Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BR6984

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
10/831 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit waarbij is gelast de permanente bewoning van een recreatiewoning te Epe te beëindigen. Bestreden besluit is vernietigd, omdat het besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Na tussenuitspraak heeft verweerder het besluit alsnog voorzien van een nadere motivering. De rechtbank is van oordeel dat permanente bewoning in strijd is met het bestemmingsplan. De gemeente heeft echter in redelijkheid ontheffing van het bestemmingsplan kunnen weigeren. Het beroep is gegrond verklaard en het bestreden besluit is vernietigd. De rechtbank heeft echter bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Zie uitspraak LJN BQ5978 voor tussenuitspraak in deze zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: 10/831 GEMWT

Uitspraak in het geding tussen:

[eiseres]

te Epe,

eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Epe

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2009 heeft verweerder eiseres, onder aanzegging van een dwangsom, gelast de permanente bewoning van de recreatiewoning aan de [adres] (hierna: het perceel) te Epe te beëindigen en beëindigd te houden. Tevens heeft verweerder het verzoek om een persoonsgebonden gedoogbeschikking afgewezen.

Bij besluit van 1 april 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 12 mei 2011, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. L.E.A. Gelderman, juridisch adviseur. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Verberk-Jansen en J. van der Sluis.

Bij tussenuitspraak van 25 mei 2011 heeft de rechtbank toepassing gegeven aan artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verweerder in de gelegenheid gesteld het in die tussenuitspraak omschreven gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een ander besluit te nemen met in achtneming van hetgeen in die tussenuitspraak is overwogen.

Bij brief van 9 juni 2011 heeft verweerder het bestreden besluit van een nadere motivering voorzien.

Bij brief van 8 augustus 2011 heeft eiseres een zienswijze naar voren gebracht.

De rechtbank heeft bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1 Onder verwijzing naar hetgeen in de tussenuitspraak van 25 mei 2011 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een deugdelijke motivering ontbeert.

Het bestreden besluit komt dan ook op grond van artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld heeft verweerder het bestreden besluit bij brief van 9 juni 2011 van een nadere motivering voorzien. Gelet hierop zal de rechtbank bezien of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

2.2 De beslissing om al dan niet ontheffing van het bestemmingsplan op grond van artikel 3.23 van de Wet ruimtelijke ordening in samenhang met artikel 4.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening te verlenen behoort tot de bevoegdheden van verweerder, waarbij verweerder beleidsvrijheid heeft. De rechter dient een dergelijk besluit terughoudend te toetsen. Dat wil zeggen dat de rechter zich zal moeten beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit om geen ontheffing te verlenen heeft kunnen komen.

2.3 Aan de weigering om eiseres een ontheffing te verlenen om de recreatiewoning op het perceel permanent te mogen bewonen, heeft verweerder thans het volgende ten grondslag gelegd.

Verweerder voert het beleid om geen permanente bewoning van recreatiewoningen toe te staan. Dit beleid heeft hij vanaf 1981 naar buiten toe gecommuniceerd en is sinds dat jaar ook in bestemmingsplannen opgenomen. Dit beleid is ook daadwerkelijk gehandhaafd, waartoe verweerder verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 oktober 2009 (LJN: BJ9524). Verlening van ontheffing zou in strijd zijn met dit beleid. In dit verband heeft verweerder nog aangegeven dat door prioriteitsstelling, de handhavingscapaciteit en de landelijke ontwikkeling rond permanente bewoning minder is ingezet op handhaving van permanente bewoning, maar dit neemt niet weg dat hij daadwerkelijk handhavend heeft opgetreden, aldus verweerder

Voorts wijst verweerder erop dat er in het verleden in meerdere situaties lasten zijn opgelegd die ertoe hebben geleid dat de permanente bewoning is beëindigd. Verder is verweerder van mening dat, indien in dit geval ontheffing zou worden verleend, dit een precedent zal scheppen in toekomstige handhavingssituaties, hetgeen hij ongewenst acht. Bovendien acht verweerder het niet juist dat mensen die bewust het risico hebben genomen in strijd met het beleid te handelen, worden beloond.

Tot slot heeft verweerder gewezen op het belang van het borgen van voldoende verblijfsrecreatief aanbod en het borgen en ontwikkelen van de kwaliteit en de leefbaarheid van het landelijk gebied. Hierbij heeft verweerder aangegeven, dat de gemeente Epe een recreatieve gemeente is met een gevarieerd aanbod van verblijfsrecreatie. Door bewoning van recreatiewoningen wordt het aanbod voor de recreant minder en ook brengt de permanente bewoning van recreatiewoningen verstening van het buitengebied met zich, aldus verweerder.

2.4 De rechtbank is van oordeel dat, gegeven de aan verweerder toekomende beleidsvrijheid, verweerder op de thans naar voren gebrachte gronden in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde ontheffing niet te verlenen. Verder heeft verweerder, gelet op

bovenstaande onderbouwing, voldaan aan in de tussenuitspraak beschreven extra motiveringsplicht.

Uit het vorenstaande volgt dat legalisatie niet tot de mogelijkheden behoort.

2.5 Eiseres heeft aangevoerd dat haar leeftijd en gezondheidstoestand voor verweerder aanleiding had moeten zijn om van handhaving af te zien dan wel om haar een langere begunstigingstermijn te verlenen.

De rechtbank is van oordeel dat de door eiseres naar voren gebrachte omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn in verband waarmee verweerder in dit geval van handhavend optreden moest afzien. Ook voor het oordeel dat verweerder eiseres een langere begunstigingstermijn had moeten worden gegeven, is geen aanleiding. Verweerder heeft in overeenstemming met zijn beleid eiseres een termijn van twee jaar gegund om aan de last te voldoen. Niet geoordeeld kan worden dat de termijn niet voldoende is om de nodige maatregelen te nemen, in dit geval het vinden van andere huisvesting.

2.6 De rechtbank concludeert dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

2.7 Er is aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten van eiseres. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van rechtsbijstand 2,5 punten toegekend (beroep 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, nadere reactie 0,5 punt), waarbij een wegingsfactor 1 wordt toegekend.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1092,50 ter

zake van verleende rechtsbijstand;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 150,-- aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 september 2011.