Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BR4383

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
05-08-2011
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
06/940196-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het omstreeks 30 april 2011 tot 1 mei 2011 in de gemeente Doetinchem opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie levert op een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Vrijspraak ten aanzien van de tenlastegelegde bedreiging en heling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940196-11

Uitspraak d.d. 5 augustus 2011

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[verdachte], geboren op [1980 te geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in het HvB Doetinchem.

Raadsman: W.R. Jonk advocaat te Amsterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 juli 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 29 april 2011 in de gemeente Doetinchem [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (bij) die [slachtoffer] een pistool, althans op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp (op zeer korte afstand) op de borstkas, althans het bovenlichaam gezet, in

ieder geval die [slachtoffer] een pistool, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp en/of een (wapen)magazijn met kogels/patronen getoond en/of (daarbij) deze [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd : "Ik kan nu zo het magazijn leegschieten, maar ik geef je nog een kans" en/of "Deze keer was het een steen door de ruit, de volgende keer schiet ik door de ruit", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. hij op of omstreeks 30 april 2011 tot en met 1 mei 2011 in de gemeente Doetinchem, in ieder geval in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer

9.150,80 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

3. hij in of omstreeks de periode van 30 april 2011 tot en met 1 mei 2011 in de gemeente Doetinchem een of meer wapens van categorie I, onder 3, te weten een boksbeugel

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

4. hij in of omstreeks de periode van 19 januari 2005 tot en met 30 april 2011 in de gemeente Doetinchem, in elk geval in Nederland, een fiets (mountainbike Giant) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een

door misdrijf verkregen goed betrof;

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op zaterdag 30 april 2011 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Naar aanleiding van het daarop opgestarte onderzoek werd verdachte aangehouden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem tenlastegelegde onder feit 1, 2 en 3. Ten aanzien van feit 1 heeft hij zich gebaseerd op de verklaring van verdachte en de verklaring van aangever. Verdachte erkent dat er een gesprek is geweest tussen verdachte en aangever. Verdachte heeft een motief in verband met het door aangever doorverkopen van de spullen van de hennepkwekerij, waardoor aangever hem geld schuldig is. De verklaringen van verdachte, aangever en de andere personen over het incident in Groenlo, dat eerder plaatsvond vanwege de omstandigheid dat aangever geld aan verdachte schuldig is, komen grotendeels overeen, waaruit volgt dat de verklaring van aangever ten aanzien van feit 1 betrouwbaar kan worden geacht. Daarnaast komen de foto's van vuurwapens op de telefoon van verdachte overeen met het wapen omschreven in de aangifte en lijkt verdachte ook een voorliefde voor wapens te hebben op grond waarvan het aannemelijk is dat hij een wapen in zijn bezit heeft, welke hij ten tijde van de bedreiging aan aangever heeft getoond. Voorts is er een tapverslag waarin wordt besproken dat het onverstandig is dat verdachte aangifte heeft gedaan, hetgeen de overtuiging sterkt. De verklaringen van de getuigen die aanwezig waren bij het gesprek dienen als onbetrouwbaar te worden aangemerkt nu deze personen wellicht belang hebben bij het afleggen van een ontlastende verklaring. Ten aanzien van feit 2 acht hij bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van hennep. Hij heeft zich ten aanzien van dit feit gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen, de NTC test en op de bekennende verklaring van verdachte. Ten aanzien van feit 4. heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

Standpunt van de verdachte / de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De raadsman heeft hiertoe naar voren gebracht dat er geen overtuigend bewijs aanwezig is nu de verklaring van aangever geen steun vindt in enig ander bewijs, waardoor de unus testis, nullus testis regel van toepassing is en er bovendien redenen zijn om te twijfelen aan de verklaring van aangever. De verklaringen ten aanzien van het incident in Groenlo kunnen immers niet bijdragen aan het bewijs voor hetgeen ten laste is gelegd. Verdachte verklaart wel dat er een gesprek heeft plaatsgevonden over het verschuldigde geldbedrag, maar hij ontkent dat er in dit gesprek dreigende woorden zijn geuit en dat er met een vuurwapen is gedreigd. De verklaring van verdachte over dit gesprek wordt bevestigd door de verklaringen van de getuigen [getuige 1 en 2] die bij dit gesprek aanwezig waren. Uit verschillende tapverslagen van telefoongesprekken tussen verdachte en aangever blijkt ook op geen enkele wijze dat dergelijk voorval heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de raadsman bepleit dat aangever wisselende verklaringen over het pistool heeft afgelegd. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman bepleit dat enkel het voorhanden hebben van hennep bewezen kan worden verklaard gelet op de bekennende verklaring van verdachte. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman vrijspraak bepleit.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden vrijgesproken. Aangever [slachtoffer] heeft een gedetailleerde verklaring afgelegd van het gesprek dat tussen hem en verdachte op 30 april 2011 in aanwezigheid van [getuige 1 en 2] heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft erkend dat er een gesprek tussen hem en aangever heeft plaatsgevonden, maar ontkent dat hij aangever tijdens dat gesprek heeft bedreigd en daarbij een wapen heeft getoond. De getuigen [getuige 1 en 2] bevestigen met hun verklaringen de verklaring van verdachte en de rechtbank ziet in hetgeen de officier van justitie ten aanzien van de getuigenverklaringen voornoemd naar voren heeft gebracht, geen reden deze verklaringen onbetrouwbaar te achten. Voorts is er naar het oordeel van de rechtbank geen ander bewijs in het dossier aanwezig dat de verklaring van aangever ondersteunt. Gelet op voornoemde omstandigheden acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 ten laste gelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van de hem onder feit 4 tenlastegelegde heling. Hoewel de fiets, die bij het doorzoeken van de woning bij verdachte is aangetroffen gestolen blijkt te zijn, kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van het voorliggende dossier niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Bewijsmiddelen

Feit 2.

Volgens het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [naam 1], brigadier Team Recherche Achterhoek2 is bij het doorzoeken van de woning van verdachte -aangevangen op 30 april 2011 en gesloten op 1 mei 2011 - een hoeveelheid hennep aangetroffen en in beslag genomen. Uit het proces-verbaal aangetroffen VEDOMI op het adres [adres] inclusief de Narcotic Identification Test, opgemaakt door [naam 2], hoofdagent/rechercheur3 is gebleken dat de aangetroffen hennep daadwerkelijk hennep was, betreffende een hoeveelheid van 9150,8 gram. De verdachte heeft vervolgens ter terechtzitting ten aanzien van feit 2 betreffende het opzettelijk aanwezig hebben van hennep een bekennende verklaring afgelegd.4

De rechtbank acht op grond van de gebezigde bewijsmiddelen voornoemd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van 9150,8 gram hennep, waarmee hij heeft gehandeld in strijd met een in de Opiumwet neergelegd verbod.

Feit 3.

Volgens het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [naam 1], brigadier Team Recherche Achterhoek5 is bij het doorzoeken van de woning van verdachte -aangevangen op 30 april 2011 en gesloten op 1 mei 2011 - een boksbeugel aangetroffen en in beslag genomen. Volgens het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door [naam 2], hoofdagent, Team Recherche Achterhoek6 betreft de boksbeugel een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I, onder 3e van de Wet wapens en munitie waarvan het voorhanden hebben van dat wapen strafbaar is gesteld bij de wet. Verdachte heeft vervolgens ter terechtzitting ten aanzien van feit 3 betreffende het voorhanden hebben van een boksbeugel een bekennende verklaring afgelegd.7

De rechtbank acht op grond van de gebezigde bewijsmiddelen voornoemd, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een boksbeugel voorhanden heeft gehad, te weten een wapen waarvan het voorhanden hebben in strijd met de wet is.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

2. hij omstreeks 30 april 2011 tot en met 1 mei 2011 in de gemeente Doetinchem, in ieder geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 9.150,80 gram hennep, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3. hij omstreeks de periode van 30 april 2011 tot en met 1 mei 2011 in de gemeente Doetinchem een wapen van categorie I, onder 3, te weten een boksbeugel voorhanden heeft gehad.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij art. 11, lid 2 van de Opiumwet

feit 3: handelen in strijd met art. 13, lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij art. 55, lid 1 van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden. Hij heeft hiertoe naar voren gebracht dat een gevangenisstraf van 4 tot 6 maanden geboden is voor de bedreiging met het wapen en een gevangenisstraf van 7 maanden voor het voorhanden hebben van hennep. De officier van justitie heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte flinke justitiële documentatie heeft op het gebied van drugs en dat verdachte geen berouw toont. Voorts heeft de officier van justitie in aanmerking genomen dat het om ernstige feiten gaat.

De raadsman heeft zoals reeds weergegeven vrijspraak ten aanzien van feit 1 en 4 bepleit. Voorts heeft de raadsman verzocht geen straf op te leggen die de voorlopige hechtenis overstijgt. De raadsman heeft hiertoe naar voren gebracht dat verdachte de in zijn woning aangetroffen hennep voor een vriend in bewaring had en dat een groot deel daarvan niet geschikt was voor handel of consumptie. Voorts heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte de boksbeugel heeft gekregen als souvenir en dat hij er zich niet bewust van was dat het voorhanden hebben van een boksbeugel strafbaar is. Beide omstandigheden dienen in het voordeel van verdachte mee te wegen, aldus de raadsman.

Door de reclassering is op 15 juli 2011 een rapport over verdachte uitgebracht. Geadviseerd wordt een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. In de laatste detentie fase zullen dan de mogelijkheden van een resocialisatieproces onderzocht worden. Het hoogst haalbare zal dan een cognitieve vaardigheidstraining zijn. De reclassering heeft tevens geconcludeerd dat indien verdachte schuldig wordt bevonden hij kan worden aangemerkt als een berekenende man die doelbewust criminele activiteiten pleegt en een afwijkend normbesef heeft. De reclassering ziet geen aanknopingspunten voor reclasseringsinterventies.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van softdrugs. Softdrugs zijn voor de gezondheid van gebruikers schadelijk en het gebruik ervan is ook voor de samenleving bezwarend, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit. De door de raadsman naar voren gebrachte omstandigheid dat een deel van de hennep niet geschikt was voor handel of consumptie, wat daar ook van zij, doet daar niet aan af. Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een boksbeugel, waarvan het voorhanden hebben in strijd is met het in de Wet wapens en munitie neergelegde verbod. Het ongecontroleerde bezit van wapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en dient, gelet op het gevaarzettend karakter te worden bestraft. De omstandigheid dat verdachte de boksbeugel als souvenir heeft gekregen en zich niet bewust was van het strafbare karakter van het voorhanden hebben daarvan, doet niet aan de strafbaarheid af en dient dan ook niet in het voordeel van verdachte mee te wegen zoals door zijn raadsman bepleit.

Uit het Uittreksel justitiële documentatie d.d. 28 juni 2011 van verdachte blijkt dat hij eerder terzake artikel 3 Opiumwet is veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel meeweegt.

Voornoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in het kader van de onderhavige zaak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is.

In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft ten aanzien van de in beslag genomen weegschalen, de vergruizer, de boksbeugel en de drugs gevorderd dat deze worden onttrokken aan het verkeer. Ten aanzien van het in beslag genomen geld heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat dat aan verdachte kan worden teruggegeven.

De raadsman heeft ten aanzien van de in beslag genomen weegschalen bepleit dat deze aan verdachte dienen te worden teruggegeven nu het bezit daarvan niet verboden is en er in het kader van hetgeen bewezen verklaard is ook geen reden is tot het onttrekken daarvan. De raadsman heeft ingestemd met teruggave van het in beslag genomen geld aan verdachte en refereert zich ten aanzien van de overige in beslag genomen goederen aan het oordeel van de rechtbank.

Uit het dossier blijkt dat verdachte reeds afstand heeft gedaan van de boksbeugel en de drugs en dat de weegschalen reeds aan de vriendin van verdachte zijn teruggegeven. De rechtbank zal derhalve over deze goederen geen beslissing meer nemen.

De vergruizer dient naar het oordeel van de rechtbank te worden onttrokken aan het verkeer nu het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet. De rechtbank gelast de teruggave aan verdachte van het onder hem in beslag genomen geld, te weten een bedrag van € 1.100,20 nu geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 27, 36b, 36c, 36d, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 en 13 van de Opiumwet en de artikelen 13, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met een in art. 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij art. 11, lid 2 van de Opiumwet

feit 3: handelen in strijd met art. 13, lid 1 van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij art. 55, lid 1 van de Wet wapens en munitie.

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven vergruizer;

* gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven geldbedrag aan veroordeelde, te weten een bedrag van € 1.100,20.

Aldus gewezen door mrs. Verheul, voorzitter, Van Valderen en Knoop, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Banga, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 augustus 2011.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 2011058292, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Achterhoek, gesloten en ondertekend op 24 mei 2011.

2 Proces-verbaal van bevindingen doorgenummerd dossierpagina 305-307.

3 Proces-verbaal doorgenummerd dossierpagina 256-257.

4 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 22 juli 2011.

5 Proces-verbaal van bevindingen doorgenummerd dossierpagina 305-307.

6 Proces-verbaal van bevindingen doorgenummerd dossierpagina 278.

7 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 22 juli 2011.