Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BR6723

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-09-2011
Datum publicatie
05-09-2011
Zaaknummer
06/925031-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Economische politierechter acht sloopwerkzaamheden i.v.m. asbestbesmetting in Harderwijk in november 2010 niet bewezen; ten aanzien van de/het resterende feit(en) kan worden volstaan met het opleggen van geldboetes. Zie ook uitspraken LJN BR6730 en BR6735.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

economische politierechter

parketnummer 06/925031-11

datum uitspraak: 5 september 2011

tegenspraak/dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte A],

geboren te [plaats op 1962],

wonende te [plaats, adres].

Raadsman: mr. B.J.H.L. Brouwer, advocaat te Apeldoorn.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 augustus 2011.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de maand november 2010,

in de gemeente Harderwijk, als werkgever in de zin van artikel 1 van de

Arbeidsomstandighedenwet, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, handelingen heeft/hebben verricht en/of nagelaten in strijd

met voormelde wet en/of de daarop berustende bepalingen, immers heeft/hebben

verdachte en/of verdachtes mededader(s) toen daar in een pand gelegen aan de

[adres 2], zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1,

derde lid onder g van de Arbeidsomstandighedenwet, door een of meer van

verdachtes werknemer(s) in de zin van artikel 1 van de

Arbeidsomstandighedenwet, te weten [slachtoffer A] en/of [slachtoffer B] en/of

een of meer (andere) personen, arbeid doen verrichten, bestaande uit het

verrichten van sloopwerkzaamheden, terwijl niet was/werd voldaan aan

- artikel 4.1b lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers heeft/hebben

verdachte en/of verdachtes mededader(s) niet gezorgd voor een doeltreffende

bescherming van de gezondheid en veiligheid van de hiervoor

bedoelde werknemer(s) die werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke

stoffen (te weten asbest en/of asbesthoudende producten) en/of

- artikel 4.48a lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers

heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) in het hiervoor genoemde

gebouw of delen daarvan niet het aanwezige asbest dan wel de aanwezige

asbesthoudende producten verwijderd voordat werd aangevangen met andere

werkzaamheden, te weten de verbouwingwerkzaamheden en/of

- artikel 4.54d lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers

heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) asbest en/of

asbesthoudende producten gesloopt, terwijl verdachte en/of verdachtes

mededader(s) niet in het bezit was/waren van een certificaat

asbestverwijdering en/of

- artikel 4.20 lid 2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers

heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) aan genoemde

werknemer(s) die werd(en) of kon(den) worden blootgesteld aan mutagene of

kankerverwekkende stoffen of stoffen die vrijkomen bij kankerverwekkende

processen, te weten het slopen van asbest of asbesthoudende producten, geen

doeltreffende werkkleding ter beschikking gesteld

terwijl daardoor, naar hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of

redelijkerwijs moesten weten, levensgevaar of ernstige schade aan de

gezondheid van die werknemer(s), althans levensgevaar of ernstige schade aan de

gezondheid van een of meer van die werknemers, ontstond of te verwachten was;

art 32 lid 1 Arbeidsomstandighedenwet

2.

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de maand november 2010,

in de gemeente Harderwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, al dan niet opzettelijk, het geheel of gedeeltelijk afbreken

of uit elkaar nemen van een bouwwerk of een object, te weten een pand gelegen

aan de [adres 2], waarin asbest of een asbesthoudend product

was verwerkt, terwijl de concentratie van asbeststof was ingedeeld in

risicoklasse 2 of 3 als bedoeld in artikel 4.48 onderscheidenlijk artikel 4.53

van het Arbeidsomstandighedenbesluit, niet heeft laten verrichten door een

bedrijf dat in het bezit was van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d,

eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

art 6 lid 1 ahf/sub a Asbestverwijderingsbesluit 2005

3.

verdachte op een of meer tijdstippen in de periode van 30 november 2010,

omstreeks 11.00 uur, tot en met 10 december 2010, in de gemeente Harderwijk,

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, niet heeft

voldaan aan de verplichting zich te gedragen overeenkomstig een door de

daartoe aangewezen toezichthouder, te weten [verbalisant A], inspecteur

Arbeidsinspectie, op 30 november 2010, omstreeks 11.00 uur, mondeling gegeven

- en nadien schriftelijk bevestigd - bevel, inhoudende dat geen bouw- of

andere werkzaamheden mochten worden verricht op de verdiepingen en aan het dak

van het pand [adres 2],

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) toen aldaar

- de vloer van de eerste verdieping (aan-)geveegd en/of het verzamelde stof in

een (specie-)kuip gedaan en/of

- op de eerste etage bouwmaterialen verplaatst en/of

- gereedschappen verplaatst en/of weggenomen;

art 28 lid 6 Arbeidsomstandighedenwet.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

A. Vaststaande feiten/aanleiding tot het onderzoek

Op 30 november 2010 heeft een inspecteur van de Arbeidsinspectie, [verbalisant A], een controle uitgevoerd op het adres [adres 2 in plaats], waar [restaurant] is gevestigd en waar een verbouwing plaatsvond voor het realiseren van hotelkamers op de eerste en tweede verdieping. Tijdens de controle rees het vermoeden dat asbesthoudend materiaal op een ondeskundige manier en in afwijking van de daarvoor geldende regels, was verwijderd. De Arbeidsinspectie heeft het milieuteam ingeschakeld voor verder onderzoek.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, op basis van onder meer de bevindingen van de Arbeidsinspectie, het onderzoek aan de in het laboratorium onderzochte monsters, de op 26 augustus 2010 door Grondvitaal uitgevoerde asbestinventarisatie, het asbestinventarisatierapport van AK Blom Asbest van 5 januari 2011, het relaas van verbalisant [verbalisant A] over de mondelinge stillegging op 30 november 2010 en de schriftelijke bevestiging van 2 december 2010, de schriftelijke overeenkomst inzake de verkoop van [adres 3], de verklaringen van onder andere de getuige [slachtoffer A], de getuige [slachtoffer B], de medeverdachte [medeverdachte D]. en de verklaring die de verdachte heeft afgelegd. De officier van justitie heeft aangevoerd dat het een feit van algemene bekendheid is dat aan asbest gezondheidsrisico's kleven en dat bij het werken met asbesthoudend materiaal vezels kunnen vrijkomen die gevaar voor de gezondheid van personen kunnen opleveren.

C. Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat voor feit 1 vrijspraak moet volgen omdat het sloopwerk door de heer [verdachte A] zelf is gedaan en daarbij geen personeelsleden zijn ingeschakeld. Uit de verklaringen van [slachtoffer A] en [slachtoffer B] komt naar voren dat zij (alleen) hebben meegeholpen met het opruimen van de eerste verdieping en dat zij niet hebben meegeholpen met het slopen zelf. Bovendien waren de eternietplaten toen zij meehielpen nog niet verwijderd.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat de heer [verdachte A] beter had moeten weten en dat de situatie zich zeer waarschijnlijk niet zou hebben voorgedaan als hij de sloopvergunning en het asbestinventarisatierapport van Grondvitaal had gelezen.

De raadsman heeft namens de verdachte (in verband met het onder 3 tenlastegelegde) betwist dat de Arbeidsinspectie (al) op 30 november 2010 om 11.00 uur mondeling het werk had stilgelegd.

D. Beoordeling door de economische politierechter

Het onder 1 ten laste gelegde feit.

In het dossier is geen bewijs voorhanden dat werknemers van [medeverdachte C restaurant BV] asbesthoudend materiaal hebben gesloopt of dat zij, terwijl in het pand asbesthoudend materiaal werd of (zojuist) was verwijderd, op (het gedeelte van) de eerste of tweede verdieping van [adres 2] (waar het hier om gaat) werkzaamheden hebben uitgevoerd. Uit de verklaringen van de getuige [slachtoffer A] en [slachtoffer B], werknemers van [medeverdachte C restaurant BV] die de verdachte hebben geholpen, komt alleen naar voren dat zij begin/medio november 2010 de eerste verdieping hebben opgeruimd en dat die werkzaamheden bestonden uit het wegvoeren van (niet asbesthoudende) balken afkomstig uit tussenwanden op de eerste verdieping, het opruimen van laminaat en planken en het aanvegen en opruimen van afval en het storten van dat afval in een bouwcontainer. De verdachte heeft verklaard dat in de derde week van november 2010 de eternietplaten door hemzelf zijn verwijderd. [medeverdachte D] heeft verklaard dat de verdachte in de laatste week van november 2010, of in het weekend daarvoor, de dakpannen en de eternietplaten verwijderd heeft.

De conclusie luidt dat de verdachte van feit 1 dient te worden vrijgesproken.

De onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten

De verdachte heeft verklaard2 dat hij is gaan slopen zonder zich op de hoogte te hebben gesteld van de verplichtingen voor het werken met asbest(houdend materiaal), dat hij niet heeft geweten dat asbesthoudend (plaat)materiaal aanwezig was en dat hij zich daarom niet heeft verdiept in de regels die voor het verwijderen daarvan gelden. Het asbestinventarisatierapport van Grondvitaal heeft hij meteen na ontvangst, zonder het in te zien, aan het gemeentebestuur overgelegd en de sloopvergunning heeft hij evenmin ingezien. Ter zitting heeft de verdachte bevestigd3 zo te hebben gehandeld. Na het vertrek van verbalisant [verbalisant A] is er alleen wat rommel, zoals kabels en afgezaagde stukken, opgeruimd.

Inspecteur van de Arbeidsinspectie [verbalisant A] heeft verklaard4 dat hij op 30 november 2010 op de locatie [adres 2] aanwezig was. Op de eerste verdieping van het pand was een man werkzaam die zich voorstelde als [slachtoffer D]. Hij was werkzaam voor de medeverdachte [medeverdachte B bouwbedrijf uit plaats]. Op de tweede verdieping sprak [verbalisant A] met vertegenwoordigers van dat bouwbedrijf. Na het verlaten van de zolderverdieping zag [verbalisant A] dat bouwmaterialen verspreid lagen over de eerste verdieping van het pand waaronder diverse stukken hechtgebonden cementplaat, die hij herkende als mogelijk asbesthoudend materiaal dat in de bouw werd gebruikt. De verbalisant zag bij nadere inspectie dat op meerdere plaatsen zulke stukken lagen en dat de breukranden een vezelachtige structuur vertoonden. [verbalisant A] heeft op grond van de lichte kleur geconcludeerd dat de breukranden recent waren ontstaan. Hij vermoedde dat de brokstukken tijdens de verbouwing daar terecht waren gekomen. In het plafond waren tussen de oude balkenlaag verscheidene nieuwe balken aangebracht onder de vloer van de zolderverdieping. Tussen een deel van de oude balken en de houten delen van de zoldervloer, zaten dunne stukken plaatmateriaal, die soortgelijk oogden als de stukken die op de vloer waren aangetroffen. Ook dit materiaal vertoonde ruwe breukranden. Langs de binnenmuur stonden ongeveer tien afgesloten kunststofzakken. Diverse van die zakken vertoonden gaten waardoor scherpe delen naar buiten staken. Dit materiaal kwam wat uiterlijk en samenstelling betreft overeen met de losse stukken die de verbalisant verspreid over de verdiepingsvloer had zien liggen. Op grond van zijn waarnemingen vermoedde de verbalisant dat asbesthoudend materiaal op een ondeskundige manier was verwijderd en dat niet eerst al dat materiaal was verwijderd voordat met andere werkzaamheden was aangevangen. Er was geen werkwijze gevolgd waarbij de emissie van asbesthoudend stof zo laag mogelijk was gehouden of waarbij de afvalstoffen waren ingepakt en waren afgevoerd in een luchtdichte en afgesloten verpakking. De verbalisant kreeg inzage in de sloopvergunning (van 21 oktober 2010) en een asbestinventarisatierapport van 26 augustus 2010. De verbalisant ontleende aan dat rapport dat bij inventarisatie en analyse was vastgesteld dat in het dakoppervlak van perceel [adres 1] circa 251,5 m2 asbesthoudend plaatmateriaal was aangebracht en dat dat materiaal bestond uit hechtgebonden cement en 2-5% chrysotiel. Het verwijderen daarvan was ingedeeld in risicoklasse 2 en diende door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf te worden gedaan. De verbalisant heeft aangegeven dat hij aan de verdachte heeft gevraagd welk bedrijf het asbesthoudende materiaal had verwijderd en dat de verdachte verklaarde het dakbeschot zelf, in het weekeinde en in de avonduren, verwijderd te hebben. Op basis van zijn waarnemingen en de hem door de verdachte verstrekte informatie vermoedde de verbalisant dat er sprake was van een situatie waarin werknemers tijdens de bouw waren of konden worden blootgesteld aan het risico van het inademen van asbeststof. De verbalisant heeft verklaard dat hij de verdachte en de heer [medeverdachte D] omstreeks 11.00 uur mondeling heeft bevolen de werkzaamheden stil te leggen. Deze stillegging is schriftelijk aan de verdachte en aan [medeverdachte B bouwbedrijf] bevestigd. De verbalisant heeft aangegeven dat hij mondeling aan de verdachte en [medeverdachte D]. heeft toegelicht dat, in afwachting van de uitkomst van de laboratoriumanalyse van de door hem genomen monsters, op de verdiepingen of aan het dak van het pand geen bouw- of andere werkzaamheden mochten worden verricht en dat direct na het bekend worden van de analyse hij kenbaar zou maken of de stillegging van kracht bleef. Op 30 november 2010 omstreeks 13.45 uur is aan de verbalisant door de laborant telefonisch meegedeeld dat het monster Ml 10-15% chrysotiel bevatte. De verbalisant heeft verklaard dat hij de heer [medeverdachte D] daarvan direct op de hoogte heeft gebracht en dat hij hem heeft meegedeeld dat de werkzaamheden (dus nog) niet mochten worden hervat.

Grondvitaal heeft een asbestinventarisatie uitgevoerd en daarvan in een rapport5 verslag gedaan. In dat rapport is de concentratie asbeststof ingedeeld in risicoklasse 2. In een aanvullende asbestinventarisatie6 door PJ Milieu zijn de werkzaamheden eveneens in die risicoklasse ingedeeld.

[medeverdachte D]. heeft verklaard7 dat de verdachte de eternietplaten (zelf) heeft verwijderd. Verder heeft hij verklaard dat in de tijd tussen het vertrek van de verbalisant en de laboratoriumuitslag Kok en [slachtoffer D], die door het bouwbedrijf waren ingehuurd, gereedschappen hebben opgeruimd en steigermateriaal hebben afgevoerd. De verdachte heeft de boel aangeveegd en losse bouwmaterialen opgeruimd.

De economische politierechter is van oordeel dat het onder 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Zowel de verdachte als [medeverdachte D]. heeft aangevoerd dat op 30 november 2010 om (circa) 11:00 uur nog geen (onvoorwaardelijke) mondelinge stillegging was bevolen, omdat nog ter discussie stond of het aangetroffen materiaal daadwerkelijk asbesthoudend was. Volgens hen zou er pas sprake zijn geweest van een definitieve stillegging toen het onderzoek uitwees dat het inderdaad om asbest(houdend materiaal) ging.

De economische politierechter is van oordeel dat niet hoeft te worden getwijfeld aan de juistheid van het relaas van de verbalisant [verbalisant A], die op ambtseed heeft verklaard dat hij op 30 november 2010 om circa 11:00 uur een stillegging heeft bevolen en dat als het laboratoriumonderzoek daartoe aanleiding gaf de stillegging zou worden opgeheven. Dat de bouwwerkzaamheden na het vertrek van de inspecteur zijn gestaakt en dat de werkzaamheden daarna werden beperkt tot het opruimen en het weghalen van spullen en materiaal, wijst in de richting dat om 11:00 uur een onvoorwaardelijke stillegging was bevolen. De door de verdachte en [medeverdachte D]. aan de inspecteur van de Arbeidsinspectie toegedichte handelwijze past bovendien minder goed bij diens bevindingen op grond waarvan hij had geconcludeerd dat voortzetting van het werk en verder verblijf in het bewuste gedeelte van het pand ernstig gevaar voor personen opleverde.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de economische politierechter is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de economische politierechter is op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

2.

de verdachte in de maand november 2010 in de gemeente Harderwijk tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen van een bouwwerk of een object, te weten een pand gelegen aan de [adres 2], waarin asbest of een asbesthoudend product was verwerkt, terwijl de concentratie van asbeststof was ingedeeld in risicoklasse 2 als bedoeld in artikel 4.48 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, niet heeft laten verrichten door een bedrijf dat in het bezit was van een certificaat als bedoeld in artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

3.

de verdachte in de periode van 30 november 2010, omstreeks 11.00 uur, tot en met 10 december 2010 in de gemeente Harderwijk tezamen en in vereniging met anderen niet heeft voldaan aan de verplichting zich te gedragen overeenkomstig een door de daartoe aangewezen toezichthouder, [verbalisant A], inspecteur Arbeidsinspectie, op 30 november 2010, omstreeks 11.00 uur, mondeling gegeven, en nadien schriftelijk bevestigd, bevel, inhoudende dat geen bouw- of andere werkzaamheden mochten worden verricht op de verdiepingen en aan het dak van het pand [adres 2], immers hebben de verdachte en verdachtes mededaders toen aldaar: de vloer van de eerste verdieping (aan-)geveegd, op de eerste etage bouwmaterialen verplaatst en gereedschappen verplaatst en/of weggenomen.

Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde

Verklaart niet bewezen wat de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

2. medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 7b van de Woningwet, opzettelijk begaan;

3. medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 28 van de Arbeidsomstandighedenwet, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 80 uren. De officier van justitie heeft in zijn eis betrokken de ernst van de feiten, de richtlijn van het openbaar ministerie, alsmede de omstandigheid dat de verdachte geen strafblad heeft. De eis is conform de geldende richtlijn, op grond waarvan geen rekening wordt gehouden met eventuele kosten die alsnog door een verdachte in verband met een (extra) asbestinventarisatie of -sanering zijn gemaakt. Vanwege de door de verdachte daarvoor gemaakte kosten is wel afgezien van het instellen van een ontnemingsvordering.

De raadsman heeft aangevoerd dat de Arbeidsinspectie de zaak veel te zwaar heeft aangezet. De verdachte is verantwoordelijk in privé en als bestuurder van de vennootschap, maar dan wel binnen de grenzen van het redelijke. Het handelen was niet gericht op het behalen van een financieel voordeel en aangezien recidive valt uit te sluiten kan in het geval van een bewezenverklaring worden volstaan met een geheel of grotendeels voorwaardelijke geldboete.

Naar het oordeel van de economische politierechter heeft de verdachte miskend dat de aanwezigheid van asbestvezels gezondheidsrisico's met zich brengt voor de personen, die zich tijdens of kort na de sloopwerkzaamheden in het te verbouwen gedeelte van het pand bevonden, en dat zij op die manier aan de risico's van asbestbesmetting zijn blootgesteld. In het voordeel van de verdachte weegt de economische politierechter mee dat hij niet eerder voor dit soort feiten is veroordeeld. De economische politierechter komt tot een lagere straf dan is geëist: de oplegging van een geldboete van € 2.000,-, omdat het onder 1 tenlastegelegde niet bewezen is verklaard en omdat zowel de verdachte privé als de aan hem gelinkte vennootschap [medeverdachte C restaurant BV] is vervolgd. De economische politierechter acht deze straf in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van één en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 23, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 10 en 28 van de Arbeidsomstandighedenwet, artikel 7b van de Woningwet en artikel 6 Asbestverwijderingsbesluit, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing

De economische politierechter:

* verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

* verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen wat de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit als:

2. medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 7b van de Woningwet, opzettelijk begaan;

3. medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 28 van de Arbeidsomstandighedenwet, meermalen gepleegd;

* verklaart de verdachte strafbaar;

* veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Aldus gewezen door mr. Van Lookeren Campagne, economische politierechter, in tegenwoordigheid van Van Bun, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 september 2011.

Voetnoten:

1 Als hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, die als bijlagen zijn opgenomen bij het stamproces-verbaal met registratienummer 2010176963 van de regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, divisie executieve ondersteuning, regionaal milieuteam, gedateerd 30 maart 2011 en opgemaakt door [verbalisant B] en [verbalisant A], respectievelijk brigadier van politie en inspecteur van de Arbeidsinspectie/buitengewoon opsporingsambtenaar.

2 Doorgenummerde dossierpagina's 28-29.

3 Proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting van 22 augustus 2011.

4 Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina's 141-143.

5 Grondvitaal BV, Volledige asbestinventarisatie aan de [adres 1] te Harderwijk, projectnummer AS10154, doorgenummerde dossierpagina's 201-209.

6 PJ Milieu BV, Aanvullend asbestonderzoek (risicobeoordeling NEN 2991), kenmerk: 1052601K, doorgenummerde dossierpagina's 225-239, zie: pagina 233.

7 Verklaring van [medeverdachte D], doorgenummerde dossierpagina's 48-55, zie: pagina's 53-54.