Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU3000

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
01-11-2011
Zaaknummer
06-880018-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van het primair tenlastegelegde (artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994). Verdachte is veroordeeld voor het subsidiair tenlastegelegde (artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994). De rechtbank heeft een werkstraf voor de duur van 25 uren opgelegd en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/880018-11

Uitspraak d.d. 1 november 2011

Tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats op 1984],

wonende te [plaats, adres].

Raadsman: mr. drs. L.P.H. De Milliano advocaat te Katwijk.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 oktober 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 juni 2009 te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een trekker met oplegger), daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A1, ter hoogte van hectometerpaal 77.4,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd

gehinderd,

in strijd met artikel 58a van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 een passagier ([slachtoffer]) heeft vervoerd, terwijl deze niet gezeten was op een zitplaats en terwijl voor het door hem bestuurde motorrijtuig geen andere vervoerswijze was toegestaan, en/of

(daarbij) heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 90 kilometer per uur, in elk geval met hogere snelheid dan de voor hem, verdachte, geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, en/of

(daarbij) zijn aandacht niet, althans in onvoldoende mate op of bij het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad, en/of

(daarbij) naar rechts heeft gestuurd,

(daarbij) is terecht gekomen op vluchtstrook, gelegen rechts naast de rijstrook waarover hij, verdachte, reed en/of terecht is gekomen in de rechts van die vluchtstrook gelegen berm, zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte en/of door die berm te (gaan) rijden, en/of

(daarbij) dat motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en/of (vervolgens) naar links heeft gestuurd, en/of

(vervolgens) in een slip is geraakt, ten gevolge waarvan dat door verdachte bestuurde motorrijtuig op de rechterzijde is gekanteld/terecht is gekomen, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met de middelgeleider, welke tussen beide rijbanen van die Rijksweg A1 was geplaatst, en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een wervelfractuur, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 22 juni 2009 te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (trekker met oplegger), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A1,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd,

in strijd met artikel 58a van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 een passagier ([slachtoffer]) heeft vervoerd, terwijl deze niet gezeten was op een zitplaats en terwijl voor het door hem bestuurde motorrijtuig geen andere vervoerswijze was toegestaan, en/of

(daarbij) heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 90 kilometer per uur, in elk geval met hogere snelheid dan de voor hem, verdachte, geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, en/of

(daarbij) zijn aandacht niet, althans in onvoldoende mate op of bij het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad, en/of

(daarbij) naar rechts heeft gestuurd,

(daarbij) is terecht gekomen op vluchtstrook, gelegen rechts naast de rijstrook waarover hij, verdachte, reed en/of terecht is gekomen in de rechts van die vluchtstrook gelegen berm, zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte en/of door die berm te (gaan) rijden, en/of

(daarbij) dat motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en/of (vervolgens) naar links heeft gestuurd, en/of

(vervolgens) in een slip is geraakt,

ten gevolge waarvan dat door verdachte bestuurde motorrijtuig op de rechterzijde is gekanteld/terecht is gekomen, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met de middelgeleider, welke tussen beide rijbanen van die Rijksweg A1 was geplaatst,

ten gevolge waarvan dat door verdachte bestuurde motorrijtuig op de rechterzijde is gekanteld/terecht is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak ten aanzien van het primair tenlastegelegde1

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake is van grove verkeersschuld van verdachte ten gevolge waarvan een inzittende van de vrachtwagen letsel heeft opgelopen als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, zij het dat niet sprake is van roekeloos maar enkel van aanmerkelijk onoplettend rijgedrag.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet wettig en overtuigend worden bewezen hetgeen verdachte primair is tenlastegelegd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos, zeer dan wel aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Uit het proces-verbaal VerkeersOngevalsanalyse blijkt dat het verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de autosnelweg A1, gelegen buiten de als zodanig aangeduide bebouwde kom in de gemeente Apeldoorn.2 Verdachte reed met de vrachtwagen met oplegger over de autosnelweg A1, komend uit de richting Amersfoort en rijdend in de richting van Deventer. Om onverklaarbare reden reed deze combinatie via de vluchtstrook de rechterberm in. In deze rechterberm maakte de bestuurder zeer waarschijnlijk een stuurcorrectie naar links. De combinatie raakte in een slip waarna hij terugkwam op de rijbaan. De combinatie slipte dwars over de rijbaan in de richting van de middengeleider. De trekker kwam in botsing met de middengeleider waarna de combinatie naar de rechterzijde kantelde. De trekker kwam op de rijstrook van het tegemoet komende verkeer tot stilstand.3

Uit het proces-verbaal tachograafdata onderzoek blijkt dat de trekker met oplegger 90 à 91 km/u had gereden,4 hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft bevestigd.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij bezig was met de airco in de vrachtwagen. Hij lette daardoor niet (goed) op de weg waardoor hij van de rijbaan raakte en via de vluchtstrook in de berm raakte. Hij wilde de trekker en oplegger rechttrekken maar de combinatie begon te slippen. Hij heeft voorts verklaard dat hij weet dat hij in dit soort situaties beter het gaspedaal kan loslaten maar omdat hij de vangrail aan de voor hem rechterzijde van de weg wilde ontwijken, is hij naar links gaan sturen waardoor de combinatie is gaan slippen

Een tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet op te leveren. De enkele omstandigheid dat verdachte bezig was met de airco en tijdelijk niet goed heeft opgelet op de weg zonder dat daarbij andere verkeersfouten zijn gemaakt, levert naar het oordeel van de rechtbank nog geen schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 op. Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De rechtbank is van oordeel dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich hierbij op de redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal VerkeersOngevalsanalyse 5;

- het proces-verbaal tachograafdata onderzoek 6;

- het proces-verbaal van verhoor van [getuige]7;

- de bekennende verklaring van verdachte8 en ter terechtzitting.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 22 juni 2009 te Apeldoorn, als bestuurder van een voertuig (trekker met oplegger), daarmee rijdende op de weg, de Rijksweg A1,

terwijl het zicht ter plaatse niet werd belemmerd, beperkt en/of werd gehinderd, in strijd met artikel 58a van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 een passagier

([slachtoffer]) heeft vervoerd, terwijl deze niet gezeten was op een zitplaats en terwijl voor het door hem bestuurde motorrijtuig geen andere vervoerswijze was toegestaan, en

(daarbij) heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 90 kilometer per uur, en (daarbij) zijn aandacht niet, althans in onvoldoende mate op of bij het overige verkeer en de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad, en

(daarbij) naar rechts heeft gestuurd,

(daarbij) is terecht gekomen op een vluchtstrook, gelegen rechts naast de rijstrook waarover hij, verdachte, reed en terecht is gekomen in de rechts van die vluchtstrook gelegen berm, zonder dat er enige te rechtvaardigen aanleiding of reden was om op dat weggedeelte en door die berm te (gaan) rijden, en

(daarbij) dat motorrijtuig niet voortdurend onder controle heeft gehad, en/of (vervolgens) naar links heeft gestuurd, en

(vervolgens) in een slip is geraakt,

en

(vervolgens) is gebotst tegen de middelgeleider, welke tussen beide rijbanen van die Rijksweg A1 was geplaatst,

ten gevolge waarvan dat door verdachte bestuurde motorrijtuig op de rechterzijde is gekanteld/terecht is gekomen,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de overtreding:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, indien deze straf niet naar behoren wordt verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden.

De raadsman heeft bepleit geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Dit zou betekenen dat verdachte zijn baan zou kwijtraken. Werkloos raken zou voor verdachte een ramp betekenen omdat hij dan maar moet zien om elders werk te verkrijgen en zijn schulden niet kan aflossen. Voorts acht de verdediging acht maanden voorwaardelijke rijontzegging een te hoge straf voor verdachte. Indien de rechtbank al zou komen tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde wordt bepleit op te leggen zes maanden voorwaardelijke rijontzegging en 60 uur werkstraf.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte -door tijdelijke onoplettendheid- met de door hem bestuurde vrachtwagen met oplegger op de autosnelweg A1 is gereden/ gebotst tegen de middengeleider die tussen de beide rijbanen van de A1 was geplaatst ten gevolge waarvan de combinatie is gekanteld. Door deze gedragingen heeft hij gevaar op die weg veroorzaakt. Voorts dat een inzittende van de vrachtwagen, [slachtoffer], ten gevolge van deze gedraging rugletsel heeft opgelopen waardoor hij voor 7% is afgekeurd.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard een schuldgevoel naar zijn collega te hebben. De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte na de aanrijding betrokkenheid toont en nog altijd goed met zijn collega samenwerkt.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank voorts acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte als vrachtwagenchauffeur een groot belang heeft bij het behoud van zijn rijbewijs.

Ook zal de rechtbank bij de strafoplegging rekening houden met de omstandigheid dat het feit dateert van 22 juni 2009 en verdachte dus meer dan twee jaar heeft moeten wachten op de behandeling van zijn zaak.

De rechtbank is op grond van het vorenoverwogene van oordeel dat een werkstraf passend en geboden is. De rechtbank zal aan verdachte een werkstraf voor de duur van 25 uren opleggen. Tevens ziet de rechtbank aanleiding tot het opleggen van een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 maanden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op:

- de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en

- de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:

een werkstraf gedurende 25 (vijfentwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 12 (twaalf) dagen;

* ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden;

* bepaalt, dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door mrs. Van der Hooft, voorzitter, Kleinrensink en Heenk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 november 2011.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL062B 2009008829-9, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, gesloten en ondertekend op 28 juli 2010.

2 2 Proces-verbaal VerkeersOngevalsanalyse van 19 januari 2010, p 6 van het proces-verbaal, ongenummerde dossierpagina.

3 Proces-verbaal VerkeersOngevalsanalyse van 19 januari 2010, p 18 van het proces-verbaal, ongenummerde dossierpagina.

4Proces-verbaal tachograafdata onderzoek van 4 september 2009, p. 3 van het proces-verbaal, ongenummerde dossierpagina's.

5 Proces-verbaal VerkeersOngevalsanalyse van 19 januari 2010, p 1-24 van het proces-verbaal, ongenummerde dossierpagina's.

6 Proces-verbaal tachograafdata onderzoek van 4 september 2009, p. 3 van het proces-verbaal, ongenummerde dossierpagina's.

7 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige], p. 1-2 van het proces-verbaal, ongenummerde dossierpagina's.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte van 22 juni 2009, ongenummerde dossierpagina's.