Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BR5353

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
18-08-2011
Zaaknummer
06-850853-10 en 06-940380-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor een schietincident op het station in Harderwijk, diverse (pogingen tot) diefstallen en opzetheling. De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer-exces. Zij veroordeelt verdachte tot 15 maanden jeugddetentie en tevens wordt er een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/850853-10 en 06/940380-10

Uitspraak d.d.: 16 augustus 2011

tegenspraak / dip / oip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te Lelystad op 17 augustus 1992,

wonende te Lelystad

thans gedetineerd in PI Arnhem - De Berg, Arnhem.

Raadsman: mr. Özsüren, advocaat te Harderwijk.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 januari 2011, 1 maart 2011, 24 mei 2011 en 2 augustus 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

06/850853-10

1.

hij op of omstreeks 12 mei 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 1]) weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene dat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene dat van zijn/hun gading zou blijken te zijn onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, over de schutting is geklommen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(incident 1)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 01 april 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 2]) weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene dat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene dat van zijn/hun gading zou blijken te zijn onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen

met een schroevendraaier, in elk geval een soortgelijk voorwerp, een raam (aan de achterzijde) van die woning heeft geforceerd en/of geprobeerd te forceren en/of open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(incident 2)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 28 april 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 3]) weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene dat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer C], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval dat van hun gading zou blijken te zijn onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen het keukenraam van die woning heeft geforceerd en/ingeslagen en/of ingegooid en/of vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(incident 3)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 23 maart 2010 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 4]) heeft weggenomen een laptop (merk Acer) en/of twee fotocamera's (één van het merk Samsung en één van het merk Olympus) en/of een MP3-speler/Ipod en/of vijf spaarzegels en/of een autosleutel en/of een mobiele telefoon en/of

honderdtwintig euro, in elk geval een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(incident 4)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij in of omstreeks de periode van 27 april 2010 tot en met 28 april 2010 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 5]) heeft weggenomen één of meer fotocamera('s) en/of computer(s) en/of siera(a)d(en) en/of kledingstuk(ken) en/of horloge(s) en/of mobiele telefoon(s) en/of een televisie (merk Philips) en/of een DVD-writer (merk Philips) en/of een homecinemaset (merk JVC), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer E], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

(incident 5)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij in of omstreeks de periode van 27 april 2010 tot en met 28 april 2010 in de gemeente Lelystad, in elk geval in Nederland, één of meer fotocamera('s) en/of computer(s) en/of siera(a)d(en) en/of kledingstuk(ken) en/of horloge(s) en/of mobiele telefoon(s) en/of een televisie (merk Philips) en/of een DVD-writer (merk Philips) en/of een homecinemaset (merk JVC) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fotocamera('s) en/of computer(s)

en/of siera(a)d(en) en/of kledingstuk(ken) en/of horloge(s) en/of mobiele telefoon(s) en/of televisie (merk Philips) en/of DVD-writer (merk Philips) en/of homecinemaset (merk JVC) wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(incident 5)

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 29 april 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 6]) weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene dat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer F], in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene dat van zijn/hun gading zou blijken te zijn onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen een raam (aan de voorzijde) van die woning (met een ramentikker) heeft ingeslagen en/of ingegooid en/of vernield, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(incident 6)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

hij op of omstreeks 03 mei 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres 7] weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene dat van zijn/hun gading zou blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer G], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene dat van zijn/hun gading zou blijken te zijn onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, door middel van het wrikken/bewegen met een schroevendraaier en/of met een koevoet aan (de onderzijde van) een raamkozijn, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(parketnummer 850854-10)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

8.

hij op of omstreeks 20 april 2009 in de gemeente Lelystad opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer H]), (met kracht) een aansteker, in ieder geval een (dergelijk) hard voorwerp op/tegen het hoofd (van die [slachtoffer H]) heeft gegooid, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(parketnummer 850855-10)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

06/940380-10

1.

hij op of omstreeks 23 september 2010 te Harderwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, [slachtoffer I] en/of één of meerdere omstander(s), die zich in de (directe) nabijheid van die [slachtoffer I] bevonden van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, meermalen, althans éénmaal, met een vuurwapen, in de richting van voornoemde [slachtoffer I] en/of voornoemde omstander(s) heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op of omstreeks 23 september 2010 te Harderwijk tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [verdachte], en/of één of meerdere omstander(s), die zich in de (directe) nabijheid van die [slachtoffer I] bevonden, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans éénmaal, met een vuurwapen in de richting van voornoemde [verdachte] en/of voornoemde omstander(s) heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 23 september 2010 te Harderwijk en/of te Lelystad en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (te weten STI S&W kaliber 40), en/of meerdere, althans één, S&W.40 patronen (geschikt voor gebruik met voornoemd vuurwapen) en/of meerdere, althans één patronen van het kaliber 38, althans munitie, voorhanden heeft/hebben gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 47 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

06/850853-10

Feit 1

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op 12 mei 2010 kwam er een bericht bij de regionale meldkamer van de politie Flevoland binnen dat er een woninginbraak gaande was bij een woning in [adres 1 in plaats].

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze ten laste gelegde poging tot diefstal in vereniging wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op de verklaring van verdachte bij de politie, de aangifte van [slachtoffer A] en de verklaringen van getuigen [getuige A] en [getuige B].

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van dit ten laste gelegde feit. Hij heeft betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte heeft verklaard dat hij geen strafbaar feit heeft gepleegd, maar dat er sprake is van vrijwillige terugtred. Medeverdachte [medeverdachte A] is enkel over een schutting geklommen, maar heeft geen sloten geforceerd of een raam ingeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank baseert zich hierbij op de aangifte van [slachtoffer A]2, de verklaring van verdachte bij de politie3, de verklaring van getuige [getuige A]4 en de verklaring van getuige [getuige B]5.

[slachtoffer A] heeft aangifte gedaan van poging tot inbraak op 12 mei 2010 in haar woning aan [adres 1 te plaats]. Zij verklaart dat de bovenste planken van een schuttingdeel aan de steegkant los zitten, dit was niet zo en moet zijn gebeurd door de twee mannen die hebben getracht in te breken in haar woning.

Verdachte heeft verklaard dat hij met [medeverdachte A] bij een huis is geweest. [medeverdachte A] vroeg hem om op de uitkijk te gaan staan. [medeverdachte A] is ongeveer een minuutje over de schutting geweest. Toen kwam hij terug.

Getuige [getuige A] heeft verklaard dat ze heeft gezien dat een man heeft aangebeld bij de hoekwoning [adres 1]. Zij zag dat hij lang voor de deur bleef staan. Vervolgens heeft zij gezien dat er een tweede man aan kwam lopen, dat hij vlakbij de eerste man ging staan en dat ze samen zijn weggelopen naar de achterzijde van die woning via de steeg. Vervolgens heeft zij gezien dat een van de mannen over bossages is geklommen van de achtertuin van de woning. Volgens haar is daar een schutting. Kort daarop heeft zij gezien dat die man weer terug is geklommen.

Ook getuige [getuige B] heeft gezien dat er een persoon heeft aangebeld bij het adres [adres 1] en dat er een tweede persoon naast het huis van het perceel stond. Vervolgens heeft zij gezien dat de beide personen de steeg naast dit perceel in zijn gelopen. Zij is naar buiten gelopen en is in haar achtertuin gaan staan. Zij heeft gezien dat een persoon nog steeds naast het huis stond en na ongeveer een minuut heeft ze beide personen terug zien lopen.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van vrijwillige terugtred. Door aan te bellen bij de woning, naar de achterzijde van de woning te gaan en over de schutting te klimmen is er sprake van een voldoende begin van uitvoering. Niet is aannemelijk geworden dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van de wil van verdachte afhankelijk zijn. De medeverdachte is na korte tijd teruggeklommen over de schutting en vervolgens zijn beide verdachten weggelopen. Nergens is uit gebleken dat dit het gevolg was van de wil van verdachte. Dit verweer wordt dan ook door de rechtbank verworpen.

Ook komt de rechtbank tot de conclusie dat er sprake is van medeplegen. Voorafgaand aan het plegen van het strafbare feit heeft verdachte met zijn medeverdachte willens en wetens samengewerkt. Ze hebben samen een plan gemaakt om in te breken. Ze hebben aangebeld bij de woning om te kijken of er iemand thuis was. Ze zijn samen naar de achterzijde van de woning gelopen, de medeverdachte is over de schutting geklommen en verdachte heeft op de uitkijk gestaan en hij heeft zich op geen enkele manier gedistantieerd van wat zijn mededader deed. Verdachte en medeverdachte hebben op deze manier naar uiterlijke verschijningsvorm dusdanig nauw en bewust samengewerkt dat er sprake is van medeplegen.

Feit 2

Overwegingen ten aanzien van het bewijs6

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op 6 april 2010 werd aangifte gedaan bij de politie van een poging tot diefstal uit een woning aan [adres 2 in plaats] op 1 april 2010. De beveiligingscamera in de woning van aangeefster heeft beelden van deze poging tot diefstal opgenomen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze ten laste gelegde poging tot diefstal in vereniging wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte, de aangifte van [slachtoffer B] en de verklaring van getuige [getuige C].

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van dit feit te kunnen komen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de aangifte van [slachtoffer B]7, de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en de verklaring van getuige [getuige C]8 tot bewezenverklaring kan worden gekomen.

Feit 3

Overwegingen ten aanzien van het bewijs9

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op 3 mei 2010 werd aangifte bij de politie gedaan van poging tot diefstal uit een woning aan [adres 3 in plaats] op 28 april 2010.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze ten laste gelegde poging tot diefstal in vereniging wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op de aangifte van [slachtoffer C], de verklaring van getuige [getuige D] en het proces-verbaal bevindingen met betrekking tot de verklaringen van verdachte tijdens het rondrijden door de wijk met verdachte. Hierin verklaart verdachte precies hoe deze inbraak is geschied en wat er is gebeurd.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van dit ten laste gelegde feit. Hij heeft betoogd dat er onvoldoende wettig bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van dit ten laste gelegde feit komt de rechtbank tot een vrijspraak. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen. De verklaring die verdachte tijdens het rondrijden door de wijk met betrekking tot dit tenlastegelegde feit heeft gegeven, is onvoldoende overtuigend. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat de huizen in de wijk veel op elkaar lijken, waardoor er de mogelijkheid bestaat dat hij zich heeft vergist. Nu er voor het overige geen bewijs is dat verdachte dit feit heeft medegepleegd, moet er vrijspraak volgen.

Feit 4

Overwegingen ten aanzien van het bewijs10

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op 23 maart 2010 werd aangifte gedaan bij de politie van een inbraak uit een woning aan [adres 4 in plaats] op 23 maart 2010.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze ten laste gelegde diefstal in vereniging wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte, de aangifte van [slachtoffer D] en het proces-verbaal bevindingen met betrekking tot de verklaringen van verdachte tijdens het rondrijden door de wijk met verdachte.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van dit feit te kunnen komen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de aangifte van [slachtoffer D]11 en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting tot bewezenverklaring kan worden gekomen.

Feit 5

Overwegingen ten aanzien van het bewijs12

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op 28 april 2010 werd aangifte gedaan bij de politie van een inbraak uit een woning aan [adres 5 in plaats] tussen 27 april 2010 en 28 april 2010.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van de primair ten laste gelegde diefstal dient te worden vrijgesproken. Wel kan de subsidiair ten laste gelegde opzetheling wettig en overtuigend worden bewezen. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op het proces-verbaal bevindingen met betrekking tot de verklaringen van verdachte tijdens het rondrijden door de wijk met verdachte en de aangifte van [slachtoffer E].

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit. Hij heeft betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen. Het primaire feit kan niet bewezen worden omdat er nergens bewijs van betrokkenheid van verdachte bij deze diefstal in het dossier aanwezig is. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is alleen de verklaring van verdachte zoals afgelegd tijdens het rondrijden door de wijk gebruikt en dit is onvoldoende wettig bewijs.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het onder 5 primair ten laste gelegde feit komt de rechtbank eveneens tot een vrijspraak. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen, omdat nergens uit blijkt dat verdachte bij de daadwerkelijke wegneming van goederen uit de woning betrokken is geweest.

Wel komt de rechtbank tot bewezenverklaring van het onder 5 subsidiair ten laste gelegde feit. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de aangifte van [slachtoffer E]13 en het proces-verbaal bevindingen met betrekking tot de verklaringen van verdachte tijdens het rondrijden door de wijk met verdachte14 tot een bewezenverklaring kan worden gekomen.

[slachtoffer E] heeft aangifte gedaan van diefstal vanuit zijn wonin[adres 5]5 in plaats] tussen 27 april 2010 en 28 april 2010. Hierbij zijn onder andere gestolen een televisie (merk: Philips), een DVD-writer (merk: Philips), een Home cinema set, een laptop, twee camera's, zes horloges, twee mobiele telefoons, kleding, oorbellen en ringen.

Verdachte heeft tijdens het rondrijden met de politie verklaard over de woning [adres 5] dat hij hier [medeverdachte B] heeft geholpen met spullen ophalen. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte B] de woning had opengemaakt bij het kleine raam aan de voorzijde van de woning. Hij heeft geholpen met het ophalen van spullen, onder andere een laptop en een televisie. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij [medeverdachte B] heeft geholpen na de inbraak en dat de spullen in de bosjes lagen.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen die verdachte heeft afgelegd tijdens het rondrijden in de politieauto door de wijk wel gebruikt kunnen worden. Nergens blijkt uit dat verdachte tijdens zijn verklaringen is gestuurd. Verdachte heeft de keuze gehad om antwoord te geven of te zwijgen, zoals ook blijkt uit de door hem afgelegde verklaringen.

Op grond van deze bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. Verdachte heeft op verzoek van iemand waarmee hij vaker diefstallen heeft gepleegd, geholpen spullen als een laptop en een televisie uit de bosjes te halen. Gelet hierop kan het niet anders zijn dan dat verdachte wist dat deze spullen van misdrijf afkomstig waren.

Feit 6

Overwegingen ten aanzien van het bewijs15

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op 29 april 2010 werd aangifte gedaan bij de politie van een inbraak uit een woning aan [adres 5 in plaats] op 29 april 2010.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze ten laste gelegde diefstal in vereniging wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op de aangifte van [slachtoffer F] en het proces-verbaal bevindingen met betrekking tot de verklaringen van verdachte tijdens het rondrijden door de wijk met verdachte.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 6 ten laste gelegde feit. Hij heeft betoogd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om tot een bewezenverklaring te komen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de aangifte van [slachtoffer F]16, de verklaring van verdachte tijdens het rondrijden17 en de waarneming van [hoofdagent]18 tijdens het rondrijden tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde kan worden gekomen.

[Slachtoffer F] heeft verklaard dat er op 29 april 2010 in haar woning [adres 6 in plaats] is geprobeerd in te breken. Het raam aan de voorzijde van haar woning was vernield. Zij heeft gezien dat een ruit was ingeslagen en dat deze er volledig uit lag. Een voorbijganger heeft haar verteld dat hij twee jonge jongens had gezien. Tijdens het rondrijden met de politie heeft verdachte bij de woning aan [adres 6] verklaard dat hij daar met [medeverdachte B] is geweest. [medeverdachte B] heeft een raam met een raamtikker ingetikt. Hij zei vervolgens: Kijk, het is nog stuk! [Hoofdagent], die ook in de auto zat, heeft verklaard dat hij heeft gezien dat bij de woning aan de straatzijde een stuk hout aangebracht was bij een vernield raam.

De rechtbank komt tot de conclusie dat er sprake is van medeplegen. Voorafgaand aan het plegen van het strafbare feit heeft verdachte met zijn medeverdachte willens en wetens samengewerkt. Ze hebben samen een plan gemaakt om in te breken. [medeverdachte B] heeft een raam ingetikt. Verdachte en medeverdachte hebben dusdanig nauw en bewust samengewerkt dat er sprake is van medeplegen.

Feit 7

Overwegingen ten aanzien van het bewijs19

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op 3 mei 2010 kreeg de politie een melding van een poging tot diefstal uit een woning aan de Wold 18-04. Verbalisanten zijn naar de woning gegaan en zagen twee personen in de achtertuin staan.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op de aangifte van [slachtoffer G], de bekennende verklaring bij de politie en de verklaring van de buurvrouw.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van dit feit te kunnen komen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de aangifte van [slachtoffer G]20 en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting tot bewezenverklaring kan worden gekomen.

Feit 8

Overwegingen ten aanzien van het bewijs21

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze ten laste gelegde mishandeling overtuigend kan worden bewezen. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte van [slachtoffer H].

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van dit feit te kunnen komen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de aangifte van [slachtoffer H]22 en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting tot bewezenverklaring kan worden gekomen.

06/940380-10

Overwegingen ten aanzien van het bewijs23

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op 23 september 2010 omstreeks 12.42 uur ontving de politie een melding dat er kort daarvoor een schietincident had plaatsgevonden nabij het NS station te Harderwijk. Het slachtoffer bevond zich inmiddels in een cafetaria, gelegen tegenover het Stationsplein. Diverse politie-eenheden zijn ter plaatse gegaan. Op het moment van het voorval was het druk met passanten en reizigers voor het ter plaatse gelegen NS-station en busstation, de kiosk en scholieren van het nabij gelegen scholencomplex24.

Op aanwijzingen van getuigen en een door hen verstrekt signalement is verdachte kort daarna aangehouden.

Feit 1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen, met dien verstande dat de poging tot moord niet kan worden bewezen, maar wel de poging tot doodslag.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit, poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit, poging tot moord, heeft de raadsman betoogd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er sprake is van voorbedachte raad. Ten aanzien van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag ontbreekt het opzet, zodat ook dit feit niet bewezen kan worden. Verdachte heeft niet op de vitale organen van het slachtoffer geschoten, maar juist op de benen gericht. Hieruit blijkt dat verdachte niet de bedoeling had om het slachtoffer van het leven te beroven. Dit moet leiden tot vrijspraak van poging tot doodslag.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit, met dien verstande dat de rechtbank komt tot een vrijspraak van het element "met voorbedachten rade", omdat hiervan onvoldoende is gebleken. Dit leidt ertoe dat de rechtbank verdachte vrijspreekt van poging tot moord, maar de poging tot doodslag wel bewezen acht. De rechtbank komt op basis van de aangifte van [slachtoffer I]25 en de verklaring van verdachte26 tot deze conclusie.

[slachtoffer I] heeft aangifte27 gedaan dat hij op donderdag 23 september 2010 nabij het station in Harderwijk is beschoten. De kogel had hem net gemist. Hij was in Harderwijk in verband met een ruzie tussen zijn vriendin en [toenmalige vriendin verdachte], de toenmalige vriendin van verdachte. Hij heeft verdachte geslagen, nadat deze naar hem had uitgehaald. Er ontstond een worsteling. Verdachte verloor tijdens de worsteling zijn jas en zijn tas. Verdachte rende weg en [slachtoffer I] is er achteraan gerend. Verdachte riep om zijn tas, die [toenmalige vriendin verdachte] had opgepakt. [slachtoffer I] is naar [toenmalige vriendin verdachte] gerend om de tas af te pakken, omdat hij het gevoel had dat er een wapen in kon zitten. Hij zag dat [toenmalige vriendin verdachte] de tas naar verdachte gooide en zag ook dat deze daar een pistool uit pakte. Hij zag dat verdachte het wapen doorlaadde en hoorde dat [toenmalige vriendin verdachte] riep: "Schiet hem, schiet hem". Hij heeft zich omgedraaid en is weggerend. Toen hij ter hoogte van het fietspad was hoorde hij een doffe knal. Direct daarna hoorde hij dat een ruit kapot ging. Hij was bang dat hij geraakt zou worden en besloot door te rennen en rende een cafetaria binnen.

Verdachte heeft verklaard28 dat hij op 23 september 2010 bij het station in Harderwijk samen met [toenmalige vriendin verdachte] in een bus wilde stappen. Het was hartstikke druk op het station. Op het moment dat hij in de bus wilde instappen, kreeg hij klappen en trappen tegen zijn gezicht en lichaam, waardoor hij op de grond viel. Hij is toen weggerend. De jongen die hem had geslagen trok aan zijn jas, waardoor zijn jas uitging en hij ook zijn tas verloor. Hij zag even later dat [toenmalige vriendin verdachte] zijn jas en tas in haar handen had. Hij heeft naar [toenmalige vriendin verdachte] geroepen dat zij hem de tas moest toewerpen. In die tas zat een pistool dat hij wilde hebben. [toenmalige vriendin verdachte] gooide hem de tas toe. Verdachte heeft het wapen er uit gehaald en toen [slachtoffer I] dat wapen zag, is hij weggerend. Verdachte is een stukje achter [slachtoffer I] aangerend, heeft het wapen van de lock gedaan, doorgeladen, op de benen van [slachtoffer I] gericht en geschoten.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen voldoende blijkt dat verdachte voorwaardelijk opzet had op een poging tot doodslag. Het is een feit van algemene bekendheid dat wanneer mensen geraakt worden door pistoolkogels, dit niet zelden dodelijke gevolgen heeft. Verdachte heeft op een druk busstation, nadat hij het pistool in handen had gekregen, het pistool doorgeladen en gericht geschoten op het wegrennende slachtoffer. Door zo te handelen heeft hij op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer zou raken met een kogel, waardoor deze dodelijk verwond had kunnen raken. Dit oordeel wordt niet anders als vast zou komen te staan dat verdachte niet op de vitale delen maar op de benen van het slachtoffer zou hebben gericht, met name ook nu de verdachte zelf heeft verklaard geen geoefend schutter te zijn, nog los van de risico's van ricochet.

Feit 2

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat dit ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van dit feit te kunnen komen.

Beoordeling door de rechtbank

Op grond van de aangifte van [slachtoffer I], de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en het proces-verbaal met de juridische beschrijving van het vuurwapen29 is de rechtbank van oordeel dat tot bewezenverklaring kan worden gekomen van dit aan verdachte onder 2 ten laste gelegde feit.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

06/850853-10

1.

hij op 12 mei 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 1]) weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer A], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en die/dat weg te nemen goederen en/of geld, in elk geval datgene dat van hun gading zou blijken te zijn onder hun bereik te brengen door middel van braak en inklimming, met zijn mededader, althans alleen, over de schutting is geklommen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(incident 1)

2.

hij op 01 april 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 2]) weg te nemen goederen en/of geld geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer B] en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en die weg te nemen goederen en/of geld, onder hun bereik te brengen door middel van braak, met zijn mededaders met een schroevendraaier een raam (aan de achterzijde) van die woning heeft geprobeerd te forceren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(incident 2)

4.

hij op 23 maart 2010 in de gemeente Lelystad tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 4]) heeft weggenomen een laptop (merk Acer) en twee fotocamera's (één van het merk Samsung en één van het merk Olympus) en een MP3-speler/Ipod en vijf spaarzegels en een autosleutel en een mobiele telefoon en honderdtwintig euro, geheel toebehorende aan [slachtoffer D], waarbij verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft door middel van braak en inklimming;

(incident 4)

5.

hij in de periode van 27 april 2010 tot en met 28 april 2010 in de gemeente Lelystad, fotocamera's en computers en sieraden en kledingstukken en horloges en mobiele telefoons en een televisie (merk Philips) en/of een DVD-writer (merk Philips) en een homecinemaset (merk JVC) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die fotocamera's en computers en sieraden en kledingstukken en horloges en mobiele telefoons en televisie (merk Philips) en DVD-writer (merk Philips) en homecinemaset (merk JVC) wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

(incident 5)

6.

hij op 29 april 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 6]) weg te nemen goederen en/of geld, geheel toebehorende aan [slachtoffer F], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en die/dat weg te nemen goederen en geld, onder hun bereik te brengen door middel van braak en inklimming, met zijn mededader, een raam (aan de voorzijde) van die woning (met een ramentikker) heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(incident 6)

7.

hij op 03 mei 2010 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan [adres 7] weg te nemen goederen en/of geld, geheel toebehorende aan [slachtoffer G], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en die/dat weg te nemen goederen en/of geld, onder hun bereik te brengen door middel van braak en inklimming, met zijn mededader, door middel van het wrikken/bewegen met een schroevendraaier en met een koevoet aan (de onderzijde van) een raamkozijn, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(parketnummer 850854-10)

8.

hij op 20 april 2009 in de gemeente Lelystad opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer H]), (met kracht) een aansteker, tegen het hoofd (van die [slachtoffer H]) heeft gegooid, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

(parketnummer 850855-10)

06/940380-10

1.

hij op 23 september 2010 te Harderwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer I] van het leven te beroven, met dat opzet éénmaal, met een vuurwapen, in de richting van voornoemde [slachtoffer I] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 23 september 2010 te Harderwijk een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen (te weten STI S&W kaliber 40), en één, S&W.40 patronen (geschikt voor gebruik met voornoemd vuurwapen) en meerdere patronen van het kaliber 38, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

06/850853-10

Feit 1, 6 en 7

Poging tot diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, meermalen gepleegd;

Feit 2

Poging tot diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 4

Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

Feit 5 subsidiair

Opzetheling;

Feit 8

Mishandeling;

06/940380-10

Feit 1

Poging tot doodslag;

Feit 2

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt van de verdachte / de verdediging

Verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij van achteren werd aangevallen door [slachtoffer I]. Tegen de vele stompen op het hoofd en lichaam mocht verdachte zich verdedigen op de wijze zoals hij heeft gedaan. De noodweersituatie was nog niet beëindigd toen [slachtoffer I] bij verdachte wegrende en verdachte het schot loste. Het handelen van verdachte was proportioneel, gelet op de ernst van de mishandeling door [slachtoffer I]. Subsidiair was in de visie van de verdediging sprake van noodweerexces nu verdachte vanuit hevige angst en paniek, veroorzaakt door de aanval van [slachtoffer I], handelde.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van beide verweren.

Beoordeling door de rechtbank.

Noodweer(-exces)

Uit het verhandelde ter zitting, waaronder een aantal getuigenverklaringen, komt de volgende feitelijke gang van zaken naar voren.

[slachtoffer I] heeft verdachte onverhoeds van achteren aangevallen en hem meerdere keren hard geslagen, onder andere tegen het hoofd. Verdachte heeft niet zelf aangevallen of teruggevochten, maar heeft tijdens de mishandeling geprobeerd zichzelf te verdedigen en te beschermen. Omstanders zijn verdachte niet te hulp geschoten. Verdachte is op enig moment weggerend, maar [slachtoffer I] rende achter hem aan. Op een gegeven moment heeft verdachte kans gezien een pistool uit zijn tas te halen. Kort nadat [slachtoffer I] dit pistool zag, heeft [slachtoffer I] zich omgedraaid en is hij weggerend. Verdachte is daarna met het pistool in de hand achter [slachtoffer I] aangerend. Nadat verdachte het wapen van de lock heeft gedaan en vervolgens heeft doorgeladen, heeft verdachte gericht op [slachtoffer I] geschoten.

De gewelddadige handelingen van [slachtoffer I] leverden op zichzelf een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf op. Voldoende aannemelijk is dat sprake is geweest van een noodweersitutie, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Naar het oordeel van de rechtbank is aan deze wederrechtelijke aanranding echter een einde gekomen op het moment dat [slachtoffer I] wegrende. De noodweersituatie was daarmee geëindigd.

Nu naar het oordeel van de rechtbank de situatie waarin verdachte zich mocht verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf was opgehouden te bestaan, is een geslaagd beroep op noodweer niet meer mogelijk.

Voorts dient te worden beoordeeld of het beroep op noodweerexces kan slagen. De overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging is niet strafbaar, indien zij het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. De aanranding kan alleen de oorzaak van de heftige gemoedsbeweging heten als zij van dien aard is, dat zij de strekking heeft om bij een normaal mens een zodanige affectieve toestand in het leven te roepen.

Op zichzelf acht de rechtbank aannemelijk dat bij verdachte naar aanleiding van de mishandeling door [slachtoffer I] angst en paniek is ontstaan. De vraag die evenwel moet worden beantwoord is of het schot dat door verdachte is gelost op een moment dat [slachtoffer I] al bij hem was weggerend nog in overwegende mate het onmiddellijke gevolg van deze angst en paniek is geweest.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij uit angst dat [slachtoffer I] later terug zou komen, heeft geschoten. Verder heeft verdachte verklaard dat hij een niet-geoefende schutter is. Uit de feitelijke gang van zaken zoals hierboven door de rechtbank weergegeven, blijkt dat verdachte een stukje achter [slachtoffer I] is aangerend, vervolgens het wapen van de lock heeft gedaan, deze heeft doorgeladen en tot slot, naar eigen zeggen van verdachte, op de benen van [slachtoffer I] heeft gericht en geschoten. Een dergelijke volgorde van handelingen is naar het oordeel van de rechtbank naar uiterlijke verschijningsvorm dermate vastberaden, doelgericht en doeltreffend, dat niet aannemelijk is dat een ongeoefende schutter deze in een hevige gemoedsbeweging zou kunnen uitvoeren. Deze gedragingen van verdachte en zijn beweegredenen daarvoor getuigen naar het oordeel van de rechtbank veeleer van een zekere rationaliteit en doelgerichtheid bij de verdachte dan van hevige angst. Niet is aannemelijk geworden dat het schieten door verdachte in overwegende mate het onmiddellijke gevolg is geweest van een zodanig hevige angst en paniek, dat deze de verwijtbaarheid aan het misdrijf kan ontnemen. Het beroep op noodweerexces wordt om deze reden verworpen.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de stelling van de raadsman dat [slachtoffer I] richting [toenmalige vriendin verdachte] liep nadat hij het wapen bij verdachte zag, wordt gepasseerd. Meerdere getuigen hebben verklaard dat verdachte en [toenmalige vriendin verdachte] (dicht) bijelkaar stonden.30

Toerekeningsvatbaarheid

Naar de persoon van verdachte is psychologisch en psychiatrisch onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van drs. S. Labrijn (gezondheidszorgpsycholoog) van 1 juli 2011 en een rapport van A.K. Boksem (psychiater) van 9 juli 2011.

Labrijn heeft aangegeven dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling, namelijk een bedreigde ontwikkeling van de persoonlijkheid met narcistische en antisociale trekken. Vanuit zijn persoonlijkheid is verdachte beïnvloedbaar en heeft hij behoefte aan spanning en (criminele) status. Hij voelt zich eenzaam en in de steek gelaten door zijn moeder en zoekt aansluiting bij een criminele vriendengroep. Hij voelt zich betrekkelijk onkwetsbaar en houdt, vanuit een gebrekkige gewetensontwikkeling, slechts beperkt rekening met de belangen van anderen of het volgen van de wet. Hij laat zijn eigen belang zwaarder wegen en pleegt inbraken om aan zijn behoeften te voldoen. Hij bagatelliseert zijn handelen en legt de verantwoordelijkheid buiten zichzelf. Wanneer het fout gaat, voelt hij zich bedreigd door zijn medeverdachten en reageert excessief en impulsief door een wapen te kopen. Opnieuw wegen zijn eigen belangen het zwaarst en speelt zijn geweten nauwelijks een rol. Hij laat zich angst aanjagen door visioenen van zijn moeder en schoonmoeder en vindt gerechtvaardigd dat hij zichzelf verdedigt. Wanneer hij vervolgens daadwerkelijk wordt aangevallen is het op dat moment een kleine stap om het wapen te pakken en te schieten. De plotselinge zeer grote angst en kwetsbaarheid rijmen niet met zijn zelfbeeld van een onkwetsbaar en sterk figuur, waardoor zijn reactie extreem en impulsief is en hij schiet. Achteraf is er opnieuw sprake van bagatelliseren en voelt verdachte zich vooral slachtoffer. Labrijn adviseert verdachte op grond hiervan en de rol die de verstoorde persoonlijkheidsontwikkeling gespeeld heeft in zijn handelen, als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Boksem heeft het advies van Labrijn onderschreven.

Met de conclusie van de psycholoog en de psychiater dat verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, kan de rechtbank zich verenigen en zij neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft op alle ten laste gelegde feiten het jeugdstrafrecht van toepassing verklaard. Door zowel de gezondheidszorgpsycholoog als de psychiater wordt geadviseerd het minderjarigenstrafrecht toe te passen, nu er bij verdachte een achterstand in de persoonlijkheidsontwikkeling is, met name in de autonomie- en identiteitsontwikkeling. Hetgeen de verdediging en de officier van justitie hierover hebben opgemerkt, noopt niet tot een ander standpunt.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor alle ten laste gelegde feiten te veroordelen tot 20 maanden jeugddetentie met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering en dat zij verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun verleent, ook als dit inhoudt ambulante behandeling bij De Waag, een behandeling bij Tactus Verslavingszorg, dat verdachte het Individuele Traject Begeleiding (ITB) Harde Kern traject zal volgen en dat verdachte geen drugs meer zal gebruiken. Tevens dient verdachte zich te houden aan alle regels en afspraken die gemaakt worden met de jeugdreclassering in het kader van zijn begeleiding.

De raadsman heeft betoogd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langer dan 11 maanden niet op zijn plaats is. Er is geen enkele aanleiding om aan te nemen dat dit gedrag een structureel karakter krijgt. Voorts hebben beide deskundigen in het multidisciplinaire onderzoek geconcludeerd verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich onder andere schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Hij heeft geschoten op de openbare weg bij het trein- en busstation op een tijdstip dat er veel mensen in de directe omgeving aanwezig waren. Naar de ervaring leert zijn delicten als het onderhavige veelal de oorzaak van langdurige en ingrijpende angstgevoelens bij het directe slachtoffer en de omstanders die dit hebben zien gebeuren. Zij dragen bovendien bij aan in de samenleving levende gevoelens van onveiligheid.

Daarbij heeft verdachte zich in een korte periode schuldig gemaakt aan meerdere pogingen tot gekwalificeerde diefstal. Het (proberen te) stelen van goederen uit huizen is een ergerlijk, overlast gevend feit, dat de slachtoffers een onveilig gevoel bezorgd in hun eigen vertrouwde woonomgeving.

Alles overwegende zal de rechtbank verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 15 maanden opleggen met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht.

De rechtbank zal, naast de eerder genoemde onvoorwaardelijke jeugddetentie, aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. Ook aan de overige voorwaarden van artikel 77s, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, is voldaan. De rechtbank acht het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-matregel met de hierna te melden bijzondere voorwaarden passend en geboden, teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en te zorgen dat, indien verdachte zich niet aan de algemene voorwaarde of één van de te stellen bijzondere voorwaarden houdt, op doeltreffende wijze kan worden ingegrepen. Aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel zal de rechtbank naast de algemene voorwaarde de bijzondere voorwaarden verbinden dat verdachte

- zich ambulant zal laten behandelen bij De Waag of een soortgelijke instelling;

- het ITB Harde Kern traject zal volgen;

- een traject bij Tactus zal volgen;

- zich zal houden aan de regels en afspraken zoals gemaakt met de jeugdreclassering in het kader van de begeleiding;

De proeftijd zal worden gesteld op twee jaren.

De rechtbank komt tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie is geëist aangezien verdachte voor feit 3 is vrijgesproken. De rechtbank heeft ook laten meewegen dat de aanloop naar het schietincident emotioneel heftig voor verdachte is geweest. Verdachte moet hevige angst hebben gevoeld en in paniek zijn geweest, al leidt dat niet tot een strafuitsluitingsgrond. Wel heeft de rechtbank hier in de strafmaat rekening mee gehouden.

Verder weegt in dit verband mee dat het ITB-traject dat verdachte gedurende een half jaar zal moeten volgen, maar ook naleving van de overige opgelegde voorwaarden, verstrekkende inperking van de (bewegings)vrijheid van verdachte meebrengt. Nu echter verdachte zich ter terechtzitting gemotiveerd tot ambulante behandeling heeft getoond, en behandeling ter voorkoming van recidive noodzakelijk is, wil de rechtbank met het opleggen van deze straf het vertrouwen geven dat verdachte nu zelf zijn verantwoordelijkheid neemt en probeert zijn leven maatschappelijk verantwoord op te pakken. Het ITB Harde Kern traject en de behandeling bij De Waag zullen intensief zijn, doch uitermate zinvol en de rechtbank wil verdachte de ruimte geven deze aangeboden, noodzakelijke, hulp maximaal te gebruiken. Dit alles met een voorwaardelijke PIJ-maatregel als stok achter de deur.

De rechtbank zal verdachte geen drugsverbod als bijzondere voorwaarde opleggen, zoals door de officier van justitie is gevorderd, omdat de rechtbank dit aan de deskundigheid en het beleid van de behandelaars wil overlaten.

In beslag genomen voorwerpen

Het na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het onder feit 1 en 2 (van parketnummer 06/940380-10) bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Vordering tot schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer B] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 3.779,99 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 2 (parketnummer 06/850853-10) tenlastegelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de vordering van deze benadeelde partij te worden afgewezen. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, is niet komen vast te staan dat de benadeelde partij tengevolge van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden. Uit de aangifte van deze benadeelde partij blijkt dat deze schade kennelijk is ontstaan tijdens een incident op een andere datum.

Ook de benadeelde partij [slachtoffer I] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding voor een bedrag van € 2.500,00 wegens immateriële schade gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde onder 1 met parketnummer 06/940380-10. Ook wordt de wettelijke rente gevorderd met ingang van de schadedatum. Tevens is verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering dan wel dat deze dient te worden afgewezen. De benadeelde partij heeft de confrontatie opgezocht en verdachte mishandeld. Verdachte heeft zelf een aandeel in het gebeurde gehad door zelf de confrontatie op te zoeken.

Naar het oordeel van de rechtbank dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij heeft namelijk een eigen aandeel gehad in hetgeen hem op 23 september 2010 is overkomen. Om dit goed te kunnen beoordelen naar de regels van het civiele recht levert de behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 27, 45, 47, 57, 77i, 77s, 77x, 77z, 77aa, 287, 300, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder drie (parketnummer 06/850853-10) en het onder vijf primair (parketnummer 06/850853-10) ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het overige tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

06/850853-10

Feit 1, 6 en 7

Poging tot diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, meermalen gepleegd;

Feit 2

Poging tot diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 4

Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

Feit 5 subsidiair

Opzetheling;

Feit 8

Mishandeling;

06/940380-10

Feit 1

Poging tot doodslag;

Feit 2

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 15 maanden;

* legt aan verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van 2 jaren;

* bepaalt, dat deze maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarden dat :

- veroordeelde zich gedurende de proeftijd van twee jaar zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de jeugdreclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt dat veroordeelde:

- zich ambulant zal laten behandelen bij De Waag of een soortgelijke instelling;

- het ITB Harde Kern traject zal volgen;

- een traject bij Tactus zal volgen;

- zich zal houden aan de regels en afspraken zoals gemaakt met de jeugdreclassering in het kader van de begeleiding;

- veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* geeft de genoemde reclasseringsinstelling opdracht de veroordeelde bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

* beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

* beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

* Vuurwapen, kaliber .40;

* Patroonhouder, kaliber .40;

* verklaart de benadeelde partij [slachtoffer I] niet-ontvankelijk in haar vordering;

* wijst af de vordering tot schadevergoeding ingediend door de benadeelde partij [slachtoffer B].

Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, Kleinrensink en Hemrica, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Oosting, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 augustus 2011.

mr. Hemrica is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 2010034272, Regiopolitie Lelystad, gesloten en ondertekend op 12 augustus 2010.

2 Proces verbaal van aangifte [slachtoffer A], p. 266-267

3 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 273-274

4 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige A], p. 250-251

5 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige B], p. 257-258

6 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 2010034272, Regiopolitie Lelystad, gesloten en ondertekend op 12 augustus 2010.

7 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer B], p. 281

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige C], p. 291-292

9 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 2010034272, Regiopolitie Lelystad, gesloten en ondertekend op 12 augustus 2010.

10 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 2010034272, Regiopolitie Lelystad, gesloten en ondertekend op 12 augustus 2010.

11 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer D], p. 383-386

12 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 2010034272, Regiopolitie Lelystad, gesloten en ondertekend op 12 augustus 2010.

13 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer E], p. 426-428

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 36

15 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 2010034272, Regiopolitie Lelystad, gesloten en ondertekend op 12 augustus 2010.

16 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer F], p. 461-462

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 33

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 33

19 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL25202010032064-28, gesloten en ondertekend 3 mei 2010

20 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer G] d.d. 3 mei 2010

21 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer PL2521 2009026477-1, Regiopolitie Lelystad, district Noord, basiseenheid Lelystad Oost, gesloten en ondertekend op 5 januari 2010.

22 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer H] d.d. 20 april 2009

23 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 2010141410, gesloten en ondertekend op 5 november 2010

24 Proces-verbaal ambelijk verslag, p. 7

25 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer I], pag. 233-241

26 Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 35-40

27 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer I], p. 233-241

28 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 35-40

29 Proces-verbaal, p. 211-222

30 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige E], p. 271 / Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige F], p. 285 / Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige G], p. 289