Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BR4854

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
11-08-2011
Zaaknummer
121175 BZ RK 11-99
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot schadevergoeding gericht tegen de staat en de (forensisch psychiatrische) stichting waar betrokkene opgenomen is geweest.

1. Het verzoek tegen de staat. Volgens betrokkene had de officier van justitie nader onderzoek moeten verrichten aan de hand van de overgelegde geneeskundige verklaring en maakt het oordeel van de rechtbank om de inbewaringstelling niet te verlengen dat bij opname ook geen sprake was van onmiddellijk dreigend gevaar. De rechtbank oordeelt dat het niet de taak van de officier is het waarheidsgehalte van een geneeskundige verklaring inhoudelijk te onderzoeken. Daarbij dwingt de Wet BOPZ de officier van justitie tot een snelle beslissing. Voorts overweegt de rechtbank dat uit de beschikking (afwijzing voortzetting inbewaringsstelling) moet worden afgeleid dat er op het moment van de zitting geen onmiddellijk dreigend gevaar meer was. Hieruit kan niet worden afgeleid dat er ook geen sprake was van onmiddellijk dreigend gevaar bij de opname en op het moment dat de officier van justitie het verzoek indiende.

2. Het verzoek tegen de stichting. Betrokkene is opgenomen geweest in een forensisch psychiatrisch centrum , een instelling waar BOPZ patiënten en TBS patiënten verblijven. De rechtbank oordeelt dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest dat een betrokkene als gevolg van een plaatsing op basis van een Bopz-machtiging in een inrichting die (tevens) aangemerkt wordt als een forensisch psychiatrische kliniek onder het regiem van de Beginselenwet TBS valt en niet onder de bescherming van de Wet Bopz. Derhalve past de rechtbank de Wet Bopz toe op dit verzoek. Door betrokkene is eerst na indiening van het verzoek om schadevergoeding een klacht ingediend. De klacht die betrokkene bij de stichting heeft ingediend is aldaar behandeld conform de vereisten zoals vermeld in de Beginselenwet; er is nog niet beslist op deze klacht. Omdat de daadwerkelijke mogelijkheid voor het indienen van een klacht op grond van artikel 41 Wet Bopz bij de stichting ontbreekt, werpt de rechtbank betrokkene niet tegen dat hij niet eerst de klachtregeling heeft gevolgd en staat direct beroep open bij de rechtbank.

Artikelen: 35, 41, 41a, 41b Wet Bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 21
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 27
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 29
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2011/37
JVGGZ 2012/19

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Civiel – Afdeling Familie

Zaaknummer: 121175 BZ RK 11-99

beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 21 juli 2011

Gezien een verzoek ingediend door:

[betrokkene],

verder te noemen: betrokkene,

verblijvende te: Amsterdam,

advocaat: jhr. mr. E.A.C. Sandberg te Vorden.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 16 mei 2011;

- het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 juni 2011.

De beoordeling

De rechtbank neemt over hetgeen in voormelde tussenbeschikking is overwogen en beslist. In deze tussenbeschikking heeft de rechtbank het verzoek ten aanzien van de burgemeester van Hengelo (Ov) kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en heeft de rechtbank de verzoeken gericht tegen de Staat en de Stichting Forensisch Psychiatrisch Centrum Oldenkotte te Rekken aangehouden en verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

het verzoek tegen de staat

Artikel 35 van de Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen (hierna: Wet Bopz) bepaalt, voor zover van belang, onder meer het navolgende:

1. Indien degene ten aanzien van wie door de officier van justitie een verzoek is gedaan tot het verlenen van een der machtigingen als bedoeld in dit hoofdstuk, dan wel tot het geven van een beslissing inzake ontslag als bedoeld in artikel 49 derde of tiende lid, nadeel heeft geleden doordat de rechter of de officier van justitie een der bepalingen, vervat in dit hoofdstuk of in artikel 49, niet in acht heeft genomen, kent de rechter deze op verzoek van betrokkene een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe ten laste van de staat.

2. Het verzoek tot schadevergoeding kan worden gedaan bij een zelfstandig verzoek bij een verweerschrift of bij een desbetreffend verzoekschrift ter gelegenheid van het verhoor van de betrokkene dan wel bij een afzonderlijk verzoekschrift, binnen drie maanden te rekenen vanaf de dag waarop de betrokkene redelijkerwijs bekend kon zijn met de schending van het voorschrift waarop zijn verzoek betrekking heeft.

Op 10 februari 2011 om 16.12 uur heeft de heer W. Mulder namens de burgemeester van de gemeente Hengelo bij beschikking de gedwongen opname (inbewaringstelling) van betrokkene gelast. Betrokkene is die dag om 16.15 uur opgenomen op afdeling A van Oldenkotte. De officier van justitie heeft op 11 februari 2011 een verzoek ingediend tot voortzetting van deze inbewaringstelling. Bij beschikking van 15 februari 2011 heeft de rechtbank het verzoek tot voorzetting van de inbewaringstelling afgewezen.

Namens betrokkene heeft zijn raadsman gesteld dat de officier van justitie in redelijkheid niet tot het oordeel had kunnen komen dat een voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk zou zijn. De geneeskundige verklaring die bij de officier van justitie was ingediend was summier en bevatte geen concrete feiten op basis waarvan een noodsituatie kon worden verondersteld. Het had, volgens betrokkene, op de weg van de officier van justitie gelegen om deze feiten te verifiëren. Daarnaast had de officier van justitie zich dienen af te vragen of het indienen van een verzoek agressie bij betrokkene zou kunnen opwekken. Tot slot had de officier van justitie informatie moeten inwinnen of er sprake was van meer feiten dan in de geneeskundige verklaring stonden vermeld.

De officier van justitie heeft, namens de Staat, ten verwere aangevoerd dat het gebruikelijk is dat een verzoek tot voortzetting van een inbewaringstelling wordt gedaan op basis van de door een niet bij de behandeling betrokken psychiater opgestelde geneeskundige verklaring. In deze geneeskundige verklaring werden aanwijzingen opgesomd waaruit onmiddellijk dreigend gevaar kon worden afgeleid, zoals het lopen langs de spoorlijn, het onregelmatig innemen van antabus en het gebruiken van drugs en alcohol. Het is in dergelijke situaties noodzakelijk dat snel en adequaat wordt beslist. Voorkomen moet worden dat de gevaarzetting verder oploopt, hetgeen maatschappelijk niet verantwoord is.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verzoek tegen de Staat als volgt. De officier van justitie heeft zijn beslissing tot het indienen van een verzoek tot voorzetting van de inbewaringstelling gebaseerd op de inhoud van de hem bekende geneeskundige verklaring. Op basis van de inhoud van deze verklaring bestond geen aanleiding om op dat moment nader onderzoek te verrichten. De in die verklaring omschreven situatie, inhoudende dat betrokkene langs het spoor liep in combinatie met een stoornis, (waaronder een depressie), weegt daarbij zwaar, mede gelet op het als onmiddellijk dreigend gevaar opgegeven risico van zelfdoding, terwijl de in artikel 27 Wet Bopz opgenomen termijn de officier van justitie dwingt snel te beslissen. Naar het oordeel van de rechtbank is het daarbij niet de taak van de officier van justitie om het waarheidsgehalte van een geneeskundige verklaring inhoudelijk te toetsen. Gesteld noch gebleken is van enige vormfout aan de zijde van de officier van justitie.

Uit de zin ‘Hoewel alle aanwezigen ter zitting, inclusief betrokkene, van mening zijn dat sprake is van een zorgwekkende situatie, is de rechtbank van mening dat op basis van de nu voorhanden zijnde informatie niet kan worden geconcludeerd dat thans sprake is van onmiddellijk dreigend gevaar, noch dat deze stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken; leidt de rechtbank af dat in de beschikking van 15 februari 2011 ex nunc is getoetst. In deze beschikking wordt geoordeeld dat op dat moment geen sprake was van onmiddellijk dreigend gevaar. Dit oordeel is mede gebaseerd op de nader beschikbare informatie en het verhandelde ter zitting. Hieruit kan niet worden afgeleid dat er ten tijde van het opstellen van de geneeskundige verklaring en het moment dat de officier van justitie zijn verzoek heeft ingediend geen gronden aanwezig waren voor een verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek gericht tegen de Staat der Nederlanden afwijzen.

het verzoek tegen de Stichting Forensisch Psychiatrisch Centrum Oldenkotte te Rekken

Betrokkene heeft een verzoek ingediend tot schadevergoeding door de Stichting Forensisch Psychiatrisch Centrum Oldenkotte te Rekken (verder te noemen Oldenkotte). Na de opname in Oldenkotte is betrokkene gesepareerd. Betrokkene heeft hiertegen in april 2011 een klacht ingediend bij Oldenkotte, maar hierop is tot op heden niet beslist.

Oldenkotte heeft verweer gevoerd tegen het verzoek tot schadevergoeding. Zij stelt dat tijdens de opnameperiode (ook in het kader van de wet Bopz) de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden (hierna: Beginselenwet) van toepassing is op de rechtspositie van de cliënten, omdat Oldenkotte een forensisch psychiatrische kliniek is. Ter onderbouwing van de noodzaak tot separatie is namens Oldenkotte ter terechtzitting toegelicht dat zij in geval van ernstig middelen misbruik geen enkel risico neemt. Omdat de opname tot gevolg heeft dat per direct wordt gestopt met verdovende middelen, een zogenoemde cold turkey, en gelet op het feit dat betrokkene moet worden ingesteld op medicatie, is voortdurende observatie noodzakelijk. Betrokkene was in die periode opstandig maar niet dreigend.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tegen Oldenkotte. Oldenkotte heeft doortastend gehandeld; dat is belangrijk gezien de bij betrokkene aanwezige symptomen. Het moet mogelijk zijn onmiddellijk dreigend gevaar af te wenden. Niet gebleken is dat Oldenkotte onzorgvuldig heeft gehandeld; er is resoluut maar verstandig ingegrepen.

Ten aanzien van het verzoek tegen Oldenkotte overweegt de rechtbank als volgt. Oldenkotte is een forensisch psychiatrische kliniek en tevens door de Staatssecretaris van het toenmalige Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur aangewezen als psychiatrisch ziekenhuis in de zin van artikel 1 eerste lid aanhef en onder h van de Wet Bopz, waar zowel TBS-patienten als Bopz-patiënten verblijven. Betrokkene verbleef op grond van de artikelen 20 tot en met 31 Wet Bopz gedwongen in Oldenkotte. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest dat een betrokkene als gevolg van een plaatsing op basis van een Bopz machtiging in een inrichting die (tevens) aangemerkt wordt als een forensisch psychiatrische kliniek onder het regiem van de Beginselenwet valt en niet onder de bescherming van de Wet Bopz. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat, ondanks de regeling in de Beginselenwet, de middelen van de Wet Bopz ter beschikking van betrokkene staan.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het verzoek van betrokkene beoordelen op grond van de bepalingen van de Wet Bopz.

Ingevolge artikel 41 en volgende Wet Bopz kan een verzoek tot schadevergoeding worden ingediend. Artikel 41b bepaalt daartoe dat een klager kan verzoeken een schadevergoeding aan hem toe te kennen ten laste van de rechtspersoon die het betrokken psychiatrisch ziekenhuis in stand houdt, op de grond dat de beslissing waartegen de klacht is gericht, onrechtmatig is. De rechter kan op dit verzoek afzonderlijk beslissen.

In de onderhavige zaak heeft betrokkene op 5 april 2011 een klacht ingediend bij Oldenkotte tegen het feit dat hij tijdens zijn verblijf in Oldenkotte bij voortduring in de separatiecel heeft verbleven; hij stelt dat hij daardoor (immateriële) schade heeft geleden en nog steeds lijdt. Ter terechtzitting is gebleken dat de klacht is doorgestuurd naar de beklagcommissie, conform de Beginselenwet. Op 3 mei 2011 is door Oldenkotte schriftelijk gereageerd op deze klacht. De beklagcommissie heeft nog geen beslissing genomen over de klacht. Een klachtencommissie in de zin van de wet Bopz is, volgens de verklaring namens Oldenkotte ter zitting, binnen Oldenkotte niet aanwezig.

De rechtbank constateert dat betrokkene eerst een verzoek om schadevergoeding heeft ingediend en daarna een klacht bij de betreffende commissie. Gelet op het onjuiste standpunt van Oldenkotte dat de Beginselenwet op betrokkene van toepassing is en het ontbreken van een daadwerkelijke mogelijkheid voor het indienen van een klacht op grond van artikel 41 Wet Bopz, wordt betrokkene niet tegengeworpen dat hij niet eerst de klachtregeling heeft gevolgd en staat direct beroep open bij de rechtbank. Derhalve acht de rechtbank betrokkene ontvankelijk in zijn verzoek gericht tegen Oldenkotte.

Wat betreft de klacht van betrokkene over de separatie wordt overwogen dat middelen en maatregelen slechts toepassing kunnen vinden indien sprake is van een acute noodsituatie, waarbij sprake is van gevaar voor betrokkene zelf, dan wel voor anderen. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat betrokkene direct na opname is gesepareerd. Ter terechtzitting is namens Oldenkotte toegelicht dat betrokkene bij binnenkomst rustig maar gespannen was. Hij is gesepareerd wegens vrees voor suïcidaliteit, nu hij niet langer zijn behoefte naar verdovende middelen kon bevredigen en omdat betrokkene ingesteld diende te worden op medicatie. Op grond hiervan acht de rechtbank de aanvang van de separatie rechtmatig; immers er was sprake van een acute noodsituatie waarin ernstig gevaar voor betrokkene zeker niet uitgesloten kon worden. Uit de verklaringen ter zitting blijkt de rechtbank dat betrokkene kennelijk kort na de separatie rustig was in zijn contacten met de verpleging en dat hij zijn medicatie innam. Op basis hiervan oordeelt de rechtbank dat de separatie langer heeft geduurd dan strikt noodzakelijk was ter afwending van het gevaar voor betrokkene. Gelet op het vorenstaande had de separatie na twee dagen beëindigd kunnen worden. Door de langere separatie heeft betrokkene nadeel ondervonden.

Nu betrokkene op 14 februari 2011 is overgeplaatst naar een andere kamer met meer vrijheden, zal de rechtbank het verzoek om schadevergoeding toekennen over de periode van 12 tot 14 februari 2011, zijnde twee dagen toewijzen. De rechtbank oordeelt dat de onrechtmatige separatie een schadevergoeding rechtvaardigt die in redelijkheid dient te worden vastgesteld op € 75,-- per dag, in totaal € 150,-- voor materieel en immaterieel geleden schade.

Met inachtneming van het hiervoor overwogene zal de rechtbank beslissen als na te melden.

kostenveroordeling

Nu het verzoek ten aanzien van Oldenkotte gedeeltelijk is toegewezen ziet de rechtbank aanleiding Oldenkotte te veroordelen in de proceskosten van betrokkene, zijnde € 101,-- (de eigen bijdrage) en € 6,50 (de kosten van het uittreksel uit het handelsregister) ad totaal € 107,50.

Beslissing:

De rechtbank:

wijst het verzoek gericht tegen de Staat der Nederlanden af;

kent [betrokkene] een schadevergoeding toe ten laste van de Stichting Forensisch Psychiatrisch Centrum Oldenkotte te Rekken ten bedrage van € 150,-- (zegge: eenhonderdvijftig euro);

veroordeelt de Stichting Forensisch Psychiatrisch Centrum Oldenkotte te Rekken in de kosten van dit geding zijnde: € 101,-- (de eigen bijdrage) en € 6,50 (de kosten van het uittreksel uit het handelsregister) ad totaal € 107,50 binnen twee weken na deze uitspraak aan betrokkene te voldoen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven op 21 juli 2011 door mrs. R.A. Eskes (voorzitter), J.A.M. Strens-Meulemeester en C.J.M. van Apeldoorn, in tegenwoordigheid van, R. Hertgers, griffier.