Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BR4082

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
03-08-2011
Zaaknummer
431728 CV 11-62
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Samenwerkingsovereenkomst in de zin van de Wet overleg huurders verhuurders. Bindend advies. Geen vernietiging bindend advies ten aanzien van benoemde overlegvoorzitter, nu niet is gebleken dat deze niet onafhankelijk zou zijn. Bestuur verhuurder noch de rechter kunnen zittende leden van de raad van commissarissen ontslaan. Ook na expiratiedatum zijn partijen gehouden aan de samenwerkingsovereenkomst.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 900
Burgerlijk Wetboek Boek 7 901
Burgerlijk Wetboek Boek 7 902
Burgerlijk Wetboek Boek 7 903
Burgerlijk Wetboek Boek 7 904
Burgerlijk Wetboek Boek 7 905
Burgerlijk Wetboek Boek 7 906
Burgerlijk Wetboek Boek 7 907
Burgerlijk Wetboek Boek 7 908
Burgerlijk Wetboek Boek 7 909
Burgerlijk Wetboek Boek 7 910
Wet op het overleg huurders verhuurder
Wet op het overleg huurders verhuurder 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHV 2011/151 met annotatie van mr. Gardenbroek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Kanton – Locatie Zutphen

Zaaknummer : 431728 CV 11-62

Afschrift aan : beide partijen

Verzonden d.d. :

Vonnis van de kantonrechter d.d. 2 augustus 2011

in de zaak van

de stichting Stichting Viverion,

gevestigd te Lochem,

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.M.G.A. Sengers,

tegen

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Huurdersvereniging Lochem,

gevestigd te Lochem,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Huurdersvereniging Goor en omstreken,

gevestigd te Goor,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. D.E. Briedé.

Partijen worden in het hierna volgende Viverion en de huurdersorganisaties genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Dit verloop blijkt uit:

- de dagvaarding van 28 december 2011;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie;

- het vonnis van 12 april 2011;

- de conclusie van antwoord in reconventie;

- de brief van 28 april 2011 met als bijlage een akte vermeerdering van eis van mr. Briedé;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 2 mei 2011;

- de faxbrief van mr. Briedé van 4 mei 2011;

- de faxbrief van mr. Sengers van 4 mei 2011;

- de brief van de griffier aan mr. Briedé van 25 mei 2011 met kopie aan mr. Sengers;

- de akte zijdens de huurdersorganisaties.

1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1 Viverion is een toegelaten instelling krachtens artikel 70 van de Woningwet, werkzaam op het gebied van de volkshuisvesting. De Huurdersvereniging Lochem en de Huurdersvereniging Goor en omstreken zijn huurdersorganisaties in de zin van artikel 1, lid 1 sub f van de Wet op het overleg huurders verhuurder (hierna: WOHV).

2.2 Viverion, de beide huurdersorganisaties en de Stichting Huurdersbelangen Spectrum Wonen hebben op 22 april 2009 met elkaar een samenwerkingsovereenkomst gesloten. Artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst bevat een regeling met betrekking tot beslechting van geschillen door een per geval in te stellen geschillencommissie.

In artikel 7 lid 6 is bepaald: De uitspraak van de geschillencommissie is bindend, tenzij een van de partijen binnen twee weken na de uitspraak alsnog besluit het geschil voor te leggen aan de kantonrechter.

In artikel 8 lid 1 is bepaald: Deze overeenkomst geldt voor 2009 en 2010. Partijen zullen in 2010 tijdig in overleg treden over het vormen van een nieuwe overeenkomst.

2.3 Partijen hebben een geschil gekregen over de samenwerking met elkaar, waarna zij hebben besloten dit geschil voor te leggen aan de geschillencommissie, bestaande uit de heer [naam 1], aangewezen door de drie huurdersorganisaties, en de heer [naam 2], aangewezen door Viverion. Deze leden hebben vervolgens mevrouw [naam 3] als voorzitter aangewezen.

2.4 De geschillencommissie heeft op 29 maart 2010 bindend advies uitgebracht. Onderdeel van dat advies is de benoeming van een onafhankelijke voorzitter voor het overleg tussen de huurdersorganisaties en Viverion, in de persoon van mevrouw [naam 4]. Tevens heeft de geschillencommissie onder meer geoordeeld dat in de raad van commissarissen van Viverion (hierna: de RvC) twee vacatures moeten worden opengesteld, waarvoor de huurdersorganisaties twee kandidaten bindend voordragen.

2.5 De RvC telt momenteel 7 leden waarvan de leden [naam 5], [naam 6] en [naam 7] in het verleden zijn benoemd op voordracht van de huurdersorganisaties. De heer [naam 8] is voorzitter van de RvC en tevens algemeen directeur van een bouwbedrijf.

3. De vordering en het verweer in conventie

3.1 Viverion vordert dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. voor recht zal verklaren dat het bindend advies van 29 maart 2010 van de geschillencommissie ex artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst tussen Viverion en de huurdersorganisaties, voor de huurdersorganisaties geheel en op alle onderdelen bindend is;

2. voor recht zal verklaren, dat gedaagden de voor hen uit het bindend advies voortvloeiende verplichtingen dienen na te komen;

3. voor recht zal verklaren, dat Viverion niet gehouden is met de huurdersorganisaties het overleg in de zin van de samenwerkingsovereenkomst en de WOHV te hebben, indien gedaagden ook na betekening van het vonnis in gebreke blijven met de nakoming van hun verplichtingen uit het bindend advies;

4. de huurdersorganisaties zal veroordelen in de proceskosten.

3.2 Viverion legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, aan haar vordering onder meer de volgende stellingen ten grondslag. Partijen hebben zich gebonden aan de uitkomsten van het bindend advies. De huurdersorganisaties zijn dan ook gehouden de verplichtingen uit het bindend advies na te komen. Zolang de huurdersorganisaties daaraan niet voldoen, is Viverion niet gehouden het overleg ingevolge wet en overeenkomst met de huurdersorganisaties te voeren.

3.3 De huurdersorganisaties hebben geconcludeerd dat Viverion in haar vorderingen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, althans dat deze moeten worden afgewezen, met veroordeling van Viverion in de proceskosten.

3.4 Het verweer van de huurdersorganisaties zal, voor zover van belang, in het navolgende worden weergegeven.

4. De vordering en het verweer in reconventie

4.1 De huurdersorganisaties vorderen, na vermeerdering van de eis, dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. zal verklaren voor recht dat Viverion zich heeft te houden aan de WOHV en de met de huurdersverenigingen gesloten samenwerkingsovereenkomst;

2. zal verklaren voor recht dat Viverion tegenover de huurdersverenigingen tekort is geschoten uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst door bij haar huurders aan te dringen op de oprichting van een nieuwe huurdersvereniging;

3. zal verklaren voor recht dat door het niet nakomen van de samenwerkingsovereenkomst, Viverion in strijd handelt met de WOHV hetgeen onrechtmatig is ten opzichte van de huurdersverenigingen;

4. Viverion zal veroordelen tot nakoming van de samenwerkingsovereenkomst met de huurdersverenigingen;

5. zal verklaren voor recht dat Viverion tegenover de huurdersverenigingen ernstig tekort is geschoten vanwege:

- het niet nakomen van de afspraak c.q. de gedane toezegging dat de huurdersverenigingen 2 van de 5 leden van de RvC kunnen kiezen en/of

- het in strijd met de afspraak c.q. gedane toezegging herbenoemen van de zittende leden van de RvC en/of

- het in strijd met de afspraak c.q. gedane toezegging uitbreiden van de leden van de RvC tot 7 en/of

- het zonder overleg met de huurdersverenigingen bij herhaling herbenoemen van de zittende leden van de RvC en/of

- het niet-nakomen van de bindende uitspraak tot benoeming van twee nieuwe leden van de RvC uiterlijk in het najaar van 2010;

6. zal verklaren voor recht dat Viverion onrechtmatig handelt wegens het handhaven van [naam 8] als lid en voorzitter van de RvC;

7. zal verklaren voor recht dat de benoeming van [naam 8] als lid en voorzitter van de RvC van Viverion in strijd is met haar statuten, het reglement raad van commissarissen en de Governance Code Woningcorporaties ;

8. Viverion zal veroordelen om binnen een maand na betekening van het ten deze te wijzen vonnis een nieuw lid als voorzitter van de RvC aan te stellen;

9. zal verklaren voor recht dat het openstellen van twee extra posities naast de huidige zittende leden afbreuk doet aan de mate van toezicht van Viverion;

10. zal verklaren voor recht dat de twee op bindende voordracht te benoemen nieuwe leden in de plaats komen van de dames [naam 6] en [naam 5];

11. Viverion zal veroordelen de huurdersverenigingen in de gelegenheid te stellen tot het doen van een bindende voordracht binnen een maand na betekening van het te dezen te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte van de dag dat zij hieraan niet geheel of slechts gedeeltelijk voldoen;

12. zal vernietigen het onderdeel van de bindende uitspraak d.d. 29 maart 2010 van de geschillencommissie betreffende de benoeming van [naam 4] als onafhankelijk voorzitter;

13. primair: op grond van artikel 7:904 lid 2 BW te benoemen onafhankelijk voorzitter zijnde een nader door partijen aan te wijzen gecertificeerde mediator zoals vermeld op de lijst bij de rechtbank;

14. subsidiair: Viverion zal veroordelen om op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of gedeelte van de dag dat zij hieraan niet voldoet haar medewerking te verlenen aan de procedure tot benoeming van een gecertificeerd mediator als onafhankelijk voorzitter;

15. Viverion zal veroordelen in de proceskosten;

16. Voor recht zal verklaren dat Viverion door weigeren van een evaluatie van het overleg (in strijd met de bindende uitspraak) tegenover de huurdersverenigingen tekort is geschoten;

17. Viverion zal veroordelen het overleg met de huurdersverenigingen te evalueren door hen daartoe binnen drie dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis uit te nodigen voor bespreking op een nader in goed overleg te bepalen datum en tijdstip.

4.2 De huurdersorganisaties hebben tegen de achtergrond van de vaststaande feiten aan hun vorderingen onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Op diverse punten is Viverion toerekenbaar tekortgeschoten ter zake van tegenover hen gemaakte afspraken en heeft Viverion onrechtmatig gehandeld. De onafhankelijke voorzitter, mw. [naam 4], is niet op de juiste wijze benoemd, want partijen hebben geen keuze voorgelegd gekregen. Verder heeft zij connecties met personen die zijn gelieerd aan Viverion, zodat bij haar sprake is van de schijn van belangenverstrengeling. Twee leden van de RvC, namelijk mevrouw [naam 6] en mevrouw [naam 5] hebben niet meer de steun van de huurdersverenigingen en kunnen daarom niet meer worden beschouwd als hun vertegenwoordigers.

De beslissing van de adviescommissie dient dan ook aldus te worden uitgevoerd dat deze beide leden van de RvC dienen te worden vervangen door twee nieuwe leden die door de huurdersverenigingen worden voorgedragen. Ter zake van de voorzitter van de RvC geldt dat sprake is van belangenverstrengeling zodat hij op basis van de Governance Code (de ‘Aedes Code’) dient te worden vervangen. Viverion is gehouden over te gaan tot de evaluatie van het overleg, hetgeen zij tot voor kort heeft geweigerd.

4.3 Viverion heeft geconcludeerd dat de vorderingen van de huurdersorganisaties moeten worden afgewezen, met veroordeling van de huurdersorganisaties in de proceskosten.

Het verweer van Viverion zal, voor zover van belang, hierna worden weergegeven.

5. De beoordeling

In conventie

5.1 Met betrekking tot de vordering onder 1 is aan de orde of het bindend advies voor gedaagde geheel en op alle onderdelen bindend is.

De kantonrechter stelt het volgende voorop. Tussen partijen staat vast dat zij krachtens overeenkomst een bindend advies hebben gevraagd en verkregen. Partijen zijn het er ook over eens dat deze overeenkomst dient te worden gekwalificeerd als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 lid 1 BW en wel in die zin dat de vaststelling plaats zou vinden krachtens een in lid 2 van genoemd artikel bedoelde aan een derde opgedragen beslissing. Het bindend advies vloeit in dit geval voort uit en dient te worden gelezen in samenhang met de WOHV en de samenwerkingsovereenkomst.

De huurdersorganisaties hebben betoogd dat zij niet op alle onderdelen aan het bindend advies kunnen worden gehouden. In artikel 7:904 lid 1 is bepaald: Indien gebondenheid aan een beslissing van een partij of van een derde in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is die beslissing vernietigbaar. Zodanige vernietiging hebben de huurdersorganisaties in reconventie gevorderd ten aanzien van de benoeming van [naam 4] tot onafhankelijk voorzitter. Op dat punt zal de kantonrechter in reconventie concluderen dat de benoeming een dergelijke toets kan doorstaan.

5.2 Voor het overige is geen vernietiging van enig onderdeel van het bindend advies gevorderd, en overigens is geen grond voor zodanige vernietiging komen vast te staan, zodat het bindend advies als een geldige vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW tussen partijen heeft te gelden. De door Viverion onder 1 gevraagde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen.

5.3 De onder 2 gevraagde verklaring voor recht zal eveneens worden toegewezen, nu deze rechtstreeks voortvloeit uit het voorgaande en daartegen geen afzonderlijk gemotiveerd verweer is gevoerd.

5.4 Onder 3 heeft Viverion gevorderd voor recht te verklaren, kort gezegd, dat zij niet gehouden is overleg met de huurdersorganisaties te hebben. Nog daargelaten dat Viverion die vordering in het lichaam van de dagvaarding niet afzonderlijk (voldoende) heeft onderbouwd waardoor het bij gebrek aan grondslag niet kan worden toegewezen, is dit beroep op opschorting bij voorbaat niet toewijsbaar omdat het naar het oordeel van de kantonrechter losstaat van alle overige verplichtingen die partijen over en weer jegens elkaar hebben. Daarbij spelen de inhoud en strekking van zowel de WOHV als de samenwerkingsovereenkomst en ook de daarbij betrokken belangen van alle individuele huurders een rol. Mede gelet op hetgeen over de verdere verplichtingen in reconventie wordt overwogen en beslist zal dit onderdeel van het gevorderde worden afgewezen.

5.5 De door partijen aangevoerde argumenten die in het voorgaande niet aan de orde zijn gekomen, behoeven geen bespreking, nu deze, in het licht van hetgeen is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

5.6 Gezien het karakter van de beide toegewezen verklaringen voor recht kunnen deze niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zodat dit gedeelte van het gevorderde ambtshalve zal worden afgewezen. Hetgeen meer of anders is gevorderd zal eveneens worden afgewezen.

In reconventie

5.7 De vordering onder 1 is niet betwist ten aanzien van de WOHV zodat deze voor dit gedeelte kan worden toegewezen.

5.8 In artikel 8 lid 1 van de samenwerkingsovereenkomst is vermeld:

Deze overeenkomst geldt voor 2009 en 2010. Partijen zullen in 2010 tijdig in overleg treden over het vormen van een nieuwe overeenkomst.

Ten aanzien van de vordering met betrekking tot de samenwerkingsovereenkomst valt in redelijkheid niet in te zien op welke inhoudelijke gronden Viverion daaraan niet meer op enigerlei wijze gebonden te zijn. Het enkele feit dat die overeenkomst is geëxpireerd brengt naar de door partijen in acht te nemen eisen van redelijkheid en billijkheid in het kader van de uitvoering van deze overeenkomst, in het kader van de WOHV en mede gelet op de belangen van individuele huurders niet zonder meer mee dat aan de inhoud en strekking ervan geen betekenis meer toekomt. Dit kan mede worden afgeleid uit de verplichting in de tweede zin van artikel 8 lid 1. Dit gedeelte van de vordering zal daarom eveneens worden toegewezen.

5.9 De vordering onder 2 kan niet worden toegewezen omdat dit in strijd zou zijn met het bindend advies. Niet is gesteld of gebleken dat het bindend advies op dit punt niet in stand kan blijven.

5.10 De vordering onder 3 is na gemotiveerde betwisting door Viverion niet meer nader onderbouwd, zodat deze dient te worden afgewezen.

5.11 Het verweer tegen de vordering onder 4 dient te worden verworpen, gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen. Dat betekent dat deze vordering wordt toegewezen.

5.12 De adviescommissie heeft bindend vastgesteld dat de huurdersorganisaties twee kandidaten bindend voordragen. Partijen verschillen van mening over de uitleg hiervan. De huurdersorganisaties nemen het standpunt in dat de dames [naam 6] en [naam 5] door twee nieuwe leden moeten worden vervangen. Ten aanzien van de samenstelling van de RvC wordt het volgende vooropgesteld. Viverion kent als stichting naast het bestuur een RvC als zelfstandig orgaan dat zelf zijn leden benoemt. De RvC heeft binnen de grenzen van wet en statuten een toezichthoudende taak en is onafhankelijk van het bestuur van Viverion, aldus dat het bestuur geen zeggenschap heeft over benoeming en ontslag van leden van de RvC. De huurdersorganisaties hebben, tegenover de gemotiveerde betwisting door Viverion niet aangevoerd op welke juridische grond het bestuur van Viverion namens de stichting in staat zou zijn om invloed uit te oefenen op de samenstelling van de RvC. Daarom kan Viverion niet verantwoordelijk of aansprakelijk worden gehouden voor door de huurdersorganisaties onterecht geachte benoemingen binnen de RvC, noch kan haar toerekenbaar tekortschieten of onrechtmatig handelen worden verweten. Ook de RvC zelf kan in beginsel ten aanzien van eenmaal zittende leden niet meer doen dan bij meerderheid van stemmen een herbenoeming verwerpen of wachten tot een lid tussentijds ontslag neemt. Er is ook overigens geen rechtsgrond gesteld of gebleken op grond waarvan rechterlijk ingrijpen in dit geval mogelijk zou zijn. De door de huurdersorganisaties genoemde Aedes Code is geen recht waaraan de rechter moet toetsen. Bovendien kent de Aedes Code een eigen procedurele weg om eventuele onjuistheden te (laten) onderzoeken. Het voorgaande geldt met betrekking tot de door de huurdersorganisaties genoemde leden van de RvC als de voorzitter. Het voorgaande betekent dat er naar het oordeel van de kantonrechter rechtens geen andere mogelijkheid is dan dat er twee nieuwe door de huurdersverenigingen voorgedragen leden worden benoemd naast de thans zittende leden van de RvC. De vorderingen 5 tot en met 11 zullen daarom worden afgewezen.

5.13 Onder punt 12 van de vordering hebben de huurdersorganisaties gevorderd dat de kantonrechter zal vernietigen het onderdeel van het bindend advies betreffende de benoeming van [naam 4] als onafhankelijk voorzitter. Zij baseren dit onderdeel van hun vordering onder meer op de stelling dat zij door deze benoeming geen enkele stem hebben gehad in de aanwijzing van de persoon, dat [naam 4] niet voldoende onafhankelijk is en dat zij niet geschikt is voor de taak. De toets is gelegen met name in artikel 7:904 lid 1 waar is bepaald: Indien gebondenheid aan een beslissing van een partij of van een derde in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is die beslissing vernietigbaar. Gelet op het specifieke karakter van deze bepaling kunnen de door de huurdersorganisaties nog genoemde wettelijke bepalingen niet daarnaast een afzonderlijke toetsing meebrengen. Mede gelet op deze wettelijke maatstaf dient de rechter bij zijn toetsing terughoudend te zijn. Voor zover gedaagden menen dat zij onverhoeds zijn geconfronteerd met deze benoeming, stond voor hen de mogelijkheid open om binnen veertien dagen na het bindend advies dit onderdeel van de beslissing aan de kantonrechter voor te leggen (art. 7 lid 6 van de samenwerkingsovereenkomst), dan wel ten minste hiertegen onmiddellijk te protesteren, hetgeen zij hebben nagelaten. De door de huurdersorganisaties aangevoerde schijn van belangenverstrengeling is erin gelegen dat [naam 4] behoort tot dezelfde organisatie als de voorzitter van de bindend adviescommissie en zou samenwerken met het door Viverion aangewezen lid van die commissie. Het gaat er om of er objectieve vrees bestaat dat [naam 4] niet onafhankelijk is van Viverion en van de huurdersorganisaties en dat is niet het geval. De door de huurdersorganisaties aangevoerde stellingen zijn, indien al juist, in samenhang bezien onvoldoende om een dergelijke objectieve vrees te kunnen rechtvaardigen, zodanig dat gebondenheid aan die beslissing onaanvaardbaar dient te worden geacht in de zin van artikel 7:904 lid 1 BW. De omstandigheden dat de huurdersorganisaties van mening zijn dat [naam 4] na haar benoeming er blijk van heeft gegeven niet onpartijdig of onafhankelijk te zijn of niet geschikt voor haar taak dan wel dat de huurdersorganisaties en [naam 4] na verloop van tijd niet tot een behoorlijke verstandhouding konden geraken, maken de beslissing van de adviescommissie niet met terugwerkende kracht vernietigbaar. Dergelijke aandachtspunten kunnen voor de toekomst uiteraard wel reden zijn voor partijen om na evaluatie te bezien en eventueel te heroverwegen op welke wijze zij hun overleg willen voortzetten.

De vordering onder 12 zal daarom worden afgewezen. Nu de vorderingen 13 en 14 hierop voortbouwen dienen deze eveneens te worden afgewezen.

5.14 Met betrekking tot de vorderingen onder 16 en 17 overweegt de kantonrechter het volgende. In het bindend advies is op pagina 3 onder meer vermeld:

“Na één jaar vindt een tussentijdse evaluatie plaats van het functioneren van het overleg.”

Nu Viverion na tweemaal daartoe zijn aangemaand niet bereid is de evaluatie te bespreken is zij in deze verplichting uit het (ook voor haar) bindend advies, tekortgeschoten. De vordering onder 16 zal daarom worden toegewezen. Hieruit volgt tevens de toewijzing van de vordering onder 17, met nadere bepaling van de termijn als hierna is vermeld.

5.15 De door partijen aangevoerde argumenten die in het voorgaande niet aan de orde zijn gekomen, behoeven geen bespreking, nu deze, in het licht van hetgeen is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

5.16 Gezien het karakter van de toegewezen verklaringen voor recht kunnen deze niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zodat dit gedeelte van het gevorderde ambtshalve zal worden afgewezen. Hetgeen meer of anders is gevorderd zal eveneens worden afgewezen.

In conventie en in reconventie voorts

5.17 Mede gezien het feit dat partijen over en weer op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld, zal worden bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

6. De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende:

in conventie:

6.1 verklaart voor recht dat het bindend advies van 29 maart 2010 van de geschillencommissie ex artikel 7 van de samenwerkingsovereenkomst tussen Viverion en de huurdersorganisaties, voor de huurdersorganisaties geheel en op alle onderdelen bindend is;

6.2 verklaart voor recht dat de huurdersorganisaties de voor hen uit het bindend advies voortvloeiende verplichtingen dienen na te komen;

6.3 wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

in reconventie:

6.4 verklaart voor recht dat Viverion zich heeft te houden aan de WOHV en de met de huurdersverenigingen gesloten samenwerkingsovereenkomst;

6.5 veroordeelt Viverion tot nakoming van de samenwerkingsovereenkomst met de huurdersverenigingen;

6.6 verklaart voor recht dat Viverion door weigeren van een evaluatie van het overleg (in strijd met de bindende uitspraak) tegenover de huurdersverenigingen tekort is geschoten;

6.7 veroordeelt Viverion het overleg met de huurdersverenigingen te evalueren door hen daartoe binnen vier weken na betekening van het te dezen te wijzen vonnis uit te nodigen voor bespreking op een nader in goed overleg te bepalen datum en tijdstip;

6.8 verklaart dit vonnis, behoudens de verklaringen voor recht, tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.9 wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

in conventie en in reconventie:

6.10 bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C.J. Heessels en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 2 augustus 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.