Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BT8902

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
21-10-2011
Zaaknummer
06/940113-11 en 07/601311-07 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank spreekt een drietal mannen vrij van mensenhandel en dwingen tot prostitutie van een vrouw uit Doetinchem. De vrouw heeft twee keer onder ede verklaard dat ze vrijwillig werkzaamheden in de prostitutie heeft verricht en daartoe niet is gedwongen door de verdachten. Hierdoor acht de rechtbank de beschuldigingen niet wettig en overtuigend bewezen. Zie uitspraken LJN BT8882 en BT8884 voor verdachten A en B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummers: 06/940113-11 en 07/601311-07 (tul)

Uitspraak d.d.: 21 oktober 2011

Tegenspraak (279 Sv) / dip / oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte C],

geboren te [plaats, 1981],

wonende te [adres].

Raadsman: mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 oktober 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010

tot en met 13 februari 2011 te Doetinchem en/of te Zwolle en/of te Deventer,

in elk geval (telkens) in Nederland en/of in Duitsland,

(lid 3 sub 1)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen

een ander, te weten, [slachtoffer]

(lid 1, onder 1°)

door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door

dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, door fraude, afpersing,

misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend

overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie,

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het

oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer],

en/of

(lid 1, onder 4°)

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° van dit artikel genoemde

middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere)

feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden,

door fraude, afpersing, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke

verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare

positie

die [slachtoffer] heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te

stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten en/of

de onder 1° van dit artikel genoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft

ondernomen waarvan hij, verdachte en/of diens mededader(s) wist of

redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor

beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten,

en/of

(lid 1, onder 6°)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer],

en/of

(lid 1, onder 9°)

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° genoemde middelen, te weten

door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door

dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden, door fraude, afpersing,

misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend

overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie

die [slachtoffer] heeft bewogen hem, verdachte en/of diens mededader(s)

te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met en/of voor

een derde,

immers heeft verdachte en/of diens mededader(s) (één of meermalen)

-terwijl die [slachtoffer] een relatie met een medeverdachte had, en/of

-tegen die [slachtoffer] gezegd dat zij altijd wel zin had en/of dat ze

daarmee veel geld kon verdienen en/of dat hij, verdachte en/of diens

mededader(s) een miljoen wilden en dat hij, verdachte en/of dat die [slachtoffer] dat geld voor hem kon verdienen en/of

-voorgesteld om op de tippelzone te gaan werken en/of voorgesteld om in een

club in Zwolle te gaan werken en/of

-tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze achter de ramen moest gaan werken

en/of gezegd dat die [slachtoffer] op de Bokkingshang (prostitutiegebied)

nog meer geld kon verdienen en/of dat het op de Bokkinghang veiliger was

en/of

-die [slachtoffer] mishandeld en/of

-die [slachtoffer] naar (seks)club [naam club] en/of de Bokkingshang gebracht

en/of gehaald en/of

-gecontroleerd hoeveel klanten die [slachtoffer] had en hoeveel geld ze

daarmee had verdiend en/of tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze te weinig

geld had verdiend en/of

-het door die [slachtoffer] verdiende geld ingenomen en/of beheerd en/of

(deels) aangewend voor zijn/hun eigen gebruik en/of

-tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij, verdachte en/of diens

mededader(s) een boekhouder voor haar (die [slachtoffer]) zouden regelen

en/of dat ze hiervoor 1800 euro, althans een geldbedrag, af moest staan en/of

die [slachtoffer] mishandeld en/of bedreigd en/of

-tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij en/of diens mededader(s) nog een

geldbedrag van 10.000 euro wilden hebben voor hun hulp en/of

-de mobiele telefoon en/of privé-contacten en/of privé-bezigheden van die [slachtoffer] gecontroleerd (teneinde haar privé-leven te kunnen beheersen)

en/of

-die [slachtoffer] in een of meer woningen ondergebracht en/of gehuisvest;

art 273f lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 6 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 9 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

art 273f lid 3 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 20 december 2010 tot en met 31 december 2010

in de gemeente Doetinchem en/of in de gemeente Oude IJsselstreek en/of in de

gemeente Montferland, althans in Nederland en/of in Duitsland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de

afgifte van een geldbedrag van 1800 euro, in elk geval van enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of

welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

verdachte en/of diens mededader(s)

(terwijl verdachte en/of diens mededaders en/of die [slachtoffer] zich in

een auto bevonden en/of waarbij die [slachtoffer] zich op de achterbank

van die auto bevond)

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben gezegd dat ze een bedrag van 1800

euro moest betalen voor de boekhouder die hij, verdachte en/of diens

mededader(s) had(den geregeld) en/of

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, in haar gezicht

heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of met kracht bij haar keel

heeft/hebben gegrepen en/of

- aan die [slachtoffer] dreigend de woorden heeft/hebben toevoegd: "We

laten je ergens achter." en/of "Ik ga je ergens in Duitsland dumpen.", althans

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- (daarbij) de deuren van de auto heeft/hebben vergrendeld en/of met die auto

is/zijn weggereden;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Aanleiding van het onderzoek

Op 9 februari 2011 heeft [moeder slachtoffer] telefonisch de politie in Doetinchem geïnformeerd dat haar dochter [slachtoffer] seksueel was misbruikt. Mevrouw [slachtoffer] heeft zich vervolgens onder meer in gezelschap van haar dochter [slachtoffer] bij de politie in Doetinchem gemeld. Beiden vertelden dat [slachtoffer] door haar vriend [verdachte A] was geprostitueerd in Deventer. Verbalisant heeft daarop het onderzoek overgedragen aan de afdeling Mensenhandel en Prostitutie (Mepro) in Apeldoorn. Tijdens een intakegesprek aldaar heeft [slachtoffer] verklaard dat ze op 9 februari 2011 door [verdachte A] in het gezicht was geslagen. In de periode van oktober 2010 tot 9 februari 2011 werd ze bovendien door hem gedwongen om in de prostitutie te werken. Ze moest haar verdiende geld afstaan en veertien uur per dag werken. Ze mocht geen contacten onderhouden met vrienden en ze werd losgeweekt van haar familie. Ook moest ze zich bij de Kamer van Koophandel laten inschrijven en een postadres nemen om te voorkomen dat haar familie argwaan zou krijgen omtrent haar werkzaamheden. Ze werd door [verdachte A] mishandeld en bedreigd, aldus [slachtoffer]. [verdachte A] had twee vrienden, genaamd [verdachte B] en [verdachte C] (verdachte). Ze heeft deze twee personen € 1.800,- moeten geven voor het leveren van diensten. Dit betrof het inhuren van een boekhouder, van wie ze geen gebruik wilde maken. Beide personen hebben haar ook wel naar haar werkplek in de prostitutie gebracht. [slachtoffer] heeft vervolgens aangifte van mishandeling en mensenhandel gedaan tegen verdachte en de medeverdachten [verdachte A] en [verdachte B].

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van feit 1 meent de officier van justitie dat [slachtoffer] weliswaar verschillende verklaringen heeft afgelegd, maar dat haar uitleg over de intrekking van haar verklaring niet overtuigend is. Haar aangifte kan daarom worden gebruikt voor het bewijs. De aangifte wordt volgens de officier van justitie bovendien in voldoende mate ondersteund door hetgeen de verschillende getuigen verklaren over wat zij van [slachtoffer] hebben gehoord of over wat zij zelf hebben waargenomen betreffende de relatie tussen [slachtoffer] en [verdachte A] gedurende de ten laste gelegde periode.

De officier van justitie heeft voorts betoogd dat voor een bewezenverklaring de volgende elementen van belang zijn: middelen, handelingen en het oogmerk van uitbuiting. Uitgaande van de aangifte en de bedoelde getuigenverklaringen meent de officier van justitie, dat voldaan is aan deze drie elementen:

- middelen: er is gebruik gemaakt van dwang, misleiding, geweld en misbruik vanuit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht door verdachte en de medeverdachten [verdachte A] en [verdachte B] en afpersing door de verdachte en [verdachte B]. Voor zover [slachtoffer] vrijwillig met de prostitutiewerkzaamheden is begonnen, is vervolgens de druk bij haar zodanig opgevoerd, dat zij daaraan geen weerstand kon bieden.

- handelingen: [verdachte A] heeft [slachtoffer] geworven, verdachte en [verdachte B] hebben haar vervoerd.

- oogmerk van uitbuiting door werken in de prostitutie en afdragen van het daarmee verdiende geld.

De officier van justitie meent verder dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten.

De officier van justitie acht het onder 1 ten laste gelegde bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie betoogd dat [slachtoffer] bij haar verklaring is gebleven dat verdachte haar tegen haar hoofd heeft geslagen, haar bij haar keel heeft vastgepakt en dat zij aan hem en [verdachte B] geld moest betalen. [verdachte B] heeft haar niet fysiek aangeraakt, maar bestuurde de auto, gehoorzaamde verdachte dat hij moest gaan rijden en sloot centraal de portierdeuren. De officier van justitie acht het onder 2 ten laste gelegde eveneens bewezen.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe betoogd dat [slachtoffer] terug is gekomen op haar aangifte en heeft verklaard dat zij vrijwillig in de prostitutie is gegaan. Dat ze zou zijn gedwongen wordt niet gesteund door enig ander stuk uit het dossier. Ook voor het onder 2 ten laste gelegde is er geen overtuigend bewijs. Verdachte en de medeverdachten [verdachte A] en [verdachte B] hebben het door [slachtoffer] beschreven voorval ontkend. De verklaring van [slachtoffer] is verder niet geloofwaardig noch overtuigend.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank overweegt dat [slachtoffer] bij de politie verklaringen heeft afgelegd met een verschillende strekking. Zo heeft zij tijdens het intakegesprek en vervolgens in haar aangifte verklaard dat zij zou zijn gedwongen tot prostitutie door verdachte en de medeverdachten [verdachte A] en [verdachte B]. Daarbij zou geweld zijn gebruikt en moest zij geld, een bedrag van € 1.800,-, afstaan aan verdachte.

Op 19 februari 2011, enkele dagen na haar aangifte, is [slachtoffer] teruggekomen op haar aangifte en heeft ze verklaard dat ze in de zomer van 2010 het idee kreeg om in de prostitutie te gaan werken. Ze wilde veel geld verdienen. Ze heeft [verdachte A] over haar plannen verteld en [verdachte A] heeft contact gezocht met [verdachte B], een vriend van verdachte die in het wereldje van de prostitutie zou zitten en die hij kende uit de gevangenis. Tijdens een etentje heeft ze van verdachte en [verdachte B] informatie gekregen. [slachtoffer] heeft de verklaring dat ze een bedrag van € 1.800.- moest afstaan aan verdachte en dat ze door verdachte is geslagen ook ter terechtzitting gehandhaafd.

Op 13 april 2011 heeft [slachtoffer] in het kader van een mini-instructie onder ede een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris. Ook is zij op de terechtzitting van 7 oktober 2011 onder ede als getuige gehoord. Haar verklaringen bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting houden kort samengevat in dat zij vrijwillig de prostitutie is ingegaan. Ze is daartoe niet gedwongen door verdachte noch door een van de medeverdachten. [slachtoffer] bleef bij haar verklaring dat ze twee dagen voor Oud & Nieuw door verdachte is geslagen en € 1.800,- aan hem moest afgeven.

Mede gelet op het feit dat [slachtoffer] twee keer onder ede heeft verklaard dat ze vrijwillig werkzaamheden in de prostitutie heeft verricht en daartoe niet is gedwongen door verdachte en de medeverdachten, acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt dat er ten aanzien van de aangifte geen ondersteunend bewijs is. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de verklaringen van de getuigen telkens zijn gebaseerd op hetgeen [slachtoffer] heeft verteld ten tijde van het doen van aangifte terwijl zij later heeft verklaard dat de aangifte niet overeenkwam met de werkelijkheid.

Met betrekking tot het verwijt van de officier van justitie dat omstreeks Oud & Nieuw 2010 in de auto van [verdachte B] door verdachte geweld is gebruikt tegen [slachtoffer] en zij onder dwang een bedrag van € 1.800,- moest afgeven, overweegt de rechtbank dat ook dat niet kan worden bewezen. De verklaring van [slachtoffer] wordt ook hier wederom niet door andere bewijsmiddelen ondersteund. Verdachte en medeverdachte [verdachte B] hebben het geweld en het onder dwang afgeven van geld ontkend. Medeverdachte [verdachte A] die ter terechtzitting als getuige is gehoord, heeft verklaard dat er in de auto niets is gebeurd: er is niets gezegd over een boekhouder voor € 1.800,- en er is niet geslagen. Dat getuige [moeder slachtoffer], moeder van [slachtoffer], heeft verklaard dat ze een dikke plek bij het rechteroog van haar dochter heeft gezien, leidt niet tot een ander oordeel nu uit haar verklaring niet naar voren komt wanneer zij dat letsel heeft gezien. Nu een causaal verband niet zonder meer kan worden aangenomen tussen het incident in de auto omstreeks Oud & Nieuw en het door de moeder waargenomen letsel, is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor dwang. De rechtbank acht gelet op het voorgaande de onder 2 ten laste gelegde afpersing evenmin bewezen.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3.827,49 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Vordering tenuitvoerlegging

De vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde maand gevangenisstraf dient naar het oordeel van de rechtbank te worden afgewezen, nu de rechtbank de aan verdachte ten laste gelegde feiten niet bewezen acht en verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Beslissing

De rechtbank:

• verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

• wijst af de vordering van de officier van justitie van 15 september 2011, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Zwolle-Lelystad van 2 november 2009 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 1 (een) maand;

• verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Aldus gewezen door mrs. Van Valderen, voorzitter, Van der Mei en Ouweneel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Althoff, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 21 oktober 2011.