Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU4274

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
11-08-2011
Datum publicatie
14-11-2011
Zaaknummer
116154 / FA RK 10-1779
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De man voert aan dat verdeling van de gemeenschap van goederen bij helfte in strijd met de redelijkheid en billijkheid is, omdat de vrouw hem heeft bedrogen door te verzwijgen dat zij een andere seksuele geaardheid had. Zelfs indien, zoals de man stelt, de vrouw op enig moment een seksuele relatie met een vrouw zou hebben gehad, kan daaraan niet de gevolgtrekking worden verbonden die de man daaraan verbindt. De vrouw is eerder lange tijd gehuwd met een man, welk huwelijk door diens overlijden is geëindigd. Reeds daaruit vloeit voort dat een langdurige relatie van de vrouw met een andere man niet van aanvang af geen kans van slagen had. Geen informatieplicht van de vrouw, die de gestelde gevoelens en relatie betwist. De wil van beide partijen was gericht op een duurzaam geregistreerd partnerschap.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 100
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2012/18
JPF 2012/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 116154 / FA RK 10-1779

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 10 augustus 2011

in de zaak tussen:

[verzoekster],

wonende te [plaats, gemeente],

verzoekster, hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. H.L.J.M. Kersten te Apeldoorn

en

[verweerder],

wonende te [plaats, gemeente],

verweerder, hierna te noemen de man,

advocaat mr. K.A.M. van Os-ten Have te Zutphen.

Het verdere procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 22 september 2010;

- de brief met bijlagen van mr. Van Os-Ten Have van 8 maart 2011;

- de brief met bijlage van mr. Van Os-Ten Have van 9 maart 2011;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 maart 2011;

- de brief van mr. Van Os-Ten Have van 23 maart 2011;

- de brief met bijlagen van mr. Kersten van 24 maart 2011;

- de brief met bijlagen van mr. Van Os-Ten Have van 29 maart 2011;

- de brief van mr. Kersten van 6 april 2011;

- de brief van mr. Van Os-Ten Have van 12 april 2011.

De verdere beoordeling

De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen in de tussenbeschikking van 22 september 2010 en volhardt daarin. In die beschikking is de ontbinding van het geregistreerde partnerschap van partijen uitgesproken en de behandeling ten aanzien van de verdeling van de gemeenschap en de kosten van de procedure aangehouden.

Alvorens inhoudelijk op de verdeling te kunnen ingaan, dient eerst het verweer van de man te worden besproken dat verdeling van de gemeenschap van goederen bij helfte in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De man heeft daartoe aangevoerd dat de vrouw zich bedrogen voelt door de vrouw, omdat zij een andere seksuele geaardheid zou hebben. Dit hebben verschillende mensen aan de man verklaard nadat de relatie was beëindigd. De man is van mening dat de vrouw willens en wetens, zonder eerlijk te zijn naar de man, een geregistreerd partnerschap met hem is aangegaan dat van aanvang af geen kans van slagen had. Indien de man hiervan op de hoogte was geweest, zou hij, als er al een geregistreerd partnerschap was gekomen, hebben aangedrongen op het maken van partnerschapsvoorwaarden. De vrouw heeft betwist dat zij ooit een seksuele relatie met een andere vrouw heeft gehad en dat zij van aanvang af wist dat het geregistreerde partnerschap met de man geen kans van slagen had.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van hetgeen is aangevoerd niet kan worden vastgesteld dat de vrouw op oneigenlijke gronden het geregistreerde partnerschap is aangegaan. De man heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden, maar aan dat bewijsaanbod wordt voorbijgegaan, nu zelfs indien uiteindelijk zou komen vast te staan dat de vrouw (in welke mate en op welk moment dan ook) een seksuele relatie met een vrouw zou hebben gehad (hetgeen thans niet is gebleken), daaraan niet de gevolgtrekking verbonden zal worden die de man daaraan verbindt. Daarbij wordt overwogen dat de vrouw eerder lange tijd gehuwd is geweest met een man, welk huwelijk door het overlijden van die man is geëindigd, en dat reeds daaruit voortvloeit dat een langdurige relatie tussen de vrouw en een man niet van aanvang af geen kans van slagen had. Dit zou misschien anders zijn als de vrouw op latere leeftijd gevoelens voor andere vrouwen zou hebben ontwikkeld, maar dit laatste is gesteld noch gebleken; integendeel: de man heeft gesteld dat de vrouw reeds in haar studiejaren een seksuele relatie met een vriendin had. Aldus kan zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat de vrouw intieme gevoelens voor een andere vrouw zou kunnen hebben, niet vastgesteld worden dat de vrouw willens en wetens een partnerschap met de man aangegaan is waarvan zij wist dat het geen kans van slagen had. Gelet daarop was er evenmin een plicht van de vrouw de man te informeren, nog daargelaten dat de vrouw een en ander uitdrukkelijk betwist. De wil van beide partijen is er naar het oordeel van de rechtbank op gericht geweest een duurzaam geregistreerd partnerschap aan te gaan. Een van de wettelijke gevolgen daarvan is, dat, indien geen partnerschapsvoorwaarden worden gesloten, een gemeenschap van goederen ontstaat, die dient te worden verdeeld.

Tot de gemeenschap behoren de navolgende goederen en schulden:

Goederen:

a. woning aan [adres te plaats]

b. perceel grond te [plaats]

c. twee panden in Frankrijk, waarvan een in mede-eigendom

d. beleggingsportefeuille op naam van de man

e. effectenrekening op naam van de vrouw

f. twee verzekeringspolissen

g. twee auto’s

h. inboedel

i. paard

j. drie ezels

k. bankrekeningen

l. vorderingen op de belastingdienst over 2009 en 2010

Schulden:

m. hypotheekschuld

Daarnaast heeft de vrouw aangevoerd dat sprake is van een vordering van de man op debiteuren in Frankrijk waarvoor een procedure aanhangig is (geweest). De man stelt dat dit een vordering op hem betreft, die overigens is afgewezen.

Partijen zijn het erover eens dat als uitgangspunt 31 december 2009 als peildatum wordt gehanteerd.

a. woning, b. perceel grond en m. hypotheekschuld

De woning en grond worden verkocht. Partijen zijn het erover eens dat aan elk van hen de helft van de netto verkoopopbrengst toekomt. De man wenst dat de vrouw de helft van de woonlasten voldoet, de vrouw voert daartegen verweer. Zij stelt dat zij in januari 2010 vanwege spanningen tussen partijen en de mededeling van de man dat hij de woning niet zou verlaten genoodzaakt was uit de woning te vertrekken. Zij heeft dit de man een dag tevoren kenbaar gemaakt. Tot 1 april 2010 heeft zij betalingen verricht op de gemeenschappelijke rekening, waarvan onder meer de hypotheekrente werd voldaan. Zij heeft niet meer het genot van de woning en wenst in de daaraan verbonden lasten om die reden niet bij te dragen. Indien dit toch van haar verlangd wordt, wenst zij een gebruiksvergoeding van de man te ontvangen. De man stelt dat de vrouw zonder overleg is vertrokken. Zij heeft een hoger inkomen dan hij en alleen op basis van de gezamenlijke inkomsten kon de hypothecaire lening afgesloten worden.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw op grond van de wederzijdse onderhoudsplicht van partners uit hoofde van artikel 1:81 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gehouden is aan de man tot de datum van inschrijving van de beschikking waarbij de ontbinding van het geregistreerd partnerschap is uitgesproken in de registers van de burgerlijke stand (15 november 2010) de helft van de eigenaarslasten, inclusief de hypotheekrente, te vergoeden, nu zij niet heeft betwist dat zij een (iets) hoger inkomen had dan de man. Na de ontbinding van het partnerschap is dit artikel niet meer van toepassing. Artikel 3:172 BW bepaalt voor die situatie, voor zover van belang, dat deelgenoten naar evenredigheid van hun aandeel dienen bij te dragen tot de uitgaven die voortvloeien uit handelingen die bevoegdelijk ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht. Ook daarop kan de vordering van de man worden gebaseerd, maar de rechtbank ziet aanleiding in dit geval te bepalen dat de vrouw niet behoeft bij te dragen in de hypotheekrente, maar wel de helft van de overige eigenaarslasten (zoals het eigenaarsdeel onroerendezaaksbelasting) dient te dragen. De rechtbank is ter zake van de hypotheekrente van oordeel dat daarin het element van woonlast overheerst. Tegenover het genot van de woning is het redelijk van de man te verlangen de volledige rente te voldoen, waarbij hij dan ook vanaf 2011 de volledige teruggave inkomstenbelasting ontvangt. Voor zover de man een bijdrage in zijn woonlast had willen ontvangen, omdat de vrouw een hoger inkomen heeft, had het op zijn weg gelegen een alimentatieverzoek in te dienen. Nu hij dit heeft nagelaten, dient hij zijn eigen woonlast te voldoen.

Voor een gebruiksvergoeding ten laste van de man ziet de rechtbank in beide situaties geen aanleiding. Gedurende het geregistreerde partnerschap ontbreekt daarvoor een wettelijke basis, nog daargelaten dat de vordering van de vrouw en de schuld van de man beide in de gemeenschap zouden vallen; na de ontbinding van het partnerschap behoeft de vrouw niet meer bij te dragen in de hypotheekrente. Het verzoek van de vrouw heeft geen betrekking op die situatie.

c. panden in Frankrijk

Tot de gemeenschap behoort een pand in Frankrijk. Daarnaast behoort het aangrenzende huis aan de man en zijn schoonzus elk voor de onverdeelde helft. Deze onverdeelde helft behoort eveneens tot de gemeenschap van goederen van partijen.

De rechtbank dient zich eerst uit te laten over de vraag of zij bevoegd is beslissingen te nemen over onroerend goed in het buitenland. Gelet op het bepaalde in artikel 827 lid 1 sub b. en artikel 4, leden 3 en 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht. Deze rechtsmacht is voor de verdeling niet beperkt tot zich in Nederland bevindende onroerende zaken, waaruit afgeleid wordt dat de rechtbank ook bevoegd is ten aanzien van de verdeling van zich in het buitenland bevindende onroerende zaken.

Beide panden staan te koop. De vrouw heeft aangevoerd dat deze te koop staan voor een bedrag van € 349.000,--. Zij wenst toedeling van het aandeel van de man in de panden en heeft daarbij in eerste instantie een bedrag van € 261.750,-- als uitgangspunt genomen, zijnde 75% van de totale vraagprijs. De vrouw heeft opgemerkt dat de vraagprijs oorspronkelijk hoger was. Zij heeft voorts aangevoerd dat de twee panden niet gelijkwaardig zijn en dat sprake is van een groot pand dat eigendom is van de man alleen en een kleiner pand dat eigendom is van de man en zijn schoonzus tezamen, zodat niet dient te worden uitgegaan van 75% van de totaalwaarde maar van een hoger bedrag. De vrouw wenst niet af te wachten tot de panden zijn verkocht alvorens de waarde wordt verdeeld.

De man heeft erop gewezen dat een vraagprijs niet hetzelfde is als de waarde en heeft aangevoerd dat de vraagprijs inmiddels is verlaagd tot € 275.000,-- en dat de verwachte opbrengst nog lager is. Nu de man evenmin als de vrouw de onroerende zaken toegedeeld wenst te krijgen, dient de vrouw af te wachten tot de panden zijn verkocht. Ook heeft de man een e mailbericht van zijn schoonzus overgelegd waarin is vermeld dat de opbrengst van de beide panden voor 75% aan de man en voor 25% aan de schoonzus zal toekomen.

Namens de vrouw is tegen dit laatste aangevoerd dat deze afspraak door de man onbevoegd is gemaakt, zodat dit niet aan de vrouw kan worden tegengeworpen, althans dat de gemeenschap hierdoor schade lijdt die de man dient te vergoeden.

De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 1:97 BW, dat in artikel 1:80b BW van overeenkomstige toepassing is verklaard op een geregistreerd partnerschap, staat een goed der gemeenschap onder het bestuur van de partner van wiens zijde het in de gemeenschap is gevallen. Het bestuur omvat, gelet op artikel 1:90 BW, mede de bevoegdheid tot beschikking. Nu de onroerende zaken in Frankrijk van de zijde van de man in de gemeenschap zijn gevallen, is hij bevoegd over de wijze van verkoop en de wijze van verdeling van de opbrengst afspraken te maken. De gemeenschap is gebonden aan de afspraak die de man met de schoonzus heeft gemaakt en dat de gemeenschap daardoor is benadeeld op een wijze die maakt dat de man schadeplichtig is, is niet onderbouwd, zodat aan die stelling van de vrouw wordt voorbijgegaan.

Tot de gemeenschap van partijen behoort derhalve 75% van de waarde van de beide panden. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van de man dat hij van de panden af wil niet maakt dat dient te worden uitgegaan van de uiteindelijke verkoopopbrengst. Er vindt thans een verdeling plaats en uitgangspunt daarbij is dat een verdeling plaatsvindt op basis van de waarde van de bestanddelen van de gemeenschap ten tijde van de verdeling, oftewel een recente waarde. Of de panden uiteindelijk voor een hoger of lager bedrag verkocht worden, is niet relevant, nu bij toedeling van de panden aan de man waardeveranderingen na de datum van verdeling slechts ten voordele of nadele van hem dienen te strekken.

Met betrekking tot de waarde is door de man een taxatie van de [naam A] overgelegd (prod. 2 bij het verweerschrift). Weliswaar is dit stuk in het Frans gesteld, maar volgens het procesreglement mogen stukken van eenvoudige aard in het Frans worden overgelegd en de inhoud is partijen en de rechtbank voldoende duidelijk. Uit het stuk blijkt een getaxeerde verkoopwaarde van de beide panden van € 175.000,--. Ter motivering is onder meer aangegeven dat de panden minutieus zijn geïnspecteerd, dat op verschillende punten sprake is van achterstallig onderhoud en dat is vergeleken met objecten in de omgeving. De vrouw heeft tegen de taxatie aangevoerd dat [naam A] is ingeschakeld door [naam B], die een vriend van de man is. Dit acht de rechtbank echter onvoldoende betwisting van de inhoudelijke juistheid van de taxatie, zodat deze tot uitgangspunt wordt genomen en niet wordt toegekomen aan de benoeming van een nadere deskundige. In de verhouding tussen partijen dient aan de zijde van de man rekening te worden gehouden met 75% van de waarde, oftewel € 131.250,--.

De man is van mening dat de vrouw ook de helft van de vaste lasten verbonden aan deze panden dient te voldoen. De rechtbank volgt dit standpunt, gelet op het hiervoor genoemde artikel 3:172 BW. Zolang de panden niet zijn verdeeld of verkocht, zijn deze gemeenschappelijk en dient de vrouw in de daarmee samenhangende lasten bij te dragen. Voor een gebruiksvergoeding ten laste van de man is geen grond, nu de man feitelijk evenmin als de vrouw daarvan gebruik maakt en beide partijen in dezelfde mate de mogelijkheid tot het gebruik ervan hebben.

d. beleggingsportefeuille

De vrouw wenst toedeling van de beleggingsportefeuille aan de man. De man stelt zich op het standpunt dat deze portefeuille buiten de verdeling dient te blijven, nu deze een pensioen-voorziening voor hem vormt. Hij heeft 21 jaar lang in Frankrijk gewerkt en zal daarom gekort worden op zijn AOW. De rechtbank overweegt dat tot de gemeenschap alle goederen en schulden behoren, op enkele specifieke uitzonderingen na, zoals vermeld in artikel 1:94 van het Burgerlijk Wetboek. Voor zover van belang betreffen die uitzonderingen onder meer bijzonder verknochte goederen en pensioenrechten in de zin van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps). Van verknochtheid is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, gelet op de aard van het goed. De portefeuille valt evenmin onder de werking van de Wvps, kort gezegd omdat het vermogen van de man zelf betreft en niet een vordering op een pensioeninstantie. Gelet hierop behoort de portefeuille tot de gemeenschap van goederen. Deze zal aan de man worden toegedeeld. Partijen zijn het erover eens dat van een waarde van € 122.334,-- dient te worden uitgegaan.

e. effectenrekening en f. verzekeringspolissen

Over de waarde van de effectenrekening (€ 12.054,03) en de verzekeringspolissen (levensverzekering Aegon met waarde € 18.594,21 en lijfrente Goudse Levensverzekering van in totaal € 8.928,94) en over toedeling van deze vermogensbestanddelen aan de vrouw bestaat overeenstemming.

g. auto’s

De man heeft een Volvo V70 in bezit, de vrouw een Peugeot 206. De vrouw stelt dat de Volvo € 14.640,-- waard is en de Peugeot € 10.400,--. De man betwist de juistheid van de taxatie van de Volvo. Hij stelt dat deze € 5.500,-- waard is. In de waarde van de Peugeot zou hij zich kunnen vinden, maar hij acht het zorgvuldig dat er een nadere taxatie komt, omdat de huidige waardering door de vrouw dezelfde onjuistheden kent als die van de Volvo. De vrouw heeft een nadere taxatie overgelegd met een waardering van € 4.450,--. Daarop heeft de man aangegeven te willen uitgaan van € 6.200,-- dan wel verrekening met de inboedel. Gelet daarop zal eerst nader op de inboedel worden ingegaan.

h. inboedel, i. paard en j. drie ezels

Partijen zijn het eens over de feitelijke verdeling van het paard, de ezels en de inboedel behoudens de laptop. De laptop is in gebruik bij de vrouw. Zij stelt dat de man haar deze heeft gegeven; hij stelt dat hij alleen heeft gezegd dat ze deze mocht gebruiken. Hoewel partijen er in hoofdlijnen voor hebben gekozen dat elk terugkrijgt uit de inboedel wat hij of zij daarin heeft ingebracht, is dat geen noodzaak. Door het ontstaan van een gemeenschap van goederen is immers ook de inboedel gezamenlijk geworden. Nu de laptop feitelijk in gebruik is bij de vrouw, is de rechtbank van oordeel dat zij het grootste belang heeft bij toedeling daarvan aan haar. De waarde van de laptop, die volgens onbetwiste stelling van de vrouw uit 2005 dateert, is voor zover is gebleken niet van dien aard dat met deze toedeling, in het licht van de verdeling van de inboedel voor het overige, de vrouw zou zijn overbedeeld. Voor een vergoeding is dan ook geen grond.

Het paard en de ezels zullen aan de man worden toegedeeld. De man heeft gesteld dat de waarde daarvan in de verdeling van de inboedel is meegenomen en dat er geen grond voor afzonderlijke waardering van deze dieren bestaat. De vrouw heeft dit betwist. De rechtbank acht dit echter wel een logisch gevolg van het uitgangspunt dat elk van partijen - zoals wel voldoende is komen vast te staan - zou terugnemen hetgeen hij of zij aan roerende zaken had ingebracht en dat er over de feitelijke verdeling van de roerende zaken (ook de later aangeschafte) overeenstemming bestond. De rechtbank is van oordeel dat de man redelijkerwijze mocht aannemen dat de vrouw ermee instemde dat ook deze dieren zonder verrekening zouden worden verdeeld. Indien de vrouw daarmee niet instemde, had het op haar weg gelegen dit direct duidelijk te maken. Niet gesteld of gebleken is dat zij dit heeft gedaan. De dieren worden dan ook zonder nadere waardeverrekening aan de man toegedeeld en hetzelfde geldt voor de auto’s.

k. bankrekeningen

Uit de stellingen van partijen begrijpt de rechtbank dat de navolgende verdeling van de bankrekeningen dient te worden gemaakt.

Aan de vrouw dient te worden toegedeeld:

- Rabo Riantpakket nummer [nummer 1], saldo € 2.879,83;

- haar spaarloonrekening nummer [nummer 2], saldo € 3.217,85.

Aan de man dient te worden toegedeeld:

- Rabo Riantpakket nummer [nummer 3], saldo € 102,--;

- Franse bankrekening nummer [nummer 4], saldo € 1.876,87.

Het Rabo Betaalpakket nummer [nummer 5] kan worden opgeheven met verdeling van het saldo bij helfte. De saldi van de internet bonusspaarrekening van de vrouw en de internet loyaalspaarrekening zijn al verdeeld.

belastingteruggaven 2009 en 2010

Er is over 2009 een bedrag van € 1.549,-- aan inkomstenbelasting terugontvangen. De man stelt dat de vrouw daarvan al de helft heeft ontvangen (c.q. zich heeft toegeëigend). De vrouw heeft dit niet betwist, en in ieder geval gaat de rechtbank ervan uit dat partijen in overleg in staat zijn dit bedrag te delen. Volledigheidshalve zal de rechtbank bepalen dat de teruggaven inkomstenbelasting over 2009 en 2010 door partijen bij helfte dienen te worden gedeeld, nu daarover geen verschil van mening bestaat.

procedure in Frankrijk

Tussen de man en de heer en mevrouw [naam C] is een procedure gevoerd in Frankrijk. Uit de overgelegde stukken blijkt dat sprake was van een eis van [naam C] tegen de man ter hoogte van ruim € 80.000,-- plus kosten, welke vordering door de rechtbank in Montpellier is afgewezen. Er is vervolgens hoger beroep ingesteld door [naam C]. Uit het overgelegde vonnis in eerste aanleg (prod. 16 bij de brief van. mr. Van Os - Ten Have van 29 maart 2011, wederom alleen in het Frans, maar naar het oordeel van de rechtbank voldoende begrijpelijk) leidt de rechtbank af dat de man een reconventionele vordering had ingesteld ter hoogte van € 2.000,-- uit hoofde van misbruik van procedure en € 2.500,-- aan vergoeding van niet verhaalbare kosten. Er is een bedrag van € 1.000,-- toegewezen, waarvan gelet op de vordering kan worden aangenomen dat het gaat om proceskosten. In hoger beroep is het vonnis bevestigd (prod. 17 bij voormelde brief). Daarbij is opnieuw een bedrag van € 1.000,-- aan proceskosten toegewezen. Nu de vordering tegen de man is afgewezen en tegenover de aan de man toegewezen bedragen kosten hebben gestaan, is de rechtbank van oordeel dat partijen terzake over en weer niets van elkaar te vorderen hebben.

overige geschilpunten

De man heeft aangevoerd dat de vrouw in het kader van de tussen partijen gevoerde onderhandelingen heeft verklaard een vermogen van € 82.500,-- te hebben. De hiervoor genoemde vermogensbestanddelen die de vrouw toekomen vertegenwoordigen een aanmerkelijk lagere waarde. De man is van mening dat de vrouw dit verschil dient te verklaren. Hierop heeft zij toegelicht dat dit ermee te maken heeft dat een deel van het spaargeld al afzonderlijk is verdeeld, welke bedragen thans buiten beschouwing zijn gelaten. De rechtbank acht dit een aannemelijke verklaring. Dit verweer wordt bevestigd door de stukken die als prod. 20 bij de brief van mr. Van Os - Ten Have van 29 maart 2011 zijn overgelegd, nu daarin met het spaargeld van de vrouw rekening is gehouden en hiervoor al is overwogen dat onder meer de internet bonusspaarrekening van de vrouw al is verdeeld. Het is voor het overige aan degene die verdeling vordert van vermogensbestanddelen daartoe voldoende te stellen en deze stellingen te onderbouwen. Nu de man niets nader heeft aangevoerd, wordt aan zijn stelling dat het vermogen van de vrouw ten minste € 82.500,-- bedraagt voorbijgegaan.

resumé

Aan de man wordt toegedeeld:

- helft netto verkoopopbrengst woning en grond te [plaats]

- het aandeel in de panden in Frankrijk € 131.250,--

- beleggingsportefeuille Rabobank nummer [nummer 6] € 122.334,--

- Volvo V70

- de inboedel die hij thans in bezit heeft

- het paard

- de ezels

- Rabo Riantpakket nummer [nummer 3] € 102,--

- Franse bankrekening nummer [nummer 4] € 1.876,87

----------------

Totaal € 255.562,87

Aan de vrouw wordt toegedeeld:

- helft netto verkoopopbrengst woning en grond te [plaats]

- effectenrekening Rabobank nummer [nummer 7] € 12.054,03

- levensverzekering Aegon nummer [nummer 8] € 18.594,21

- lijfrente Goudse Verzekeringen,

nummers [nummer 9] en [nummer 10] € 8.928,94

- Peugeot 206

- de inboedel die zij thans in bezit heeft, inclusief de laptop

- Rabo Riantpakket nummer [nummer 1] € 2.879,83

- spaarloonrekening nummer [nummer 2] € 3.217,85

----------------

Totaal € 45.674,86

Het Rabo Betaalpakket nummer [nummer 5] kan worden opgeheven met verdeling van het saldo bij helfte. Tevens hebben partijen elk recht op de helft van de belastingteruggaven over 2009 en 2010.

Gelet op het voorgaande wordt de man overbedeeld voor een bedrag van € 209.888,01. Hij dient de helft daarvan, oftewel € 104.944,--, aan de vrouw te voldoen. In dit bedrag zit een gedeelte groot € 65.625,-- dat betrekking heeft op de waarde van de panden in Frankrijk. Bepaald zal worden dat de man dat deel eerst aan de vrouw behoeft te voldoen zodra de panden in Frankrijk zijn verkocht. Op dat moment wordt het bedrag dat de vrouw dient bij te dragen in de vaste lasten verbonden aan de panden in Frankrijk verrekend. Het restantbedrag ad € 39.319,-- kan worden verrekend met de opbrengst van de woning en dient door de man dan ook uiterlijk bij gelegenheid van de overdracht van die woning aan de vrouw te worden voldaan.

De vrouw dient voorts aan de man de helft van de eigenaarslasten van de woning te [plaats] inclusief hypotheekrente te voldoen van 1 april 2010 tot 15 november 2010, en vanaf 15 november 2010 tot datum verkoop de helft van de eigenaarslasten met uitzondering van de hypotheekrente. Bepaald zal worden dat deze bedragen verrekend worden bij de verdeling van de netto verkoopopbrengst.

Nu partijen gewezen partners zijn, zullen de proceskosten tussen hen als na te melden worden gecompenseerd.

De beslissing

De rechtbank:

stelt de verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen als volgt vast:

deelt aan de man toe:

- de helft van de netto verkoopopbrengst van de woning en grond te [plaats]

- het aandeel in de panden in Frankrijk

- zijn beleggingsportefeuille nummer [nummer 6]

- de Volvo V70

- de inboedel die hij thans in bezit heeft

- het paard

- de ezels

- het Rabo Riantpakket, rekeningnummer [nummer 3]

- de Franse bankrekening met nummer [nummer 4]

deelt aan de vrouw toe:

- de helft van de netto verkoopopbrengst van de woning en grond te [plaats]

- haar effectenrekening Rabobank nummer [nummer 7]

- haar levensverzekering Aegon nummer [nummer 8]

- haar lijfrenteverzekering Goudse Verzekeringen nummers [nummer 9] en [nummer 10]

- de Peugeot 206

- de inboedel die zij thans in bezit heeft, inclusief de laptop

- het Rabo Riantpakket, rekeningnummer [nummer 1]

- de spaarloonrekening met nummer [nummer 2]

bepaalt dat de man aan de vrouw uit hoofde van overbedeling dient te voldoen € 104.944,-- (eenhonderdvierduizend negenhonderdvierenveertig euro);

bepaalt dat de man van voornoemd bedrag van € 104.944,-- een gedeelte groot € 39.319,-- (negenendertigduizend driehonderdnegentien euro) aan de vrouw dient te voldoen uiterlijk op het moment van overdracht van de woning te [plaats] aan een derde, via de kwaliteitsrekening van de notaris;

bepaalt dat de man van voornoemd bedrag van € 104.944,-- een gedeelte groot € 65.625,-- (vijfenzestigduizend zeshonderdvijfentwintig euro) aan de vrouw dient te voldoen uiterlijk op het moment van overdracht van de panden in Frankrijk aan een derde;

bepaalt dat de vrouw de helft van de eigenaarslasten van de woning te [plaats] dient te dragen, tot 15 november 2010 inclusief (netto) hypotheekrente en vanaf 15 november 2010 tot datum van verkoop met uitzondering van de hypotheekrente;

bepaalt dat de terzake door de vrouw verschuldigde bedragen zullen worden verrekend met het aan haar toekomende deel van de netto verkoopopbrengst van de woning;

bepaalt dat de vrouw de helft van de vaste lasten verbonden aan de panden in Frankrijk en voor zover voor rekening komend van partijen dient te dragen;

bepaalt dat de terzake door de vrouw verschuldigde bedragen zullen worden verrekend met het aan haar toekomende bedrag bij verkoop van de panden;

bepaalt dat aan elk van partijen de helft van de teruggaven IB over 2009 en 2010 toekomt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat elk van partijen met de eigen kosten belast blijft;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A. Eskes en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 augustus 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.