekend onder zaaknummers 120028 JERK 11/141 en 126138 JERK 11/1100, zullen worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment dat het onderhavige wrakingsverzoek werd ingediend;

6.3. bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking van verzoeker in de procedures met zaaknummers 120028 JERK 11/141 en 126138 JERK 11/1100 niet in behandeling genomen zal worden.

Deze beslissing is gegeven door mr. G. Vrieze, voorzitter, mrs. O. Nijhuis en C. Kleinrensink, rechters, en op 8 november 2011 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. F.A. Demmers, griffier.