Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BT6631

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
11/1081 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gemeenteambtenaar bij de afdeling Openbare Ruimte van de gemeente Apeldoorn is strafontslag gegeven in verband met onder andere betrokkenheid bij een hennepplantage en het laten verdwijnen van fietsen. Het eerste is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan, het tweede niet. Wel oordeelt de rechtbank dat er is sprake van ernstig plichtsverzuim. Het strafontslag blijft daarom in stand. Dat de ontslagen gemeenteambtenaar door de politierechter is vrijgesproken van het Opiumwetdelict, doet daar niet aan af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: 11/1081 AW

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

te Apeldoorn,

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2010 heeft verweerder aan eiser wegens ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang ontslag verleend op grond van artikel 16:1:1 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst gemeente Apeldoorn (hierna: de CAR/UWO). Bij deze strafoplegging heeft verweerder onmiddellijke tenuitvoerlegging bevolen.

Bij besluit van 27 juni 2011 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan de conclusie dat sprake is van ernstig plichtsverzuim heeft verweerder in het bestreden besluit, in aanvulling op het primaire besluit, tevens een viertal andere gedragingen van eiser ten grondslag gelegd. Voorts heeft verweerder besloten eiser subsidiair met ingang van 14 mei 2010 te ontslaan wegens zeer ernstig plichtsverzuim.

Eiser heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 13 september 2011, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. B.J.H.L. Brouwer, advocaat te Apeldoorn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.C. Maassen van den Brink en B.A. van Dam.

2. Overwegingen

2.1 Eiser is sedert medio mei 2003 bij de gemeente Apeldoorn werkzaam, laatstelijk in de functie van algemeen medewerker B bij de afdeling Openbare Ruimte. Op 3 juni 2009 is eiser door de regiopolitie Noord-Oost Gelderland aangehouden en gehoord in verband met de verdenking van overtreding van artikel 3 van de Opiumwet (inzake een hennepkwekerij op het adres [adres] te Apeldoorn).

Bij besluit van 18 juni 2009 heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang geschorst in afwachting van duidelijkheid over de feiten. Bij besluit van 22 september 2009 heeft verweerder besloten de schorsing te beëindigen en eiser tijdelijk andere werkzaamheden op te dragen.

Eiser is gedagvaard voor de terechtzitting van de politierechter van deze rechtbank van

8 januari 2010. De politierechter heeft het onderzoek ter terechtzitting geschorst voor het horen van getuigen en nader onderzoek. Het onderzoek is voortgezet op de terechtzitting van 3 maart 2010. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens wederom geschorst.

Bij brief van 16 maart 2010 heeft verweerder eiser, naar aanleiding van de bevindingen op de terechtzittingen van de politierechter, geschorst en hem de toegang tot de gemeentelijke gebouwen ontzegd. Daarbij is tevens het voornemen kenbaar gemaakt om een disciplinaire maatregel op te leggen, inhoudende ongevraagd ontslag met onmiddellijke ingang wegens ernstig plichtsverzuim.

Namens eiser is bij brief van 22 maart 2010 een zienswijze ingediend, waarbij is aangegeven dat eiser kan berusten in de schorsing en de ontzegging van de toegang tot gemeentelijke gebouwen, maar zich niet kan vinden in het voorgenomen ontslag.

Bij het eerder genoemde besluit van 30 maart 2010 heeft verweerder eiser met onmiddellijke ingang ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim als bedoeld in artikel 16:1:1 van de CAR/UWO en daaraan ten grondslag gelegd dat voldoende aannemelijk is dat eiser betrokken is geweest bij een hennepkwekerij.

Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 4 mei 2010 (registratienummer 10/618 AW) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het besluit van 30 maart 2010 geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Op 1 juni 2010 is eiser door de politierechter van deze rechtbank vrijgesproken van het tenlastegelegde misdrijf, te weten overtreding van artikel 3 van de Opiumwet.

Eiser is op 24 juni 2011 door de politierechter van deze rechtbank veroordeeld tot 120 uur werkstraf wegens – kort gezegd – mishandeling met een honkbalknuppel, gepleegd op

13 mei 2010. Tegen dat vonnis is hoger beroep ingesteld, waarop nog niet is beslist.

Bij het in deze procedure bestreden besluit van 27 juni 2011 heeft verweerder het bezwaar tegen het disciplinaire ontslag ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder naast betrokkenheid bij een hennepkwekerij de volgende gedragingen aan het strafontslag ten grondslag gelegd:

1. betrokkenheid bij het verdwijnen van fietsen in ieder geval in de periode van eind 2007 tot begin 2009, althans gedurende langere tijd;

2. misbruik van de positie van gemeenteambtenaar bij de aanschaf van fietsen bij Stichting Wijkwerk;

3. aanhouding op 23 maart 2010 en boete van € 400 wegens rijden onder invloed van alcohol op een bromfiets of (snor)fiets;

4. gedurende het dienstverband verrichten van nevenwerkzaamheden (handel in auto’s) zonder hiervan mededeling te doen.

Voorts heeft verweerder besloten eiser subsidiair per 14 mei 2010 te ontslaan wegens zeer ernstig plichtsverzuim vanwege een door eiser op 13 mei 2010 gepleegde mishandeling van een buurtgenoot met een honkbalknuppel in een winkelcentrum in Apeldoorn.

In het bestreden besluit is tot slot bepaald dat, conform de uitspraak van de voorzieningen-rechter van 4 mei 2010, het salaris van eiser wordt doorbetaald tot 6 weken na dagtekening van het besluit.

2.2 Ingevolge artikel 16:1:1 van de CAR/UWO kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt dan wel bij herhaling aanleiding geeft tot toepassing te zijnen aanzien van maatregelen van inhouding, beslag of korting, als bedoeld in de tweede titel van de Ambtenarenwet, deswege disciplinair worden gestraft. Plichtsverzuim omvat zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

In artikel 16:1:2, eerste lid, van de CAR/UWO is bepaald welke disciplinaire straffen, naast de mogelijkheid genoemd in artikel 8:13, kunnen worden toegepast.

Ingevolge artikel 8:13 van de CAR/UWO kan als disciplinaire straf aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.

2.3 De rechtbank stelt voorop dat in tuchtrechtelijke zaken als de onderhavige volgens vaste jurisprudentie niet de strikte bewijsregels gelden die in het strafrecht van toepassing zijn, doch dat voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven, noodzakelijk is dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat betrokkene zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt. Dat eiser door de politierechter is vrijgesproken ter zake van het plegen van een misdrijf, te weten overtreding van artikel 3 van de Opiumwet, betekent dus niet dat geen sprake kan zijn van plichtsverzuim wegens betrokkenheid bij een hennepplantage. De rechtbank merkt hierbij op dat plichtsverzuim, inhoudende betrokkenheid bij een hennepplantage, een andere strekking kan hebben dan de in artikel 3 van de Opiumwet genoemde verboden gedragingen.

2.4 Gelet op de gedingstukken, waaronder het rapport van de Sociale Recherche van

6 januari 2010 en de processen-verbaal van de terechtzittingen bij de politierechter, is ook voor de rechtbank voldoende komen vast te staan dat eiser betrokken is geweest bij een hennepplantage. Blijkens deze stukken hebben immers vier personen ([naam A], [naam B], [naam C] en [naam D]) tegenover de politie en/of de Sociale Recherche uitgebreid en gedetailleerd over eisers betrokkenheid bij een hennepplantage verklaard. [naam A] en [naam B] hebben dat voorts gedaan zonder hun eigen betrokkenheid te ontkennen. Daar komt bij dat deze verklaringen worden ondersteund door het feit dat eiser tegenover de Sociale Recherche op 3 juni 2009 heeft verklaard dat [naam B] hem opbelde en vertelde “dat de politie voor de deur stond voor wiet”, terwijl eiser geen aannemelijke verklaring voor dat telefoongesprek heeft gegeven.

Dat de vier genoemde personen hun voor eiser belastende verklaringen later hebben ingetrokken, doet aan het voorgaande niet af, nu die latere verklaringen weinig geloofwaardig zijn. Geen van allen heeft namelijk een aannemelijke verklaring gegeven voor het feit dat zij terugkomen op hun eerdere beschuldigende verklaring. Daarbij moet worden bedacht dat [naam A], [naam C] en [naam D] verklaard hebben dat niet van te voren was afgesproken dat zij eiser zouden beschuldigen als de hennepkwekerij werd opgerold. Gelet daarop is het naar het oordeel van de rechtbank uiterst onwaarschijnlijk dat zij allen desalniettemin ten onrechte eiser beschuldigd hebben van betrokkenheid bij de hennepkwekerij. Bovendien acht de rechtbank van belang dat [naam A], toen zij de beschuldigende verklaring over eiser bij de Sociale Recherche aflegde, zelf ter zake van dat feit al was veroordeeld en de aan haar hiervoor opgelegde taakstraf reeds had verricht, zodat zij in zoverre geen belang had bij het afleggen van een valse, beschuldigende verklaring.

2.5 Gelet op het voorgaande heeft eiser zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Dat voornoemde gedraging zich in de privésfeer heeft voorgedaan, leidt niet tot een ander oordeel, aangezien sprake is van een verwijtbare gedraging van een dusdanige ernst en gewicht dat gezegd moet worden dat eiser heeft gehandeld zoals een goed ambtenaar behoort na te laten.

2.6 Met betrekking tot de overige aan eiser (primair) verweten gedragingen overweegt de rechtbank als volgt.

2.6.1 De rechtbank is van oordeel dat in onvoldoende mate is komen vast te staan dat eiser verantwoordelijk is voor het verdwijnen van fietsen. Weliswaar komt uit de gedingstukken het algemene beeld naar voren dat door gemeenteambtenaren veelvuldig regels werden overtreden en dat fietsen (en andere spullen) op onverklaarbare wijze verdwenen; dat nu juist eiser daarvoor verantwoordelijk moet worden gehouden is echter onvoldoende komen vast te staan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de voor eiser meest belastende verklaringen zijn afgelegd door anonieme getuigen en dat deze verklaringen, waar het gaat om concrete verwijtbare handelingen van eiser, onvoldoende worden ondersteund door verklaringen van betrokkenen van wie naam en functie wel bekend zijn.

Wel is voldoende gebleken dat eiser een fiets heeft gedemonteerd en dat eiser drie ongestickerde fietsen heeft vervoerd. Daarover hebben immers diverse personen uit eigen wetenschap verklaard. Eiser heeft aldus in strijd met het fietsenprotocol gehandeld. Tegen de achtergrond van het beeld dat het in algemeen niet zo nauw werd genomen met de regels, hetgeen nog bevestigd wordt door het feit dat de leidinggevenden van eiser destijds kennelijk ook geen reden zagen om tuchtrechtelijke consequenties aan het demonteren van een fiets en het vervoeren van ongestickerde fietsen te verbinden, is dit echter van onvoldoende gewicht om van plichtsverzuim te spreken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er geen concrete aanwijzing is dat de desbetreffende fietsen daadwerkelijk zijn ‘verdwenen’.

Het is de rechtbank voorts onvoldoende gebleken dat eiser bij het kopen of reserveren van fietsen bij Stichting Wijkwerk misbruik heeft gemaakt van zijn positie als gemeenteambtenaar of de gemeente heeft benadeeld.

2.6.2 Verweerder heeft gesteld dat eiser is vervolgd en beboet voor dronken rijden op een brom- of snorfiets, maar heeft deze stelling, die door eiser is betwist, niet met stukken onderbouwd, zodat deze gedraging niet is komen vast te staan.

2.6.3 Het is de rechtbank voorts onvoldoende gebleken dat eiser (niet-gemelde) nevenwerkzaamheden in de vorm van handel in auto’s heeft verricht. De desbetreffende verklaringen daarover zijn onvoldoende concreet en onderbouwd.

2.6.4 De conclusie luidt dat met betrekking tot de hier bedoelde overige gedragingen geen plichtsverzuim kan worden vastgesteld.

2.7 Uit hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.5 volgt dat verweerder bevoegd was eiser een disciplinaire straf op te leggen wegens plichtsverzuim. Gelet op de ernst van het plichtsverzuim acht de rechtbank het onvoorwaardelijk strafontslag met onmiddellijke ingang, niet onevenredig aan dit verzuim. Dat de overige (primair) verweten gedragingen onvoldoende zijn komen vast te staan, kan daaraan niet afdoen. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd waarom hij met het strafontslag niet heeft gewacht op het oordeel van de politierechter. Het beroep is daarom ongegrond. De rechtbank komt aldus niet toe aan een beoordeling van de subsidiaire ontslaggrond (de mishandeling en het niet melden van de veroordeling voor dat feit). Hetgeen verder is aangevoerd, kan onbesproken blijven. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.H.T. Rademaker, voorzitter, en mrs. D.S. de Vries en P.P.T. Bovend’Eert, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2011.