Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BU1402

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
11/852 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit deeltijd WW. Werkgever is geen belanghebbende bij verlenging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 11/852 WW

Uitspraak in het geding tussen:

[Naam B.V.]

gevestigd te [plaats, gemeente],

eiseres,

en

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 24 november 2010 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij de aanvragen met betrekking tot de verlenging van de deeltijd werkloosheidswetuitkering (deeltijd WW) van drie van de werknemers van eiseres niet in behandeling zal nemen.

Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 april 2011 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 29 september 2011, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. D.M.C. Kooijman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. van de Berk.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) is het de werkgever verboden de werktijd van de werknemer op minder dan 48 uur per week te stellen of gesteld te houden. Ingevolge het derde lid kan door of vanwege de Minister van het bepaalde in het eerste lid voor bepaalde werknemers of groepen van werknemers voorwaardelijk of onvoorwaardelijk ontheffing worden verleend.

Bij Besluit deeltijd WW tot behoud van vakkrachten (hierna: het Besluit) heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, met toepassing van artikel 8, derde lid, van het BBA, een algemene tijdelijke ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van het BBA. Ingevolge artikel 1 van het Besluit is het een werkgever – kort samengevat – onder bepaalde omstandigheden toegestaan om voor (een aantal van) zijn werknemers eenmalig een werktijdverkorting toe te passen. Deze werknemers kunnen dan vervolgens op grond van de Werkloosheidswet recht hebben op een uitkering (de zogenaamde deeltijd WW).

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge de artikelen 7:1, eerste lid, en 8:1, eerste lid, van de Awb kan alleen een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken en beroep instellen.

2.2 Op 14 januari 2010 heeft eiseres deeltijd WW aangevraagd voor drie van haar werknemers. Bij besluiten van 8 februari 2010 heeft verweerder aan deze werknemers voor de periode van 4 januari 2010 tot en met 4 april 2010 WW-uitkering verleend. Bij besluiten van 2 augustus 2010 heeft verweerder aan de werknemers meegedeeld de uitkeringen per 5 april 2010 te beëindigen. Bij brief van 1 november 2010 is aan verweerder het verzoek gedaan om de verleende uitkeringen (met terugwerkende kracht) te verlengen, welk verzoek verweerder bij brief van 24 november 2010 heeft afgewezen.

2.3 De rechtbank constateert dat eiseres op eigen titel bezwaar heeft gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek om de duur van de aan de werknemers verleende WW-uitkeringen te verlengen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft een werkgever evenwel geen rechtstreeks belang bij de vaststelling van de duur van de werkloosheidsuitkeringen van zijn werknemers, zodat eiseres geen belanghebbende is bij deze weigering. Dat de aanvraag en betaling van de uitkeringen loopt via eiseres maakt dit niet anders. De rechtbank ziet hier een zekere parallel met de in artikel 18 van de WW opgenomen regeling van werkloosheid in verband met buitengewone natuurlijke omstandigheden. Ook in het kader van die regeling is het de werkgever die - op grond van artikel 6 van het Uitkeringsreglement WW 2009 - de aangifte werkloosheid en aanvraag WW-uitkering doet. De omstandigheid dat bij toewijzing van de aanvragen de betaling van de WW-uitkering verloopt door tussenkomst van de werkgever maakt naar vaste rechtspraak (CRvB d.d. 22 november 2006, LJN: AZ3650) niet dat de werkgever als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is aan te merken.

Ook de omstandigheid ten slotte dat een verlenging van de deeltijd WW van invloed kan zijn op de in artikel 1 aanhef en onder d, van het Besluit neergelegde verplichting van eiseres om aan het UWV een vergoeding te betalen, maakt evenmin dat eiseres belanghebbende is bij de weigering van verweerder om de WW-uitkeringen van de werknemers te verlengen, aangezien dit belang van eiseres moet worden beschouwd als een afgeleid belang.

2.4 Gelet op het voorgaande heeft verweerder eiseres ten onrechte aangemerkt als belanghebbende bij zijn weigering om de WW-uitkeringen te verlengen. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door eiseres niet-ontvankelijk te verklaren in haar bezwaar en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5 Eiseres heeft de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiseres geleden schade. Gelet op het feit dat eiseres niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar bezwaar, ziet de rechtbank geen gronden om dit verzoek te honoreren.

2.6 De rechtbank zal verweerder veroordelen in de proceskosten van eiseres. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van rechtsbijstand twee punten toegekend, waarbij een wegingsfactor van één wordt gehanteerd. Voorts zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht zal moeten vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 20 april 2011;

- verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar bezwaar van 13 december 2010;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 874,00, te betalen aan eiseres;

- gelast dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 302,00 vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J.J.M. Weyers. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2011.