Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BR6980

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
06-940014-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte C voor heling van een telefoon afkomstig van een overval op een woning in Wezep en oplichting van klanten die gebruik wilden maken van een escortdame, tot een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 224 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Verder zal verdachte zich gedurende de proeftijd moeten gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering. Zie uitspraken LJN BR6976 en BR6978 voor verdachten A en B.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940014-11

Uitspraak d.d.: 07 september 2011

Tegenspraak op grond van 279 Sv/Na aanhouding verschenen

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte C],

geboren te [plaats, 1987],

wonende te [adres].

raadsman: mr. Van den Biezenbos, advocaat te Eindhoven.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van de onderzoeken op de terechtzittingen van 22 april 2011 en 24 augustus 2011.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 22 april 2010 is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 oktober 2010, te Wezep, gemeente Oldebroek, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (geheel of gedeeltelijk) in een

woning,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een laptop en/of een mobiele telefoon en/of een geldbedrag (van ongeveer 500

euro) en/of een portemonnee, met daarin een identiteitsbewijs en/of een

rijbewijs en/of één of meer bankpas(sen) en/of een verzekeringspas, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de heer [slachtoffer A], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer A], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s)

aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat

hij, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

-heeft/hebben aangebeld bij de woning van voornoemde [slachtoffer A], en/of toen

voornoemde [slachtoffer A] de deur had geopend een pistool, althans een (op een)

vuurwapen (gelijkend voorwerp), op (ooghoogte van) voornoemde [slachtoffer A]

heeft/hebben gericht en/of (daarbij) een vinger om de trekker gehouden,

waarbij een klikkend geluid werd gemaakt, en/of

-(vervolgens) toen voornoemde [slachtoffer A] een pistool, althans een (op een)

vuurwapen (gelijkend voorwerp) trachtte af te pakken, binnen is/zijn gedrongen

in voornoemde woning en/of de voordeur heeft/hebben gesloten en/of [slachtoffer A]

heeft/hebben vastgegrepen (bij de arm) en/of

- meermalen, althans éénmaal [slachtoffer A] (met kracht) tegen en/of op het hoofd

heeft/hebben geslagen en/of gestompt, en/of

-(vervolgens) [slachtoffer A] met de kolf van voornoemd pistool, althans een (op een)

vuurwapen (gelijkend voorwerp) meermalen, althans éénmaal (met kracht) tegen

en/of op het hoofd en/of in het gezicht heeft/hebben geslagen en/of gestompt

en/of

-voornoemde portemonnee uit de achterzak van de broek van voornoemde [slachtoffer A]

heeft/hebben gepakt, terwijl voornoemde [slachtoffer A] in elkaar gezakt was;

art 312 lid 2 ahf/ond 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/ond 2 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op of omstreeks 30 oktober 2010 te Wezep, gemeente Oldebroek, tezamen en

in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd (geheel of gedeeltelijk) in een

woning,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld de heer [slachtoffer A] heeft gedwongen

tot de afgifte van een laptop en/of een mobiele telefoon en/of een geldbedrag

(van ongeveer 500 euro) en/of een portemonnee, met daarin een

identiteitsbewijs en/of een rijbewijs en/of één of meer bankpas(sen) en/of een

verzekeringspas, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan voornoemde [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met

geweld hierin bestond(en) dat

hij, en/of zijn, verdachtes, mededader(s)

-heeft/hebben aangebeld bij de woning van voornoemde [slachtoffer A], en/of toen

voornoemde [slachtoffer A] de deur had geopend een pistool, althans een (op een)

vuurwapen (gelijkend voorwerp), op (ooghoogte van) voornoemde [slachtoffer A]

heeft/hebben gericht en/of (daarbij) een vinger om de trekker gehouden,

waarbij een klikkend geluid werd gemaakt, en/of

-(vervolgens) toen voornoemde [slachtoffer A] een pistool, althans een (op een)

vuurwapen (gelijkend voorwerp) trachtte af te pakken, binnen is/zijn gedrongen

in voornoemde woning en/of de voordeur heeft/hebben gesloten en/of [slachtoffer A]

heeft/hebben vastgegrepen (bij de arm) en/of

-meermalen, althans éénmaal [slachtoffer A] (met kracht) tegen en/of op het hoofd

heeft/hebben geslagen en/of gestompt, en/of

-(vervolgens) [slachtoffer A] met de kolf van voornoemd pistool, althans een (op een)

vuurwapen (gelijkend voorwerp) meermalen, althans éénmaal (met kracht) tegen

en/of op het hoofd en/of in het gezicht heeft/hebben geslagen en/of gestompt

en/of

-voornoemde portemonnee uit de achterzak van de broek van voornoemde [slachtoffer A]

heeft/hebben gepakt, terwijl voornoemde [slachtoffer A] in elkaar gezakt was;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

althans dat,

hij op één of meer tijstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 oktober 201 0

tot en met 11 januari 2011 te Wezep, gemeente Oldebroek, en/of te Deurne en/of te Mierlo en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een laptop en/of een mobiele telefoon en/of een geldbedrag van ongeveer € 500,- (althans enig geldbedrag) enlof een portemonnee (met daarin een identiteitsbewijs en/of een rijbewijs en/of één of meer bankpas(sen) en/of een verzekeringspas), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat/die goed(eren) en/of dat geldbedrag wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door

misdrijf verkregen goed(eren) en/of geldbedrag betrof;

art 417bis lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht"

2.

hij op of omstreeks 07 november 2010, te Amsterdam, en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het

aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of

meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

de heer [slachtoffer C] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van

350 euro, in elk geval van enig goed, hebbende/zijnde verdachte en/of zijn

mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk

en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

-de afspraak gemaakt met voornoemde [slachtoffer C] dat verdachte's mededader, een

paar uur seks zou hebben met voornoemde [slachtoffer C] in zijn woning en dat

voornoemde [slachtoffer C] verdachte's mededader, daarvoor 350 euro zou betalen,

en/of

-naar de woning van [slachtoffer C] gereden en/of

-voornoemde [slachtoffer C] (in zijn woning) gevraagd om het geld (350 euro) te

geven,

waardoor voornoemde [slachtoffer C] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 07 november 2010, te Amsterdam en/of elders in Nederland

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk

om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

een geldbedrag van 350 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan de heer [slachtoffer C], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door misdrijf,

te weten door afgifte, onder zich had(den), wederrechtelijk zich toe te

eigenen,

(met zijn mededader(s)) naar de woning van [slachtoffer C] is gereden nadat

verdachte en/of zijn mededader(s) de afspraak met [slachtoffer C] had gemaakt dat

verdachtes mededader een paar uur seks zou hebben met [slachtoffer C] in zijn

woning en dat [slachtoffer C] haar, verdachtes mededader, daarvoor 350 euro zou

betalen, terwijl (vervolgens) door verdachtes mededader aan [slachtoffer C] (in

zijn woning) is gevraagd om het geld (350 euro) te geven, en/of waarna verdachtes mededader vervolgens haar jas heeft gepakt en (daarmee) naar het toilet is gegaan en/of (in het toilet) hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) heeft gebeld en/of een sms-bericht heeft gestuurd (met de tekst "hij trapt er niet in het wel zat poen"),

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 04 november 2010 tot

en met 06 november 2010, te Gorinchem en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het

aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of

meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de heer

[slachtoffer D] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 190 euro, in

elk geval van enig goed,

hebbende/zijnde verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in

strijd met de waarheid

-de afspraak gemaakt met voornoemde [slachtoffer D] dat verdachtes mededader, twee uur,

althans een paar uur, seks zou hebben met voornoemde [slachtoffer D] in zijn woning en

dat voornoemde [slachtoffer D] haar, verdachtes mededader, daarvoor 190 euro zou

betalen, en/of

-naar de woning van [slachtoffer D] gereden en/of

-voornoemde [slachtoffer D] voorgehouden dat hij direct 190 euro moest

betalen/afgeven,

waardoor voornoemde [slachtoffer D] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op de morgen van 30 oktober 2010 krijgt de politie de melding dat [slachtoffer A] de afgelopen nacht in zijn woning te Wezep met geweld is overvallen door twee mannen met een (vuur)wapen. Bij deze overval worden geld, een laptop en een GSM weggenomen.

Aangever [slachtoffer A] verklaart na behandeling in het ziekenhuis op een later tijdstip die dag dat hij via een sekssite in contact was gekomen met "Zorana". Hij had met haar de afspraak gemaakt dat zij voor een bedrag van € 500,= de hele nacht zou langskomen. Zij zou omstreeks 02.00 uur op 30 oktober 2010 langskomen.

Uit het onderzoek dat volgt, blijkt dat verdachte die dag "Zorana"(medeverdachte [verdachte B]) tegen een kleine vergoeding naar de woning van aangever [slachtoffer A] in Wezep heeft gereden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair, 2 primair en 3 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

Ten aanzien van feit 1 dient een veroordeling te volgen voor artikel 312 Wetboek van Strafrecht voor de portemonnee, de laptop en het geld en met betrekking tot de telefoon dient een veroordeling te volgen voor artikel 317 Wetboek van Strafrecht.

Met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde is de officier van justitie van mening dat er sprake is van een voltooide oplichting omdat aangever in eerste instantie als gevolg van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen van medeverdachte [verdachte B], het geld heeft afgegeven en pas later het geld terug weet te krijgen. Hij maakt hierbij de vergelijking met een winkeldiefstal, waarbij het delict ook als voltooid wordt geacht als een verdachte vóór de kassa wordt aangehouden.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman van verdachte is van mening dat verdachte geen opzet heeft gehad op een overval, geen uitvoeringshandelingen heeft verricht en er ook geen bewijs is voor een nauwe samenwerking. Verdachte heeft slechts tegen een geringe vergoeding als chauffeur gefungeerd en de auto gefaciliteerd. Verdachte is niet in de woning geweest en er is dus geen sprake van medeplegen. Deze stelling wordt niet tegengesproken door andere bewijsmiddelen en ondersteund door de beeldopnamen, waar verdachte niet op te zien is. Uit het dossier zou zijn af te leiden dat als vermoedelijke daders zijn aan te merken een kleine en een getinte man. Verdachte voldoet niet aan deze omschrijvingen.

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de onder 1 subsidiair tenlastegelegde heling van de GSM.

Ten aanzien van feit 2 primair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de oplichting van [slachtoffer C] niet voltooid is nu [verdachte B] het geld kort na afgifte weer aan hem heeft teruggegeven en zich nog in de woning bevond.

Voorts refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de onder 3 tenlastegelegde oplichting.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1 primair

Uit het dossier komt naar voren dat de gebruikelijke werkwijze van medeverdachte [verdachte B] gericht was op het oplichten van klanten die van haar gebruik wilden maken als escort. Voorts dat verdachte hiervan op de hoogte was en er ook een rol bij speelde. Alhoewel verdachte heeft verklaard te weten dat er geld moest worden gehaald en er sprake is van een overval door twee mannen heeft ten aanzien van feit 1 primair de rechtbank echter uit het dossier niet kunnen afleiden dat het opzet van verdachte gericht was op diefstal met geweld en/of afpersing.

Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom niet wettig en overtuigend bewezen worden, dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan. De verdachte behoort hiervan te worden vrijgesproken

Feit 1 subsidiair

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

De rechtbank baseert zich hierbij op de aangifte van [slachtoffer A]2 en de bekennende verklaring van [verdachte C]3 bij de politie en ter terechtzitting, dat hij de GSM voor €75,00 heeft doorverkocht, alsmede op de verklaring van Netten4.

Feit 2 primair

Ten aanzien van feit 2 primair heeft de raadsman gesteld dat hier sprake is van een poging tot oplichting en dat het delict niet voltooid is omdat medeverdachte [verdachte B] het geld in de woning kort na ontvangst weer teruggegeven heeft.

De rechtbank deelt deze visie niet. Aangever [slachtoffer C] heeft het afgesproken bedrag van € 350,00 voor de beloofde escortdiensten aan [verdachte B] afgegeven. Uit de aangifte blijkt verder dat als hij ziet dat zij hierna haar jas pakt en naar de WC loopt, hij onraad ruikt en de deur op slot doet zodat zij niet weg kan lopen. Toen zij ook nog haar tas uit de auto wilde halen, vroeg hij zijn geld terug. [verdachte B] haalt het geld uit de binnenzak van haar jas en geeft het terug aan [slachtoffer C]. Nadat hij de deur geopend heeft, verlaat zij de woning.

De rechtbank is van oordeel dat uit de modus operandi van medeverdachte [verdachte B] blijkt, dat zij haar klanten onder valse voorwendselen vooraf laat betalen en niet van plan is de beloofde diensten te leveren. Dat zij er in dit geval zelf voor kiest het geld terug te geven om de woning te kunnen verlaten staat aan de voltooiing van het delict niet in de weg.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank baseert zich hierbij op de aangifte van [slachtoffer C]5 en de verklaring van [verdachte C]6 bij de politie en ter terechtzitting van heden, dat hij op 7 november 2010 tegen een vergoeding [verdachte B] in zijn auto naar Amsterdam heeft gereden. Verdachte wist hoe ze te werk ging. Ze deed zich voor als sletje, geld pakken en er tussenuit naaien. Toen [verdachte B] terugkwam uit de woning zei ze: "Kut, niet gelukt".

Feit 3

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank baseert zich hierbij op de aangifte van [slachtoffer D]7 en de verklaring van [verdachte C] bij de politie8 dat hij naar Gorinchem is gereden en dat [verdachte B] terug kwam lopen met poen in haar handen. Hij was ook op de hoogte van haar werkwijze, zoals hiervoor reeds is overwogen.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1 subsidiair:

hij in de periode van 30 oktober 2010 tot en met 11 januari 2011 te Wezep, gemeente Oldebroek, en/of te Deurne en/of te Mierlo en/of elders in Nederland, een mobiele telefoon heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2 primair:

hij op 07 november 2010, te Amsterdam,

tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, de heer [slachtoffer C] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 350 euro, hebbende/zijnde verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

-de afspraak gemaakt met voornoemde [slachtoffer C] dat verdachte's mededader, een

paar uur seks zou hebben met voornoemde [slachtoffer C] in zijn woning en dat

voornoemde [slachtoffer C] verdachte's mededader, daarvoor 350 euro zou betalen, en

-naar de woning van [slachtoffer C] gereden en

-voornoemde [slachtoffer C] in zijn woning gevraagd om het geld (350 euro) te

geven, waardoor voornoemde [slachtoffer C] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

3.

hij in de periode van 04 november 2010 tot en met 06 november 2010, te Gorinchem,

tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, de heer [slachtoffer D] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 190 euro, hebbende/zijnde verdachte en zijn mededaders met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

-de afspraak gemaakt met voornoemde [slachtoffer D] dat verdachtes mededader, twee uur,

althans een paar uur, seks zou hebben met voornoemde [slachtoffer D] in zijn woning en

dat voornoemde [slachtoffer D] haar, verdachtes mededader, daarvoor 190 euro zou

betalen, en

-naar de woning van [slachtoffer D] gereden en

-voornoemde [slachtoffer D] voorgehouden dat hij direct 190 euro moest betalen/afgeven,

waardoor voornoemde [slachtoffer D] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

Feit 1 subsidiair:

Opzetheling;

Feit 2 primair en feit 3, telkens:

Medeplegen van oplichting

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van het voorarrest.

De raadsman sluit zich aan bij het advies zoals weergegeven in het reclasseringsrapport van 21 maart 2011 en verzoekt de rechtbank dit advies te volgen. Verdachte is op de goede weg en heeft werk. Door het opleggen van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf met voorwaarden, kan het ingezette hulptraject worden voortgezet.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting het volgende in het bijzonder in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan heling van een GSM. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van oplichting van een "kwetsbare groep" mannen die gebruikt wilden maken van een escortdame. Verdachten gingen er hierbij kennelijk van uit dat bedoelde mannen hiervan geen aangifte durfden te doen.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit is gebleken dat hij eerder is veroordeeld terzake diefstal in vereniging.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 21 maart 2011 en het voortgangsverslag van 15 augustus 2011, waaruit blijkt dat het goed gaat met verdachte. Hij woont nog bij zijn vader en is bezig met een begeleide woonvorm. Hij heeft werk en uitzicht op een vast contract. Hij heeft betalingsregelingen getroffen voor zijn schulden en houdt zich aan afspraken.

De rechtbank acht gelet op vorenstaande een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf als na te noemen op zijn plaats, waarbij de bijzondere voorwaarden ertoe dienen het ingezette hulpverleningstraject voort te zetten.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer A], [adres], heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 2.000,00 aan immateriële schade, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde. Tevens is verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en wordt de wettelijke rente gevorderd vanaf de datum van het schadeveroorzakend feit.

Nu verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde wordt vrijgesproken zal de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 361, lid 2, sub a, van het Wetboek van Strafvordering, de benadeelde partij [slachtoffer A] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57, 326, 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Feit 1 subsidiair: Opzetheling;

Feit 2 primair: Medeplegen van oplichting

Feit 3: Medeplegen van oplichting

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 (tweehonderdzeventig) dagen;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 224 (tweehonderdvierentwintig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt. Daartoe moet de veroordeelde zich binnen 3 dagen volgend op de vonnisdatum melden bij de reclassering van het Leger des Heils, Dr. Cuijperslaan 80 te Eindhoven;

- de veroordeelde moet deelnemen aan de volgende gedragsinterventies: Cognitieve vaardigheidstraining (CoVa) en Leefstijltraining (kort);

- veroordeelde zal op verzoek van de reclassering ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* verklaart de benadeelde partij [slachtoffer A] niet-ontvankelijk in zijn vordering met veroordeling van deze benadeelde partij in de proceskosten door verdachte gemaakt tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

* heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis;

Aldus gewezen door mr. Prisse, voorzitter, mr. Van der Hooft en mr. Knoop, rechters, in tegenwoordigheid van De Badts, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 07 september 2011.

Eindnoten

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0610 2010160057, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, team recherche West Veluwe, gesloten en ondertekend op 14 februari 2011.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 372-381

3 Proces-verbaal, p. 260

4 Proces-verbaal, p. 292

5 Proces-verbaal van aangifte, p. 697-701

6 Proces-verbaal, p. 728

7 Proces-verbaal van aangifte, p. 738-741

8 Proces-verbaal, p. 766