Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BR6985

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
10/715 GEMWT
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW5957, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit waarbij is gelast de permanente bewoning van een recreatiewoning te Epe te beëindigen. Bestreden besluit is vernietigd, omdat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Verweerder heeft het besluit alsnog voorzien van een aanvullende motivering. De rechtbank is van oordeel dat permanente bewoning in strijd is met het bestemmingsplan. De gemeente heeft echter in redelijkheid ontheffing van het bestemmingsplan kunnen weigeren. Geen bijzondere omstandigheden aanwezig om van handhaving af te zien. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft echter bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 10/715 GEMWT

Uitspraak in het geding tussen:

[eisers],

te Epe,

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2009 heeft verweerder eisers onder oplegging van een dwangsom gelast de permanente bewoning van de recreatiewoning aan de [adres] te Epe (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 15 maart 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 juli 2011, waar eisers zijn verschenen, bijgestaan door H.J. Buitenkamp. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Verberk-Jansen en J. Bovendorp, beiden werkzaam bij de gemeente Epe.

2. Overwegingen

2.1. Zoals ter zitting is bevestigd heeft verweerder met zijn brief van 7 juli 2011, waarin de motivering van het bestreden besluit is aangevuld, te kennen gegeven dat die motivering ten onrechte niet bij de bekendmaking van dat besluit was vermeld. Het bestreden besluit is derhalve - zoals ook door eisers geacht moet worden te zijn betoogd - in strijd met artikel 7:12 van de Awb en zal daarom worden vernietigd. Ten aanzien van de vraag of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zal worden besloten tot instandlating van de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit, overweegt de rechtbank het volgende.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan “Wissel 1984” rust op het perceel de bestemming “verblijfsrecreatie”.

Ingevolge artikel 2.11., eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover thans van belang, is de op de plankaart voor “verblijfsrecreatie” aangewezen grond bestemd voor recreatief (nacht)verblijf, van personen, die elders hun hoofdverblijf hebben, met de daarbij behorende gebouwen, te weten: logiesverblijven, stacaravans en mobiele kampeermiddelen met de daarbij behorende gebouwen en andere bouwwerken.

Ingevolge artikel 3.1., eerste lid, van deze voorschriften is het verboden gronden of opstallen te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, in strijd met de in het bestemmingsplan aan de grond gegeven bestemming.

Ingevolge artikel 2.11., derde lid, van deze voorschriften, voor zover thans van belang, is permanente bewoning van de in lid 1 bedoelde gebouwen te weten logiesverblijven, stacaravans en mobiele kampeermiddelen niet toegestaan.

2.3. Vaststaat dat eisers de recreatiewoning op het perceel sinds 15 maart 2002 permanent bewonen. Daarmee handelen eisers in strijd met het bestemmingsplan, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of legalisering tot de mogelijkheden behoort. Hiertoe wordt het navolgende overwogen.

2.6. Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dit luidde ten tijde hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen ontheffing verlenen van het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) komt voor de toepassing van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro in aanmerking een wijziging van het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning mits:

1e. de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande

woning gestelde eisen;

2e. bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden, en

3e. de aanvrager vóór, maar in elk geval op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont.

2.8. Aan de Nota van Toelichting bij het Bro (Stb. 2008, 145, p. 41-42) wordt het navolgende ontleend:

“In de huidige lijst van artikel 20 van het Bro 1985 is ook het geval aangegeven van een wijziging in het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning. Ook die regeling wordt voortgezet in het onderhavige besluit (onderdeel j). Wel is het artikellid geschrapt volgens welk vrijstelling moet worden geweigerd indien de gemeente op 31 oktober 2003 daadwerkelijk haar handhavingsbeleid uitvoerde. […] Hoofdlijn is de bestaande bevoegdheid van B&W om al dan niet ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan, voor het geval van een wijziging in het gebruik van een recreatiewoning voor bewoning, mits voldaan wordt aan de genoemde drie voorwaarden, waaronder de bewoning op 31 oktober 2003. Daarbij hanteert onderdeel j het volgende uitgangspunt. Een gemeente die aan een bewoner van vóór 31 oktober 2003 een ontheffing weigert, terwijl zij zelf niet binnen redelijke termijn ná aanvang van die onrechtmatige bewoning aantoonbaar uitvoering heeft gegeven aan haar handhavingsbeleid kan formeel nog wel een ontheffing weigeren, maar zij zal dat extra goed moeten motiveren, zeker indien het gaat om langdurig en de facto gedoogde onrechtmatige situaties.”

2.9. Verweerder heeft zijn beleid ten aanzien van (de handhaving van) de permanente bewoning van recreatiewoningen vastgesteld en neergelegd in zijn besluiten van 10 juni 1980 en 9 december 1980, en op behoorlijke wijze bekend gemaakt op 4 maart 1981, waaraan ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in haar uitspraak van 7 oktober 2009 (www.rechtspraak.nl; LJN: BJ9524) heeft gerefereerd. Nadien heeft de gemeenteraad - op 16 december 2004 en, nogmaals, op 30 oktober 2007 - expliciet besloten om het verbod op permanente bewoning van recreatiewoonverblijven onverminderd door te zetten. Uit evenvermelde uitspraak van de ABRvS volgt - hetgeen ter zitting is besproken - dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn beleid op 31 oktober 2003 daadwerkelijk uitvoerde, en dat daaraan niet afdoet dat de handhaving in de periode 4 maart 1981 - 31 oktober 2003 niet steeds met dezelfde intensiteit heeft plaatsgevonden. Ook de uitlatingen over het al dan niet handhaven van voormalig wethouder J.W. Lagerweij doen daaraan niet af. Voorts behoefde van verweerder, in aanmerking genomen onder meer de problematiek omtrent de prioriteitstelling en de gemeentelijke capaciteit bij de uitvoering van het handhavingsbeleid, alsmede de landelijke discussie over de aanvaardbaarheid van permanente bewoning van recreatiewoonverblijven en de weerslag daarvan in het overleg in de Tweede Kamer en in mogelijk toekomstige wetgeving, niet te worden verwacht dat hij uiteindelijk in 2009 zou afzien van handhaving. De omstandigheid dat verweerder eerst bij het primaire besluit van 23 november 2009 tot handhaving heeft besloten, ofschoon eisers blijkens de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie (GBA) hun recreatiewoning sinds 15 maart 2002 permanent bewonen, betekent dus niet dat verweerder daartoe niet meer mocht overgaan. Verder heeft verweerder geen concrete toezegging gedaan dat de illegale bewoning door eisers zou worden vergund, gedoogd of anderszins ongemoeid zou worden gelaten. Uit het zogenoemde “blauwe” (of “gele”) briefje dat hen bij de inschrijving in de GBA is overhandigd, kan geen in rechte te honoreren verwachting worden ontleend, hoe verwarrend het briefje ook moge zijn.

2.10. Het vorenstaande, bezien in het licht van hetgeen verder uit de stukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen, leidt tot het oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden heeft geconcludeerd dat concreet zicht op legalisering - door ontheffingverlening - niet aanwezig is en dat ook overigens geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om van handhaving af te zien. Hetgeen eisers naar voren hebben gebracht, treft derhalve in zoverre geen doel.

De slotsom is dat het bestreden besluit weliswaar zal worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen daarvan in stand zullen worden gelaten.

2.11. Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken, terzake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 874;

bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 150 aan eisers vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Groverman. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 september 2011.