Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BR4757

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
10-141, 10-142 en 10-143
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW3028, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing en bouwvergunning voor duivenhok. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg. nrs.: 10/141, 10/142 en 10/143

Uitspraak in de gedingen tussen:

1. [eiser A], [eiser B], [eiser C], [eiser D], [eiser E], [eiser F] en [eiser G];

2. [eiser H];

3. [eiser B],

allen te [plaats],

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek

verweerder.

[derde partij]

te [plaats],

derde-partij.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2009 heeft verweerder aan de derde-partij ontheffing en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een duivenhok op het perceel, plaatselijk bekend [adres], ongenummerd, achter nummer [nummer] te Hattemerbroek (hierna: het perceel).

Eisers hebben beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en verweerschriften ingezonden.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 28 juni 2011, waar van eisers 1 [eiser A] is verschenen. Van eisers 2 is verschenen [eiser H], bijgestaan door mr. R.J. van Rijn, werkzaam bij Arag rechtsbijstand te Leusden. Eiser 3 is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger 1, 2 en 3]. De derde-partij is in persoon verschenen.

2. Overwegingen

2.1 Het bouwplan voorziet in de bouw van een duivenhok met een oppervlakte van 19,80 m² in de nabijheid van het verenigingsgebouw van de postduivenvereniging “De Vriendschap”. Lid van de vereniging zijn mensen die als hobby hebben het houden van (post)duiven. Ter zitting is toegelicht dat de vereniging zich onder meer bezighoudt met het inmanden, verzorgen en het tweemaal per jaar laten uitvliegen van duiven voor wedstrijden. In het duivenhok worden in de periode april tot en met augustus ongeveer 70 jonge duiven van leden van de postduivenvereniging gehouden. In het kader van de aanvraag is ervan uitgegaan dat in het hok ongeveer 100 duiven kunnen worden gehouden. De duiven zullen in de periode van juni tot en met augustus eenmaal per dag uitvliegen voor het uitvoeren van trainingsvluchten. Dergelijke vluchten duren een half uur tot drie kwartier. Wanneer de duiven terugkeren in het hok, wordt het hok afgesloten, zo heeft de derde-partij ter zitting verklaard.

2.2 De rechtbank ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of het bouwplan past binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Hattemerbroek Dorp 2005” (hierna: het bestemmingsplan).

Op het perceel rust, gelet op de bij het bestemmingsplan behorende plankaart, de bestemming “Maatschappelijk (M)”.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) zijn de op de plankaart voor “Maatschappelijk” aangewezen gronden bestemd voor gebouwen ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de planvoorschriften gelden voor het bouwen van de in eerste lid, onder a, vermelde gebouwen de volgende bepalingen:

a. de gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd.

(…..).

Ingevolge artikel 1 wordt in de planvoorschriften verstaan onder maatschappelijke voorzieningen: educatieve voorzieningen, levensbeschouwelijke voorzieningen en uitvaart, sociaal-culturele en sociaal-medische voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen.

2.3 Gelet op de onder rechtsoverweging 2.1 vermelde feiten moet de postduivenvereniging worden aangemerkt als een sociaal-culturele instelling. Die feiten wijzen verder op een zodanige functionele verbondenheid van het duivenhok met (het gebouw van) de vereniging, dat het hok als een sociaal-culturele voorziening en daarmee als maatschappelijke voorziening in de zin van artikel 1 van de planvoorschriften moet worden beschouwd.

Bij dit oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat, gelet op het aantal te houden duiven en de beperkte periode dat de duiven jaarlijks en dagelijks uit- en invliegen, er geen aanknopingspunten zijn dat met de oprichting van het duivenhok sprake zal zijn van een op winst gerichte, bedrijfsmatige exploitatie of van bedrijfsmatige commerciële activiteiten die het hobbymatige gebruik van het perceel ten behoeve van de bestemming “Maatschappelijk” overstijgen.

De rechtbank volgt eisers 1 en 2 dan ook niet in hun betoog dat het gebouw niet past binnen de bestemming “Maatschappelijk”.

2.4 De rechtbank stelt evenwel vast, en tussen partijen is niet in geschil, dat het bouwplan voor een deel buiten het bouwvlak is gesitueerd en dat het daarom niet past binnen de planvoorschriften. Om toch medewerking te kunnen verlenen aan het bouwplan heeft verweerder met toepassing van artikel 3.23, eerste lid (oud), van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), gelezen in verbinding met artikel 4.1.1, eerste lid (oud), van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), ontheffing van het bestemmingsplan verleend.

De rechtbank stelt vast dat het duivenhok voldoet aan het bepaalde in artikel 4.1.1, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bro. Verweerder heeft zich dan ook terecht bevoegd geacht voor dit gebouw ontheffing te verlenen op grond van artikel 3.23, eerste lid, van de Wro.

2.5 De beslissing om al dan niet ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van in dit geval verweerder, waarbij deze beleidsvrijheid heeft, zodat de rechter de beslissing in zoverre terughoudend moet toetsen. Dat wil zeggen dat de rechter zich moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot zijn besluit om de ontheffing te verlenen heeft kunnen komen.

2.6 Eisers betogen dat – samengevat – het bouwplan leidt tot geluidsoverlast, onder meer van jeugdige bezoekers van het perceel, en tot verkeers- en stankoverlast.

De rechtbank heeft in de rechtsoverwegingen 2.3 en 2.4 vastgesteld dat het duivenhok past binnen het bestemmingsplan, behoudens voor zover het hok deels buiten het bouwvlak is gesitueerd. Dat betekent dat de afwijking van het bestemmingsplan beperkt is en voorts dat de door eisers geuite vrees voor de door hen genoemde vormen van hinder geacht moet worden bij de totstandkoming van het bestemmingsplan te zijn betrokken. Daarbij komt dat verweerder in het bestreden besluit, zoals nader toegelicht ter zitting, is ingegaan op de diverse vormen van hinder en gemotiveerd heeft waarom volgens hem die hinder niet zodanig onevenredig is dat hij in verband hiermee moest weigeren ontheffing te verlenen. Daarbij heeft verweerder ervan kunnen uitgaan dat de vliegtijd van de duiven beperkt is en dat het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt. Hetgeen eisers hiertegen hebben ingebracht, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet dan wel onvoldoende onderbouwd met stukken voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen van het bestemmingsplan. Het betoog faalt.

2.7 Reeds nu verweerder in redelijkheid ontheffing heeft kunnen verlenen van het bestemmingsplan, bestaat geen grond voor het oordeel dat het duivenhok op een alternatieve locatie had moeten worden gerealiseerd, als betoogd door eisers.

2.8 Voor zover eisers 2 betogen dat voor het houden van duiven een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, zoals deze luidde ten tijde van belang, is vereist en dat verweerder daarom de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning, gelezen artikel 52, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat luidde ten tijde van belang, had moeten aanhouden, volgt de rechtbank hen niet in dit betoog.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie of van bedrijfsmatige commerciële activiteiten. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het in dit geval gaat om een bedrijfsmatige activiteit. Evenmin is, gelet op het aantal te houden duiven, sprake van bedrijvigheid in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is. De rechtbank verwijst ter ondersteuning van dit oordeel naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 december 2010 (zaak nr. 201002058/1/M2), gepubliceerd op www.raadvanstate.nl. Er is dan ook geen sprake van een (vergunningplichtige) inrichting in de zin van de Wet milieubeheer.

2.9 De stelling van eiser 3 dat het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit en de Bouwverordening leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit, reeds omdat eiser 3 niet heeft toegelicht waarom dat het geval zou zijn.

2.10 Het betoog van eisers dat verweerder en de derde-partij niet dan wel onvoldoende met eisers over het duivenhok hebben gecommuniceerd, leidt, wat hiervan ook zij, niet tot vernietiging van het bestreden besluit. Van een overtreding van een wettelijk voorschrift is de rechtbank niet gebleken.

2.11 Voorts zijn er geen concrete aanknopingspunten dat de besluitvorming van verweerder in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht getuigt van vooringenomenheid. Het enkele feit dat een (oud-)wethouder van verweerder lid is van de vereniging, is onvoldoende concreet.

2.12 De beroepen zijn ongegrond. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2011.