Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU3016

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
06/950049-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige wordt verdacht van poging tot moord op man die hem langere tijd heeft misbruikt, mishandeld en bedreigd.

De rechtbank ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging: verdachte is niet strafbaar ivm psychische overmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/12

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer voor jeugdzaken

Parketnummer: 06/950049-11

Uitspraak d.d.: 1 november 2011

tegenspraak

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1993],

wonende te [plaats, adres].

Raadsman mr. J. Looman, advocaat te 's-Gravenhage.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren op de terechtzittingen van 5 juli 2011, 27 september 2011 en 18 oktober 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 januari 2011 te Dinxperlo, gemeente Aalten, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met

voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na

kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (met

kracht) met een mes in de rug(streek) en/of de schouder en/of de zij en/of een

been, althans in het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 16 januari 2011 te Dinxperlo, gemeente Aalten, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans

eenmaal, (met kracht) met een mes in de rug(streek) en/of de schouder en/of de

zij en/of een been, althans in het lichaam heeft gestoken, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Aanleiding onderzoek

Op 17 januari 2011 komt een telefonische melding binnen, waaruit naar voren komt dat aangever ([slachtoffer]) op 16 januari 2011 te [plaats] zou zijn neergestoken. In het daarop ingestelde onderzoek door de politie is op 27 januari 2011 verdachte aangehouden.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feit. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat voor het feit, onder meer, de volgende bewijsmiddelen voorhanden zijn:

* de aangifte door [slachtoffer];

* de medische verklaring betreffende het door [slachtoffer] opgelopen letsel, en;

* de bekennende verklaring van verdachte bij de politie, welke hij ter terechtzitting heeft bevestigd.

C. Standpunt van de verdediging / verdachte

Door en namens verdachte is aangegeven dat het primair ten laste gelegde feit door verdachte volledig wordt bekend.

D. Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig én overtuigend bewijs aanwezig is voor het primair tenlastegelegde.

De rechtbank acht voor haar bewijsoordelen de volgende bewijsmiddelen redengevend.

- de aangifte door [slachtoffer]2;

- de aanvullende verklaring van [slachtoffer]3;

- de bekennende verklaring van verdachte4 bij de politie, welke verklaring hij ter terechtzitting heeft bevestigd;

- de geneeskundige verklaring5 en een proces-verbaal bevindingen, inhoudende een verklaring van een bij binnenkomst van aangever aanwezige leerling anesthesist6, waaruit blijkt dat de verwondingen van aangever levensbedreigend waren.

Aangezien verdachte het primair ten laste gelegde feit gaaf en onomwonden heeft erkend, is volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 16 januari 2011 te Dinxperlo, gemeente Aalten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, met

kracht met een mes in de rugstreek en de schouder en de zij en een been heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Poging tot moord

Strafbaarheid van de verdachte

A. Verweer van de verdediging

Door en namens verdachte is aangevoerd dat er gehandeld is uit een situatie van psychische overmacht. De raadsman van verdachte heeft hiervoor, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Verdachte heeft PDD-NOS. Dit toont zich in het geval van verdachte onder meer door het moeilijk kunnen komen tot alternatieve oplossende strategieën en minder dan gebruikelijk hebben van sociale vaardigheden. Verdachte heeft een langdurige reeks van traumatische ervaringen achter de rug, bestaande uit seksueel misbruik, psychische en fysieke mishandeling, bedreiging en terreur door aangever. Aangever is hiervoor reeds veroordeeld. Als gevolg van al die traumatische ervaringen heeft verdachte last van post traumatische stress stoornis (PTSS). Verdachte kreeg last van angst- en paniekaanvallen die hem een zeer urgent gevoel gaven te moeten komen tot het beëindigen van de situatie. Gezien zijn geringe oplossende vaardigheden kon hij slechts één oplossing bedenken. Verdachte kon geen weerstand bieden aan de gevoelens van angst en/of psychische druk. Hij was niet in staat om een rationele afweging te maken en had geen zicht in mogelijke alternatieven.

B. Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie is van mening dat er geen sprake is van psychische overmacht bij verdachte. Zij heeft, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Hoewel verdachte volgens het advies van de psycholoog en psychiater, die rapport over hem hebben uitgebracht, sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht, ontbrak het inzicht in de draagwijdte van zijn gedrag en de mogelijke gevolgen daarvan bij verdachte niet (volledig). Verdachte heeft doelgericht het mes waarmee hij aangever wilde doden, gekocht. Dat hij middelen heeft gebruikt die eraan bijgedragen hebben dat hij zijn grenzen kon verleggen, is bovendien een omstandigheid die voor rekening van verdachte komt. Het is aannemelijk dat het geestelijk evenwicht van verdachte in de maanden voorafgaand aan het strafbare feit in hoge mate is aangetast door het ongewenste seksuele contact met aangever. Het voornemen om aangever van het leven te beroven, is bij verdachte echter na het eerste seksuele contact met aangever al ontstaan. PTSS heeft zich pas in een later stadium ontwikkeld. Het is aannemelijk dat verdachte onder psychische druk het feit heeft gepleegd. Die psychische drang is echter niet allesoverheersend geweest. Het kopen van het mes en het moment van steken waren welbewust genomen besluiten. De omstandigheden waaronder is gestoken, waren niet bedreigend voor verdachte. Rekening houdend met de psychische drang die verdachte heeft ondervonden, is er geen sprake geweest van een zodanige toestand van psychische drang dat verdachte redelijkerwijs niet anders behoorde te handelen dan hij heeft gedaan. Rekening houdend met de mate van drang, de wijze waarop verdachte dat heeft ervaren, zijn intellectuele capaciteiten en de ernst van het feit had verdachte zich moeten realiseren dat hij onder deze omstandigheden niet gerechtigd was aangever te doden. Het beroep op psychische overmacht gaat daarom niet op.

C. Oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden.

De rechtbank heeft meegewogen de omstandigheden die voor verdachte de aanleiding vormden tot het plegen van het delict. Op grond van het dossier, met name de verklaringen van verdachte in combinatie met de verklaring van het slachtoffer, aangever en het gegeven dat aangever voor zijn daden jegens verdachte is veroordeeld, stelt de rechtbank vast dat verdachte door aangever, een oudere en in vergelijking tot verdachte een fors gebouwde man, gedurende een lange periode seksueel is misbruikt. Toen het seksueel misbruik begon was verdachte 15 jaar oud. Verdachte is (daarbij) bovendien meermalen door aangever mishandeld. Ook bedreigde aangever verdachte en bedreigde hij in brieven aan verdachte dat hij de moeder van verdachte iets zou aandoen. Uit de verklaring van verdachte is naar voren gekomen dat hij zeer bang was voor aangever en dat hij er van overtuigd was dat aangever zijn bedreigingen waar zou kunnen gaan maken. Verdachte durfde anderen niets te vertellen en hij was er van overtuigd geraakt, dat hij zich pas weer veilig zou kunnen voelen als aangever dood zou zijn.

De rechtbank heeft voorts gelet op het multidisciplinair rapport d.d. 30 mei 2011, over verdachte opgemaakt door mevrouw A. v.d. Bosch, klinisch psycholoog en de heer D. Matser, kinder- en jeugdpsychiater, beiden werkzaam bij Forensisch Consortium Adolescenten (ForCA). Door de deskundigen is aangegeven dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis, te weten PDD-NOS, PTSS en het gebruik van middelen, waarbij er is gekomen tot een afhankelijkheid van cannabis en het misbruiken van alcohol en cocaïne. Het feit dat verdachte lijdt aan PDD-NOS heeft er mede toe geleid dat hij de risico's binnen het aangaan van het contact met het slachtoffer onvoldoende heeft herkend en deze niet goed heeft kunnen inschatten, aldus de deskundigen. Verdachte was toen 15 jaar oud. In het rapport is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam uiteengezet dat verdachte bij het hanteren van deze risico's (in alternatieve oplossingen of het inroepen van hulp hierbij) beperkt is, waardoor hij zich langdurig blootstelde aan het ongewenste seksuele contact, waardoor hij naar aanleiding van de voor hem traumatische ervaringen, PTSS opliep. De angst en paniekklachten, voortkomend uit PTSS dreven hem tot wanhoop, welke slechts kon worden opgevangen door het excessieve gebruik van cannabis en regelmatige gebruik van alcohol en cocaïne. De klachten gaven verdachte een zeer urgent gevoel te moeten komen tot het beëindigen van de situatie. De deskundigen concluderen dat, gezien de geringe oplossende vaardigheden, verdachte slechts kon komen tot het bedenken van één oplossende strategie7. De draagkracht van verdachte is dusdanig overschreden dat hij onvoldoende weerstand heeft kunnen bieden tegen de gevoelens van angst of psychische druk. Hij was niet in staat op rationele gronden tot het formuleren van alternatieve handelingsstrategieën te komen, aldus de deskundigen.

Ter terechtzitting van 18 oktober 2011 is door de deskundige Matser, zakelijk weergegeven, aanvullend naar voren gebracht dat de situatie waarin verdachte verkeerde een dermate grote druk opleverde dat zijn handelingsalternatieven beperkt werden. Zijn wilsvrijheid was aangetast. De deskundige is van mening dat verdachte geen weerstand meer kon bieden aan de druk en dat er voor verdachte geen handelingsalternatieven waren op het moment van het delict.

Door de officier van justitie is aangegeven dat verdachte heeft verklaard dat hij vanaf het eerste ongewenste seksuele contact met aangever, toen er bij hem nog geen sprake was van PTSS, het voornemen had aangever van het leven te beroven en dat aan de poging tot moord op aangever bewust genomen besluiten, als het kopen van het mes, voorafgegaan zijn.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat verdachte blijkens zijn verklaring weliswaar sinds het eerste ongewenste seksuele contact met aangever met het idee liep dat aangever dood moest, maar dat hij hieraan geen uitvoering heeft gegeven. Door de voortdurende ongewenste seksuele contacten, de bedreigingen van verdachte en zijn moeder door aangever en de meerdere mishandelingen van verdachte door aangever ontstond bij verdachte PTSS, met hevige angst- en paniekaanvallen tot gevolg. Hierdoor werd de wilsvrijheid van verdachte steeds meer aangetast. Verdachte kreeg blijkens het rapport een steeds urgenter gevoel dat de situatie beëindigd moest worden. Zoals ook verklaard door de deskundige ter zitting, kon verdachte op een gegeven moment geen weerstand meer bieden aan de druk en bestond voor hem geen handelingsalternatief meer. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan de voorwaarde dat verdachte aan een van buiten komende drang redelijkerwijs geen weerstand kon en hoefde te bieden voldaan is.

Gelet op het voorgaande en gelet op de hierboven weergegeven bijzondere omstandigheden van het geval, is de rechtbank van oordeel dat deze minderjarige verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt. De rechtbank is daarmee ook van oordeel dat verdachte niet strafbaar is. Zij zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Vordering van de benadeelde partijen

De benadeelde partij [slachtoffer] (gemachtigde: mr. Van Kan, IJsselkade 7, 7201 HB Zutphen) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 100,- gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het tenlastegelegde.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 40, 45, 77a, 77gg en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

poging tot moord;

* verklaart verdachte niet strafbaar en ontslaat verdachte voor het primair ten laste gelegde van alle rechtsvervolging;

* heft op het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door mrs. Moolenburgh-Pelser, voorzitter, tevens kinderrechter, Roelvink en Ouweneel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Oosten-Boksem, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 november 2011.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 2011007816, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Achterhoek, gesloten en ondertekend op 22 april 2011.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer], p. 93

3 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer], p. 108-112

4 Processen-verbaal van verhoor verdachte, p. 723-726 en 738-742 en 752

5 Geneeskundige verklaring d.d. 4 februari 2011, p. 117

6 Proces-verbaal bevindingen, p. 118

7 Klinisch multidisciplinaire rapportage Pro Justitia, p. 67