Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BT7366

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
10/105
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW7601, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Handhaving. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat de omvang van de autohandel op hun terrein sinds de peildatum voor het overgangsrecht geen relevante wijziging heeft ondergaan. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: 10/105

Uitspraak in het geding tussen:

Vennootschap onder firma [firma A VOF] en haar vennoten

[vennoot 1] en [vennoot 2]

te [plaats],

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 juli 2009 heeft verweerder eisers onder oplegging van een dwangsom gelast de autohandel op het perceel [adres te plaats] (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 7 januari 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Namens eisers heeft mr. A.A. Robbers, advocaat te Apeldoorn, daartegen beroep ingesteld bij brief van 20 januari 2010. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 11 augustus 2011, waar van [eisers] is verschenen, bijgestaan door mr. Robbers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Oostwoud en J. Bovendorp.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel IV van de Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht is het recht zoals dit gold tot 1 juli 2009 in dit geval van toepassing, omdat het schriftelijk voornemen om handhavend op te treden wegens een overtreding die vóór 1 juli 2009 is aangevangen maar na 30 juni 2009 ononderbroken voortduurt, teneinde eisers de gelegenheid te bieden daarop hun zienswijzen kenbaar te maken, op 6 maart 2009 – derhalve vóór 1 juli 2009 – aan hen is toegezonden. De rechtbank volstaat in dit verband met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 1 juni 2011 (zaak nr. 201007178/1/H1, LJN: BQ6826).

2.2 Ten tijde van het bestreden besluit was op het in geding zijnde perceel het bestemmingsplan “Vaassen Zuid en West” van kracht. Ingevolge de plankaart behorende bij dit bestemmingsplan heeft het perceel – voor zover hier van belang – de bestemmingen “tuin” en “wonen”.

2.3 Vast staat en geen punt van geschil is dat het gebruik van het onderhavige perceel ten behoeve van de autohandel in strijd is met de bestemmingen “tuin” en “wonen”. Eisers betogen evenwel dat de autohandel onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt.

2.4 Ingevolge artikel 27.4 van de voorschriften van het bestemmingsplan – voor zover hier van belang – mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaand gebruik.

Ingevolge artikel 27.6 is het bepaalde in artikel 27.4 niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

2.5 Partijen zijn niet langer verdeeld over de uitleg van artikel 27.6 van de planvoorschriften. De rechtbank is evenals partijen van oordeel dat deze bepaling – toegepast op de onderhavige zaak – zo moet worden uitgelegd, dat eisers het gebruik van het onderhavige perceel ten behoeve van de autohandel mogen voortzetten indien die handel niet in strijd is met het voorheen geldende bestemmingsplan, met inbegrip van het daarin opgenomen overgangsrecht.

2.6 Het voorheen geldende bestemmingsplan is het bestemmingsplan “Wanenk”. Ingevolge de plankaart behorend bij dit bestemmingsplan rust op het in geding zijnde perceel de bestemming “eengezinshuis in open bebouwing”. Vast staat en geen punt van geschil is dat de autohandel in strijd is met deze bestemming.

2.7 Ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan “Wanenk” behorende voorschriften is het verboden grond en opstallen te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming en met daarbij in deze voorschriften gegeven gebruiksbepalingen.

Ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de planvoorschriften is het bepaalde in het eerste lid, niet van toepassing op het gebruik dat bestond ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan, zolang in de aard van het gebruik geen wijziging wordt aangebracht, danwel deze wijziging een vermindering van de strijdigheid met het plan inhoudt.

2.8 Tussen partijen is niet langer in geschil dat de autohandel reeds ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan “Wanenk” (hierna: de peildatum) op het onderhavige perceel aanwezig was en sindsdien ononderbroken is voortgezet.

2.8.1 De rechtbank stelt vast dat tussen partijen met name nog in geschil is of na de peildatum sprake is van intensivering van de omvang van de autohandel, waardoor in de aard van het gebruik een wijziging is aangebracht. Is dat het geval, dan kan geen beroep worden gedaan op het overgangsrecht van het bestemmingsplan “Wanenk”.

2.8.2 Verweerder heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat de autohandel op de peildatum een hobbymatig karakter had. Hij heeft ter onderbouwing verwezen naar een verklaring van [naam 1] van 7 januari 1992 en het op 11 januari 1992 door hem ingevulde kennisgevingsformulier Besluit herstelinrichtingen voor motorvoertuigen Hinderwet. Nadien is voorts, gelet op door eisers overgelegde verklaringen van autoverkopen, de autohandel zodanig toegenomen dat deze een bedrijfsmatig karakter heeft gekregen. Verweerder concludeert dat eisers dan ook geen beroep kunnen doen op het overgangsrecht.

2.8.3 Eisers betogen dat op de peildatum de autohandel niet hobbymatig was. Eisers hebben erop gewezen dat de omvang van het terrein waarop de te verhandelen auto’s worden gestald niet is gewijzigd en dat deze bepalend is voor de omvang van de autohandel.

2.8.4 Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling rust in beginsel op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de last om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. In dit geval betekent dat dat eisers aannemelijk moeten maken dat de autohandel niet is geïntensiveerd, waardoor in de aard van het gebruik een wijziging is aangebracht (zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2010 in zaak nr. 200904964/1/H1,

JB 2010/79).

2.8.5 Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat de omvang van de autohandel op het perceel sinds de peildatum geen relevante wijziging heeft ondergaan. Uit wat eisers hebben aangevoerd is niet af te leiden hoeveel auto’s per jaar werden verhandeld op het in geding zijnde perceel vóór de peildatum. Het aantal gelijktijdig op het perceel uitgestalde auto’s vóór de peildatum en in de jaren daarna blijft ook onduidelijk. Uit de door eisers overgelegde verklaringen is weliswaar af te leiden dat vóór de peildatum al autohandel plaatsvond op het perceel, maar niet in welke mate. Het vorenstaande maakt al dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de omvang van de autohandel op het perceel dusdanig is geïntensiveerd dat sinds de peildatum sprake is van een wijziging in de aard van het gebruik. Daarbij komt ten eerste dat niet in geschil is dat het autoherstelbedrijf van [naam 1] op het perceel in 2001 is beëindigd en dat [vennoot 1] de daardoor vrijgekomen ruimte op het perceel vervolgens heeft benut voor stalling van voorheen aan [adres] gestalde auto’s ten behoeve van zijn autohandel. Anders dan eisers kennelijk menen, is voor het antwoord op de vraag of in de aard van het gebruik een wijziging is aangebracht, van belang of de op het perceel aanwezige auto’s zijn gestald ten behoeve van autohandel, dan wel ten behoeve van autoherstelwerkzaamheden. Niet in geschil is dat voorheen door [naam 1] zowel auto’s op het perceel werden gestald ten behoeve van autoherstelwerkzaamheden, als ten behoeve van autohandel. Reeds uit de omstandigheid dat de ruimte voor stalling van auto’s voor autoherstelwerkzaamheden vanaf 2001 volledig wordt benut voor stalling van auto’s voor autohandel, is af te leiden dat in de aard van het gebruik een wijziging is aangebracht. Ten tweede komt daarbij dat uit de door eisers overgelegde grootboekgegevens over de jaren 2001 tot en met 2005 is af te leiden dat de autohandel van [vennoot 1] in de betreffende jaren aanmerkelijk is toegenomen, ook als daarbij in ogenschouw wordt genomen dat de grootboekgegevens over het jaar 2001 slechts betrekking hebben op de periode vanaf medio maart van dat jaar. Ten derde komt daarbij dat eisers erkennen dat tot voor kort geen auto’s aan de voorzijde van de woning in de voortuin werden gestald.

2.8.6 Verweerder heeft zich aldus niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de omvang van de autohandel op het perceel dusdanig is geïntensiveerd dat sinds de peildatum sprake is van een wijziging in de aard van het gebruik, zodat eisers geen beroep toekomt op het overgangsrecht.

2.8.7 De conclusie is dat verweerder bevoegd was om tot handhaving over te gaan.

2.9 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.10 Gesteld noch gebleken is dat concreet zicht bestaat op legalisatie van de huidige omvang van de autohandel op het perceel.

2.10.1 Evenmin gesteld noch gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat handhavend optreden in het geval van eisers zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat verweerder in het geval van eisers van handhavend optreden behoorde af te zien.

2.10.2 Voor zover eisers zich met het overleggen van foto’s van andere (auto)bedrijven in de directe omgeving van hun bedrijf beogen te beroepen op schending van het gelijkheidsbeginsel, slaagt dit beroep niet, reeds omdat niet gebleken is dat de betreffende andere (auto)bedrijven niet in het geldende bestemmingsplan als zodanig zijn bestemd.

2.11 Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.G.J. Welbergen, voorzitter, en mr. L.J.P. Lambooij en mr. W.J.B. Claassen-Dales, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2011.

Afschrift verzonden op: