Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BR5728

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
24-08-2011
Zaaknummer
06/940491-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft brand gesticht in zijn eigen woning. Hij wordt daarvoor veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 480 dagen, waarvan 223 dagen voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden gekoppeld, waaronder de voorwaarde dat veroordeelde zich klinisch zal laten behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940491-10

Uitspraak d.d.: 24 augustus 2011

Tegenspraak / dip, oip (2x)

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] (Turkije) op [1974],

wonende te [plaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring Grave (Unit A + B) te Grave.

Raadsvrouw: mr. B.A.T. Brouwer, advocaat te Harderwijk.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 10 augustus 2011.

De tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 10 augustus 2011 is gewijzigd, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 december 2010 te Nunspeet opzettelijk brand heeft gesticht in een door hemzelf bewoonde (boven)woning aan [adres],

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een aansteker een kaars en/of (met die kaars) een deken en/of een bank, althans één of meer brandbare voorwerp(en), aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een kaars en/of (met die kaars) een deken en/of een bank, althans met (een) brandbare stof(fen) en/of (vervolgens) die deken op die bank en/of op een tapijt heeft gegooid, althans die deken op een bank en/of op een tapijt terecht heeft laten komen,

ten gevolge waarvan die woning aan [adres] geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de aangrenzende kamer(s) van die woning en/of andere woningen aan [adres] en/of de zich in de aangrenzende kamer(s) en/of woning(en) bevindende goed(eren), in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of

terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] en/of de echtgenote van [slachtoffer] die zich in een woning aan de achterzijde aangrenzend aan de woning van hem, verdachte, aan [adres] bevonden, en/of één of meer andere(en) die zich in de nabijheid van de woning van hem, verdachte, bevonden, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

1. Op 16 december 2010 heeft een brand plaatsgevonden in de door verdachte bewoonde bovenwoning aan [adres] te Nunspeet.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

2. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Zij heeft daarbij - kort samengevat - aangevoerd dat verdachte, door niet te controleren of het vuur daadwerkelijk uit was, het risico heeft genomen dat in de woning van verdachte en de aangrenzende woningen brand zou kunnen ontstaan en dat hierdoor gevaar voor personen en goederen zou kunnen ontstaan. Volgens de officier van justitie is in het geval van verdachte sprake van opzet in voorwaardelijke vorm.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

3. Verdachte heeft erkend dat hij brand heeft gesticht, maar heeft naar voren gebracht dat het opzet op schade aan goederen en gevaar voor personen bij hem ontbrak. Hij was gelet op zijn geestelijke gesteldheid niet in staat de gevolgen van zijn handelen te overzien.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank gaat bij de beoordeling van de tenlastelegging uit van de volgende feiten en omstandigheden.

5. Op 16 december 2010 om 08.01 uur werd bij de regionale meldkamer gemeld dat er een woningbrand was op [adres te plaats]. Nadat de brandweer de brand had geblust, werd door de brandweer geconstateerd dat de vuurhaard in de bank is begonnen en dat de brand niet door een technische oorzaak zou kunnen zijn ontstaan.2

Uit het brandonderzoek is gebleken dat de brand is ontstaan op de tweezitsbank in de kamer van verdachte.3 Het pand was voorzien van twee verdiepingen. Op de begane grond ervan zijn een kapsalon en een opslagruimte aanwezig. Aan de achterzijde van het pand, onder hetzelfde dak, is de woning van de eigenaar gesitueerd. Deze woning was ten tijde van de brand in gebruik.4 Door de brand hebben de gehele woning en de bedrijfsruimte beneden roet- en waterschade opgelopen.

De brand heeft zich volgens het brandbeeld vanaf de bank verplaatst naar de bovengelegen schuine wand, welke was afgedekt met kunststof schroten. Doordat het brandalarm werd geactiveerd, kon vroegtijdig gehandeld worden en werden ernstige schade en gevaar voor personen voorkomen. Gedurende de inzet van de brandweer was gevaar te duchten voor personen doordat het pand betreden moest worden voor het bestrijden van het vuur. Voorts is de eigenaar van het pand volgens diens eigen verklaring naar binnengelopen in de veronderstelling dat de bewoner nog aanwezig had kunnen zijn in de woning.5

De dag na de brand heeft [slachtoffer] - eigenaar van de woning, twee winkelpanden en de drie kamers boven de winkelpanden aan [adres] te Nunspeet - aangifte gedaan.6 Hij heeft verklaard dat op 16 december 2010 rond 08.00 uur de rookmelder in zijn huis afging. Hij zag dat er brand was in de kamer van verdachte. Aangever [slachtoffer] is richting de kamer gelopen, maar kon vanwege de hitte en de rook niet dichter bij de kamer komen. Meerdere malen heeft hij verdachte geroepen, maar er kwam geen reactie. Aangever [slachtoffer] is toen naar buiten gelopen en heeft gewacht op de komst van de brandweer. Aangever [slachtoffer] heeft tot slot verklaard dat de twee andere kamers op dat moment niet verhuurd waren en dat daar derhalve niemand aanwezig was, maar dat in de beneden gelegen kapsalon die ochtend wel enige mensen aanwezig waren.7

Verdachte heeft bij de politie en ter zitting van 10 augustus 2011 verklaard dat het zijn bedoeling was om zelfmoord te plegen. Hij heeft verklaard dat hij op 16 december 2010 op de bank in zijn woning lag, half onder de dekens.8 Hij had een kaars op de tafel aangestoken met een aansteker. Daarna heeft hij de deken die over hem heen lag aangestoken. Toen de deken brandde, bedacht verdachte zich en heeft hij de deken van zich afgegooid.9 De deken kwam tegen de brandende kaars, die samen met de deken op de grond viel.10 Verdachte dacht dat het vuur uit was.11 Hij zag toen geen vlammen.12 Hij heeft vervolgens zijn huis verlaten en is naar Meerkanten in Harderwijk gegaan. Verdachte heeft erkend dat hij brand heeft gesticht in zijn woning.13 De door verdachte bij de politie afgelegde verklaring heeft hij ter zitting van 10 augustus 2011 bevestigd.

6. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard en is verder van oordeel dat bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de brandstichting. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij zichzelf van het leven wilde beroven door brand te stichten. Hij heeft daartoe een deken vlam laten vatten. Toen hij zich bedacht, heeft hij de deken van zich afgegooid. Daarbij is - volgens zijn eigen verklaring - een brandende kaars die op tafel stond, op de grond terechtgekomen. Verdachte heeft vervolgens zijn woning verlaten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door niet te controleren of de vlammen inderdaad gedoofd waren en door niet te controleren of er nog materiaal lag te smeulen, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er brand zou ontstaan.

Voor zover door de verdediging naar voren is gebracht dat bij verdachte het opzet op de schade aan goederen dan wel levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van personen ontbrak, overweegt de rechtbank dat het opzet bij verdachte niet gericht behoefde te zijn op het teweegbrengen van de gevolgen, maar slechts op het brandstichten. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op 16 december 2010 te Nunspeet opzettelijk brand heeft gesticht in een door hemzelf bewoonde (boven)woning aan [adres],

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk met een aansteker een kaars en een deken aangestoken en (vervolgens) die deken op die bank en/of op een tapijt heeft gegooid,

ten gevolge waarvan die woning aan [adres] gedeeltelijk is verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de aangrenzende kamers van die woning en andere woningen aan [adres] en de zich in de aangrenzende kamers en woningen bevindende goederen en

terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer] en de echtgenote van [slachtoffer] die zich in een woning aan de achterzijde aangrenzend aan de woning van hem, verdachte, aan [adres] bevonden, en één of meer andere(en) die zich in de nabijheid van de woning van hem, verdachte, bevonden,

te duchten was;

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Strafbaarheid van de verdachte

7. Naar de persoon van verdachte is psychiatrisch en psychologisch onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een psychiatrisch rapport van 18 maart 2011, opgemaakt door dr. L.H.W.M. Kaiser (psychiater) en een psychologisch rapport van

8 maart 2011, opgemaakt door drs. S. Labrijn (GZ-psycholoog).

Door psychiater Kaiser wordt geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een aanpassingsstoornis, met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. Verder is bij verdachte sprake van persoonlijkheidstrekken NAO met narcistische, borderline en antisociale trekken. Deze stoornis was ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde en de stoornis beïnvloedde de gedragskeuzes c.q. gedragingen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde zodanig dat het tenlastegelegde daaruit verklaard kan worden. Verdachte zag geen oplossing meer voor zijn problemen. Hij had voldoende inzicht in de wederrechtelijkheid van zijn handelen. Hij ontkent brandstichting als agressieve daad, maar beschouwt het als zelfmoordpoging. Door zijn aanpassingsstoornis en de persoonlijkheidstrekken NAO met narcistische, borderline en antisociale trekken kon hij zijn wil licht verminderd bepalen. Geconcludeerd wordt verdachte voor het tenlastegelegde licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Deze conclusie om verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen, wordt onderschreven door psycholoog Labrijn. Verder is in het psychologisch rapport nog vermeld dat verdachte zich niet opgewassen voelde tegen zijn problemen en dat zijn probleemoplossend vermogen te kort schoot. Hij kreeg in toenemende mate depressieve gevoelens, gevoelens van hulpeloosheid en suïcidale gedachten. Daarbij was sprake van egocentriciteit. Verdachte geeft aan dat het zijn intentie was om suïcide te plegen.

Met de conclusie van de deskundigen om verdachte voor het tenlastegelegde licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen, kan de rechtbank zich verenigen en zij neemt deze over.

8. Verdachte is strafbaar nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

9. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 480 (vierhonderdtachtig) dagen, waarvan 223 (tweehonderd-drieëntwintig) dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaar en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Voorts heeft zij gevorderd aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te koppelen dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen hem te geven door de reclassering, ook als dat inhoudt een ambulante behandeling, en dat verdachte zich klinisch zal laten opnemen in FPA Roosenburg te Den Dolder voor de duur van maximaal twee jaar. De officier van justitie heeft daarbij nog aangegeven dat de duur van de onvoorwaardelijk geëiste gevangenisstraf is afgestemd op de opnamedatum van verdachte in FPA Roosenburg, te weten 30 augustus 2011.

10. Door en namens verdachte is aangegeven dat hij zich kan vinden in de door de officier van justitie geëiste straf.

11. De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

12. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze voor een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte brand heeft gesticht in zijn woning, waardoor verdachte niet alleen zijn eigen leven in gevaar heeft gebracht, maar hij ook voor personen en goederen in zijn directe omgeving zeer ernstige risico's veroorzaakt heeft.

13. De rechtbank neemt tevens in aanmerking dat verdachte blijkens zijn justitiële documentatie niet eerder veroordeeld is voor een soortgelijk feit.

14. Voorts neemt de rechtbank ten aanzien van de persoon van verdachte de over hem opgemaakte rapporten in ogenschouw. In aanvulling op hetgeen reeds onder overweging 6 is opgenomen, te weten dat verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, neemt de rechtbank uit het rapport van eerdergenoemde Kaiser voorts nog het volgende in aanmerking. De kans op herhaling wordt als tamelijk hoog ingeschat als verdachte geen behandeling krijgt of als hij die niet afrondt. De kans op herhaling kan op termijn matig worden beschouwd als hij behandeld is en in de nazorg blijft. Psychiater Kaiser adviseert een klinische behandeling op een Forensisch Psychiatrische Afdeling. Om een dergelijke behandeling te verzekeren adviseert Kaiser om een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften van de reclassering en dat hij een klinisch en ambulant traject volgt binnen de forensische GGZ, bij voorkeur beginnend bij een FPA en vervolgens een ambulant vervolgtraject bij een forensische polikliniek.

Door eerdergenoemde Labrijn wordt het advies van psychiater Kaiser onderschreven, waarbij nog het volgende is opgemerkt. Verdachte ervaart een forse lijdensdruk en zijn probleemoplossend vermogen schiet te kort. Het spanningsniveau is hoog. De narcistische kenmerken kunnen leiden tot gevoelens van gekrenktheid en boosheid. Spanningen kunnen worden uitgeageerd, waarbij verdachte verminderd oog kan hebben voor de gevolgen daarvan voor anderen. De psycholoog acht een klinische start bij een FPA geïndiceerd met een ambulant vervolg. Hier kan gewerkt worden aan de depressieve stemmingsklachten, de (eventuele) verlieservaringen in heden en verleden, maar ook aan de problematische trekken van de persoonlijkheid.

15. Uit het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 11 juli 2011 neemt de rechtbank voorts nog in aanmerking dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. Verdachte toont weinig inzicht in zijn gedrag en lijkt ook tijdens eerdere behandelingen onvoldoende te hebben geleerd om uit een problematische situatie te komen en deze te voorkomen. De problemen die verdachte had tot het delictgedrag, spelen na detentie nog steeds en zijn mogelijk verergerd. Mogelijk is de herhaling op brandstichting minder, maar herhaling op delictgedrag in het algemeen is reëel. Bij verdachte is sprake van verschillende criminogene factoren die de kans op recidive kunnen verhogen, namelijk het ontbreken van stabiele huisvesting, het niet hebben van een dagbesteding, de relatie met zijn partner/familie, mogelijk alcoholgebruik, emotioneel welzijn, houding, gedrag, denkpatronen en vaardigheden. Het is van belang aan deze gebieden aandacht te besteden in het kader van gedragsverandering. Derhalve is een verplicht reclasseringscontact geïndiceerd, waarbij klinische behandeling in een FPA voor psychische problematiek noodzakelijk is om risico's te verminderen. Verdachte kan voor een opname terecht bij FPA Roosenburg te Den Dolder. Aansluitend op de opname bij FPA Roosenburg dient hij een ambulante behandeling te volgen bij een forensische GGZ-instelling. Door de reclassering wordt dan ook geadviseerd aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan gekoppeld een meldingsgebod, een klinische opname bij FPA Roosenburg te Den Dolder en aansluitend aan die opname een ambulante behandeling bij een nader te bepalen forensische GGZ instelling.

16. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden is en zal deze straf - waarin verdachte zich kan vinden - opleggen. De rechtbank acht het van belang dat verdachte zo spoedig mogelijk klinisch wordt opgenomen bij FRA Roosenburg te Den Dolder. Gelet op de door de officier van justitie ter zitting genoemde opnamedatum van 30 augustus 2011, heeft de rechtbank in navolging van de officier van justitie de duur van de onvoorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf afgestemd op deze datum. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur geïndiceerd teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden koppelen zoals door de officier van justitie geëist en zoals door de reclassering is geadviseerd. Verdachte heeft aangegeven bereid en gemotiveerd te zijn om hulp en begeleiding van de reclassering te aanvaarden en zich voor de behandeling in te zetten.

In beslag genomen voorwerpen

17. Onder verdachte is een viertal kledingstukken in beslag genomen.

18. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze in beslag genomen kledingstukken aan verdachte kunnen worden teruggegeven. Verdachte en zijn raadsvrouw hebben dit standpunt onderschreven.

19. Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de rechtbank de teruggave gelasten van de na te melden voorwerpen aan de veroordeelde, te weten: een jas, een spijkerbroek, een donkerbruine/beige trui en een zwarte pet met opschrift "Oakland Raiders".

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging/beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

en verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 480 (vierhonderd-tachtig) dagen;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 223 (tweehonderd-drieëntwintig) dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en

voorschriften die hem zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt. Veroordeelde dient zich daartoe binnen twee dagen volgend op het vonnis te melden bij de Reclassering Nederland, regio Utrecht, op het telefoonnummer: [nummer]. Hierna moet hij zich gedurende zijn proeftijd bij de reclassering blijven melden zo frequent als de reclassering dat nodig acht;

- veroordeelde zal zich klinisch laten behandelen door FPA Roosenburg voor de duur van maximaal twee (2) jaar of zoveel korter als de instelling in overleg met de reclassering nodig acht. Veroordeelde zal zich dan houden aan de regels en aanwijzingen die hem door of namens de leiding van deze instelling zullen worden gegeven;

- veroordeelde zal zich aansluitend aan de klinische opname in FPA Roosenburg ambulant laten behandelen bij een nader te bepalen forensische GGZ-instelling;

- veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden.

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten:

- een zwarte jas;

- een spijkerbroek;

- een donkerbruine/beige trui; en

- een zwarte pet met opschrift "Oakland Raiders";

* heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf.

Aldus gewezen door mrs. Heenk, voorzitter, Van Valderen en Knoop, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 augustus 2011.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL0612 2010182180-17, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Noordwest Veluwe, Team Harderwijk, gesloten en ondertekend op 13 januari 2011.

2 Proces-verbaal van bevindingen (p.20)

3 Proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing (p.34)

4 Proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing (p.35)

5 Proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing (p.36)

6 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (p.15)

7 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] (p.16)

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.23)

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.28)

10 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.29)

11 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.23)

12 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.29)

13 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.24)