Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BT2746

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
27-09-2011
Zaaknummer
424263 CV-EXPL 10-5196
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank veroordeelt gedaagde sub 1 en gedaagde sub 2 hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 13.870,95, vermeerderd met de contractuele rente vanaf 7 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Zutphen

Sector Kanton – Locatie Apeldoorn

Zaaknummer: 424263 CV-EXPL 10-5196

Grosse aan: mr. J. Bulder

Afschriften aan: partijen

Verzonden:

vonnis van de kantonrechter d.d. 8 juni 2011

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Autoleasebedrijf A B.V.],

statutair gevestigd te [plaats],

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

gemachtigde: mr. J. Bulder,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Leasebedrijf B B.V.],

gevestigd te [plaats, gemeente],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats, gemeente],

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

gemachtigde: mr. M.N.M. van der Zande.

Partijen worden in het hierna volgende [eiseres] en [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en gedaagden gezamenlijk [gedaagden] genoemd.

Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

* het vonnis in het incident van 6 oktober 2010;

* de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie;

* de conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie, tevens akte houdende vermindering van eis in reconventie en akte houdende vermeerdering van eis in reconventie;

* de conclusie van dupliek in reconventie.

Beoordeling

1. De vaststaande feiten

1.1 [gedaagde sub 2] woont samen met haar partner de heer [naam 1].

1.2 Op 15 februari 2008 is een huurovereenkomst terzake het voertuig type

Renault Master 2.5 dci geschikt voor het vervoer van paarden tussen [eiseres]

enerzijds en [gedaagde sub 1] en de heer [naam 1] anderzijds tot stand gekomen

door ondertekening van het huurcontract. Op het huurcontract zijn de algemene voorwaarden van [eiseres] van toepassing verklaard en deze zijn tevens aan [gedaagde sub 1] en de heer [naam 1] overhandigd.

1.3 Op het huurcontract is nog geen kenteken vermeld omdat het voertuig eerst nog zou worden voorzien van een opbouw, welke door [naam 1] en [gedaagde sub 1] zou worden geplaatst en daarna zou worden voorzien van een kenteken.

Het chassisnummer met de laatste vier cijfers [nummers], wat is vermeld op het contract, behoort bij het voertuig met kenteken [kenteken].

1.4 [gedaagde sub 1] en de heer [naam 1] hebben sinds 1 november 2009 de facturen betreffende dit voertuig niet voldaan aan [eiseres].

1.5 [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] en de heer [naam 1] op 5 februari 2010 in gebreke gesteld. Gelet op haar algemene voorwaarden heeft [eiseres] op 12 februari 2010 de overeenkomst ontbonden en [gedaagde sub 1] en de heer [naam 1] gesommeerd tot betaling en inlevering van het voertuig.

1.6 De rechtbank Zutphen heeft de heer [naam 1] bij vonnis van 12 januari 2010 failliet verklaard.

1.7 De raadsman van [eiseres] heeft de vordering van [eiseres] in het faillissement van de heer [naam 1] ingediend en verzocht om afgifte van het voertuig.

1.8 Op 12 mei 2010 is conservatoir beslag gelegd op het litigieuze voertuig, zonder gerechtelijke bewaargeving en op 15 september 2010 is nogmaals conservatoir beslag gelegd op roerende zaken op het vestigings- c.q. woonadres van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], met gerechtelijke bewaargeving.

2. De vorderingen, de grondslagen en de verweren

2.1 [eiseres] vordert in conventie dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag van € 13.870,95, vermeerderd met contractuele rente, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW vanaf 7 mei 2010, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, tevens te vermeerderen met een bedrag ad

€ 4.004,94 aan contractuele buitengerechtelijke kosten, althans de buitengerechtelijke kosten ad € 894,-- begroot conform Rapport Voorwerk II, althans een bedrag door de rechtbank in goede justitie te bepalen; en

2. [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot afgifte aan haar van het aan haar in eigendom toebehorende voertuig met kenteken [kenteken], binnen één dag na het betekenen van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,-- per dag aan haar, per dag of dagdeel dat [gedaagden] in gebreke blijven aan deze verplichting te voldoen; en

3. voor zover [gedaagden] in gebreke blijven het voertuig binnen 21 dagen na betekening van dit vonnis af te geven aan [eiseres], [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan [eiseres] van vervangende schadevergoeding ad

€ 32.546,68, zijnde de dagwaarde van het aan [eiseres] in eigendom toebehorende voertuig met kenteken [kenteken], waarbij aan de onder punt 2 gevorderde dwangsom een maximum van € 30.000,-- wordt verbonden; en

4. [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.250,74 per maand, althans een evenredig deel daarvan, vanaf 1 mei 2010 totdat het voertuig met kenteken [kenteken] bij [eiseres] zal zijn ingeleverd, dan wel totdat de onder punt 3 genoemde voorwaarde wordt vervuld; en

5. [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een bedrag van

€ 131,00 aan nakosten aan [eiseres], vermeerderd met een bedrag van € 68,00 indien [eiseres] genoodzaakt is het vonnis te betekenen; en

6. [gedaagden] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van deze procedure, de kosten van het beslag daaronder begrepen.

2.2 Tegen de achtergrond van voormelde vaststaande feiten legt [eiseres] aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.

[gedaagde sub 1] en de heer [naam 1] zijn toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van hun verplichtingen op grond van de huurovereenkomst.

Zij hebben meerdere huurtermijnen onbetaald gelaten, ondanks de sommaties van [eiseres].

[eiseres] heeft [gedaagde sub 1] en de heer [naam 1] op 5 februari 2010 in gebreke gesteld. Dit heeft geen betaling tot gevolg gehad, zodat [gedaagde sub 1] en de heer [naam 1] in verzuim verkeerden. [eiseres] is vervolgens tot ontbinding van de overeenkomst overgegaan. Toen is haar bovendien gebleken dat [gedaagde sub 1] is ontbonden. [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] en de heer [naam 1] ook daarna meerdere malen om inlevering van het voertuig verzocht en betaling van haar vordering, maar beide bleven uit. Gelet op het faillissement van de heer [naam 1] en de ontbinding van [gedaagde sub 1] heeft [eiseres] zich gewend tot de curator van de heer [naam 1] en de vereffenaar van [gedaagde sub 1].

De ontbinding door de Kamer van Koophandel wegens gebrek aan baten staat de dagvaarding van [gedaagde sub 1] niet in de weg. Immers ook na 9 september 2009 heeft [gedaagde sub 1] de facturen van [eiseres] voldaan. Bovendien moet er van worden uitgegaan dat [gedaagde sub 1], althans diens bestuurder/vereffenaar [gedaagde sub 2], nog immer het verhuurde voertuig exploiteert als voorheen, nu het voertuig van [eiseres] niet is ingeleverd. Gelet op artikel 2:19 lid 5 BW dient er dan ook vanuit worden te gaan dat [gedaagde sub 1] blijft voortbestaan, voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is en dat zij aldus in rechte kan worden betrokken.

[gedaagde sub 2] heeft verzuimd om aan haar verplichtingen ex artikel 2:23 BW als vereffenaar van het vermogen van [gedaagde sub 1] te voldoen, ondanks de herhaalde sommaties van de zijde van [eiseres]. Allereerst had [gedaagde sub 2] als vereffenaar van het vermogen van [gedaagde sub 1] het voertuig direct dienen in te leveren na ontbinding van de overeenkomst en de sommaties daartoe van [eiseres].

Nu [gedaagde sub 2] heeft verzuimd aan deze verplichtingen te voldoen, heeft [eiseres] schade geleden en lijdt [eiseres] nog immer schade, waarvoor [gedaagde sub 2] persoonlijk aansprakelijk is.

Voorts heeft [gedaagde sub 2] geweigerd om rekening en verantwoording af te leggen aan [eiseres], waardoor [eiseres] eveneens schade lijdt. [gedaagde sub 2] is op grond van artikel 2:23a BW lid 4 gehouden het faillissement aan te vragen, indien de schulden van [gedaagde sub 1] de baten overtreffen.

[eiseres] houdt [gedaagde sub 2] dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de tekortkomingen van [gedaagde sub 1], nu zij niet alleen is tekortgeschoten in haar verplichtingen als bestuurder van [gedaagde sub 1], maar tevens in haar verplichtingen als vereffenaar.

Voorts handelt [gedaagde sub 2] tevens onrechtmatig door het voertuig van [eiseres] onder zich te houden, althans te verduisteren, nu de overeenkomst op rechtmatige wijze is ontbonden door [eiseres]. [gedaagde sub 2] schendt daarmee het eigendomsrecht van [eiseres].

De schade van [eiseres] wordt vooralsnog begroot op de niet voldane maandelijkse termijnen vóór ontbinding overeenkomst, inclusief de boete van voortijdige beëindiging en de schade als gevolg van het niet inleveren van het voertuig na datum ontbinding, welke door [eiseres] ingevolge artikel 17 van haar algemene voorwaarden, dan wel artikel 7:225 BW, in ieder geval wordt begroot op basis van de maandelijkse leaseprijs van het voertuig.

2.3 [gedaagden] voeren gemotiveerd verweer.

2.4 In reconventie vorderen [gedaagden] de conservatoire beslagen op te heffen.

2.5 [gedaagden] leggen aan hun vordering het volgende ten grondslag.

De ten laste van hen gelegde conservatoire beslagen zijn onrechtmatig.

De door [eiseres] aan de betreffende vorderingen ten grondslag gelegde rechtsgronden, te weten een verbintenis tot betaling voortvloeiend uit een huurovereenkomst c.q een verplichting tot afgifte na ontbinding van de huurovereenkomst, bestaan niet. Het stellen van zekerheid middels conservatoire beslag is dus niet aan de orde.

2.6 Tegen deze reconventionele vordering voert [eiseres] gemotiveerd verweer.

3. De beoordeling

In conventie en in reconventie

3.1 Anders dan [gedaagden] stellen, blijkt uit het door [eiseres] als productie 5 bij dagvaarding overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel van 6 mei 2010 niet dat [gedaagde sub 1] gedurende haar bestaan altijd een besloten vennootschap in oprichting is geweest, zodat het juridisch gezien volgens [gedaagden] een eenmanszaak betrof van de heer [naam 1]. Volgens dat uittreksel is [gedaagde sub 1] immers bij akte van 6 januari 2009 opgericht. De Kamer van Koophandel heeft op 26 mei 2009 het voornemen tot ontbinding van [gedaagde sub 1] medegedeeld en op 9 september 2009 heeft de Kamer van Koophandel [gedaagde sub 1] ontbonden. Op laatst vermelde datum is tevens geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon, [gedaagde sub 1], is opgehouden te bestaan, omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn.

[gedaagde sub 2] is blijkens datzelfde uittreksel sinds 26 juni 2007 enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 1], terwijl de akte van laatste statutenwijziging van [gedaagde sub 1] van 31 juli 2007 dateert. De door [gedaagden] in dit verband geponeerde stelling dat de heer [naam 1] oprichter/bestuurder van [gedaagde sub 1] was dient derhalve te worden verworpen.

3.2 [gedaagden] voeren verder aan dat zij c.q. de heer [naam 1] het onderhavige voertuig op 7 augustus 2007 hebben/heeft gekocht van [autobedrijf] (hierna te noemen: [autobedrijf]). Het voertuig is ook feitelijk door [autobedrijf] aan haar geleverd, waardoor de eigendom daarvan op haar is overgegaan.

[gedaagde sub 1] c.q. de heer [naam 1] waren/was daarmee -naar zij stellen- volledig beschikkingsbevoegd ten aanzien van het voertuig. De koopsom van het voertuig van € 36.238,86 was op het moment van levering nog niet aan [autobedrijf] voldaan.

De heer [naam 1] heeft vervolgens het kenteken van het onderhavige voertuig aangevraagd en verkregen, nadat het voertuig in zijn bedrijf was omgebouwd tot kleine paardentransportwagen en nadat die wagen was goedgekeurd door de RDW. [gedaagden] stellen ten slotte dat de heer [naam 1] het voertuig (ruim vóór zijn faillissement) in eigendom heeft overgedragen aan [Leasebedrijf C B.V.], die op haar beurt een leaseovereenkomst heeft gesloten met [gedaagde sub 1], waardoor [gedaagde sub 1] het voertuig feitelijk onder zich heeft.

[eiseres] was volgens [gedaagden] geen rechthebbende van het betreffende voertuig en kon dus ook niet optreden als verhuurder daarvan. De heer [naam 1] heeft ook nooit de bedoeling gehad om een voertuig dat al zijn eigendom was te gaan huren van [eiseres].

Wat is bestempeld als een huurovereenkomst was in werkelijkheid de betaling van de koopsom in maandelijkse termijnen aan een derde ([eiseres]) zulks ten behoeve van de verkoper [autobedrijf], aldus [gedaagden]

[gedaagden] stellen zich dan ook op het standpunt dat zij in werkelijkheid helemaal geen financiële verplichting hebben jegens [eiseres], aangezien er in werkelijkheid helemaal geen onderliggende overeenkomst bestaat waaruit zo een financiële verplichting zou kunnen voortvloeien. In werkelijkheid is er volgens [gedaagden] alleen een betalingsverplichting van de heer [naam 1] naar [autobedrijf].

3.3 [eiseres] erkent op zichzelf dat het onderhavige voertuig door [autobedrijf] aan [gedaagde sub 1] is verkocht, doch naar [eiseres] aanvoert is het voertuig conform de van toepassing verklaarde BOVAG voorwaarden en met name artikel 12, onder eigendomsvoorbehoud geleverd. [autobedrijf] heeft terzake de koopovereenkomst een factuur opgesteld op 22 november 2007. [gedaagde sub 1] ofwel de heer [naam 1] kon deze koopovereenkomst eind 2007 echter niet nakomen. De factuur van [autobedrijf] kon hij niet betalen. Eigendomsoverdracht aan de heer [naam 1] heeft derhalve nimmer plaatsgevonden, ook al hield hij het voertuig onder zich om hier werkzaamheden aan te verrichten.

Dit laatste wordt volgens [eiseres] bevestigd door het feit dat er op 20 december 2007 een bespreking tussen [autobedrijf] en [gedaagde sub 1] en [naam 1] plaatsvond.

Tijdens deze bespreking werd -naar [eiseres] verder stelt- onder meer overeengekomen dat het onderhavige voertuig met meldcode [nummers] juridisch eigendom blijft van [autobedrijf]. [gedaagde sub 1] en [naam 1] hebben deze afspraken bevestigd door het door [autobedrijf] opgestelde document te ondertekenen.

Op 27 december 2007 heeft [autobedrijf] de factuur terzake de levering van het voertuig met de meldcode [nummers] dan ook gecrediteerd.

[autobedrijf] heeft na 20 december 2007 de juridische eigendom van het voertuig overgedragen aan [eiseres] die op haar beurt op 15 februari 2008 een huurovereenkomst sloot met [gedaagde sub 1] en [naam 1].

3.4 [eiseres] heeft als productie 20 een door [autobedrijf] enerzijds en [gedaagde sub 1] en de heer [naam 1] anderzijds op 20 december 2007 ondertekend document getiteld “afspraken leveringen 2008” in het geding gebracht, waarin -voor zover hier van belang- het volgende vermeld staat vermeld:

“(…) voor de reeds gestalde auto’s met meldcodes: [nummers] (…) geldt dat de consignatieperiode reeds is ingegaan op 1 december 2007 en eindigt op 1 maart 2008.

In alle bovenvermelde situaties blijft het voertuig eigendom van [autobedrijf] en kan [autobedrijf] te allen tijde het voertuig opeisen. (…)”.

Hiermee staat volgens [eiseres] vast dat [gedaagde sub 1] ofwel de heer [naam 1] nimmer de juridische eigendom van het desbetreffende voertuig heeft verkregen en dat deze bij [autobedrijf] is gebleven.

[gedaagden] bestrijden weliswaar de juistheid van die conclusie van [eiseres], doch de enkele omstandigheid dat [gedaagde sub 1] c.q. de heer [naam 1] al eigenaar was van het betreffende voertuig -zoals [gedaagden] menen- brengt op zichzelf nog niet mee dat [autobedrijf] enerzijds en [gedaagde sub 1] en de heer [naam 1] anderzijds alsnog -mede gelet op het feit dat de verschuldigde koopprijs ter zake van dit voertuig niet aan [eiseres] was voldaan- tijdens een bespreking konden overeenkomen dat de juridische eigendom van het betreffende voertuig bij [autobedrijf] “blijft”.

Dat de tekst van de overeenkomst, daar waar in de overeenkomst verder staat vermeld dat het gaat om afspraken over toekomstige leveringen in 2008 door [autobedrijf] aan [gedaagde sub 1], ook op andere bedoelingen van partijen lijkt te duiden, gelijk [gedaagden] verder stellen, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat de door [eiseres] gestelde overeenkomst voor wat betreft de juridische eigendom van het onderhavige voertuig niet is gemaakt, aangezien niet alleen deze tekst van de overeenkomst beslissend is voor de door [gedaagde sub 1] gestelde bedoelingen van partijen.

3.5 Op grond van het vorenstaande dient te worden aangenomen dat er tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] een reële huurovereenkomst tot stand is gekomen, die, nu ten processe vaststaat dat [gedaagden] meerdere huurtermijnen niet voldaan hebben, terecht door [eiseres] buitengerechtelijk is ontbonden. Waar [gedaagde sub 2] verder de stellingen van [eiseres] betreffende haar bestuurdersaansprakelijkheid c.q. vereffenaarsaansprakelijkheid niet heeft weersproken, is [gedaagde sub 2] naast [gedaagde sub 1] hoofdelijk aansprakelijk voor de door [eiseres] gestelde schade.

De vorderingen van [eiseres] in conventie zullen dan ook, met uitzondering van de tevens gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de nakosten, worden toegewezen, nu die verder niet (cijfermatig) zijn betwist. De vordering in reconventie zal worden afgewezen.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, nu [eiseres] niet onderbouwd heeft doen blijken dat sprake is van verrichtingen, anders dan die ter instructie van de zaak. De gevorderde nakosten kunnen in de onderhavige procedure niet worden vastgesteld, aangezien de kantonrechter daartoe over onvoldoende gegevens beschikt. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot € 500,-- per dag.

3.6 [gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie.

Beslissing

De kantonrechter;

In conventie

1. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 13.870,95, vermeerderd met de contractuele rente vanaf 7 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één presteert de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot afgifte aan [eiseres] van het aan haar in eigendom toebehorende voertuig met kenteken [kenteken], binnen één dag na het betekenen van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,-- per dag aan haar, per dag of dagdeel dat [gedaagden] in gebreke blijven aan deze verplichting te voldoen;

3. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, voor zover [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in gebreke blijven het voertuig binnen 21 dagen na betekening van dit vonnis af te geven aan [eiseres], tot betaling aan [eiseres] van vervangende schadevergoeding ad € 32.546,68, zijnde de dagwaarde van het aan [eiseres] in eigendom toebehorende voertuig met kenteken [kenteken], waarbij aan de onder punt 2 gevorderde dwangsom een maximum van € 30.000,-- wordt verbonden;

4. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.250,74 per maand, althans een evenredig deel daarvan, vanaf 1 mei 2010 totdat het voertuig met kenteken [kenteken] bij [eiseres] zal zijn ingeleverd, dan wel totdat de onder punt 3 genoemde voorwaarde wordt vervuld;

veroordeelt [gedaagden] in de kosten van de procedure tot deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op:

€ 74,69 voor explootkosten,

€ 1.130,-- voor griffierecht,

€ 900,-- voor salaris gemachtigde.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt [gedaagden] in de kosten van de procedure tot deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 300,-- voor salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.C. Haasnoot, kantonrechter te Apeldoorn, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juni 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.