Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BR3092

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
26-07-2011
Datum publicatie
26-07-2011
Zaaknummer
06/940079-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroodeeld voor afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd. Verdachte wordt vrijgesproken van een poging tot afpersing. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden. Zie ook BR3072 en BR3080.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Straf

Meervoudige kamer

Parketnummer: 06/940079-11

Uitspraak d.d.: 26 juli 2011

tegenspraak / dip

VONNIS

in de zaak tegen:

[Verdachte C],

geboren te [geboorteplaatss] op [1991],

wonende te [adres].

Raadsman: mr. R.D.J. Visschers, advocaat te Elst.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 24 mei 2011 en 12 juli 2011.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 11 februari 2011 te Didam, althans in de gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/of alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [Slachtoffer A] en/of [Slachtoffer B] heeft gedwongen tot de afgifte van (een) geldbedrag(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [Slachtoffer A] en/of die [Slachtoffer B], in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (telkens) hierin bestond(en) dat hij en/of zijn mededader(s) met bivakmuts(en)/camouflerende hoofdbedekking die [Slachtoffer A] en/of [Slachtoffer C] en/of [Slachtoffer B] achterna zijn/is gerend en/of de vrije doorgang voor die [Slachtoffer A] en/of [Slachtoffer C] en/of [Slachtoffer B] hebben/heeft versperd en/of (meermalen) naar die [Slachtoffer A] en/of [Slachtoffer C] en/of [Slachtoffer B] hebben/heeft geroepen: "Ik wil geld " en/of (daarbij) een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp op die [Slachtoffer A] en/of [Slachtoffer C] en/of [Slachtoffer B]

hebben/heeft gericht(gehouden) en/of hebben/heeft geroepen/gezegd: "Geef me je geld." en/of "Geef jullie geld", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of dat (vuur)wapen/voorwerp op het hoofd van die [Slachtoffer A] en/of die [Slachtoffer B] hebben/heeft gericht en/of de slede van dat wapen/voorwerp naar achteren hebben/heeft getrokken;

art 317 WvSr

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, dat

hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 11 februari 2011 te Didam, althans in de gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/of alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (een) geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Slachtoffer A] en/of [Slachtoffer B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal (telkens) werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [Slachtoffer A] en/of [Slachtoffer C] en/of die [Slachtoffer B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (telkens) hierin bestond(en) dat hij en/of zijn mededader(s) met bivakmuts(en)/camouflerende hoofdbedekking die [Slachtoffer A] en/of

[Slachtoffer C] en/of [Slachtoffer B] achterna zijn/is gerend en/of de vrije doorgang voor die [Slachtoffer A] en/of [Slachtoffer C] en/of [Slachtoffer B] hebben/heeft versperd en/of (meermalen) naar die [Slachtoffer A] en/of [Slachtoffer C] en/of [Slachtoffer B] hebben/heeft geroepen: "Ik wil geld " en/of (daarbij) een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp op die [Slachtoffer A] en/of [Slachtoffer C] en/of [Slachtoffer B] hebben/heeft gericht(gehouden) en/of hebben/heeft geroepen/gezegd: "Geef me je geld." en/of "Geef jullie geld." althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of dat (vuur)wapen/voorwerp op het hoofd van die [Slachtoffer A] en/of die [Slachtoffer B] hebben/heeft gericht en/of de slede van dat wapen/voorwerp naar achteren hebben/heeft getrokken;

art 312 WvSr

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 11 februari 2011 te Wehl, althans in de gemeente Doetinchem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/of alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen geld en/of (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [Slachtoffer D] en/of [Slachtoffer E], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [Slachtoffer D] en/of die [Slachtoffer D], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen (telkens) met bivakmuts(en)/camouflerende hoofdbedekking op die [Slachtoffer D] en/of die [Slachtoffer D] zijn/is toegesneld/toegelopen en/of (daarbij) tegen die [Slachtoffer D] en/of die [Slachtoffer D] hebben/heeft geroepen/gezegd: "Ik wil geld, ik wil geld."althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of (toen die [Slachtoffer D] en/of die [Slachtoffer D] weg fietsten) die [Slachtoffer D] en/of die [Slachtoffer D] hebben/heeft achtervolgd en/of een pistool, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op die [Slachtoffer D] en/of die [Slachtoffer D] hebben/heeft gericht en/of gericht gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

EN/OF

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 11 februari 2011 te Wehl, althans in de gemeente Doetinchem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/of alleen, (telkens) met het oogmerk

om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [Slachtoffer D] en/of [Slachtoffer E] te dwingen tot de afgifte van geld en/of (een) goed(eren), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [Slachtoffer D] en/of die [Slachtoffer D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), (telkens) met bivakmuts(en)/camouflerende hoofdbedekking op die [Slachtoffer D]

en/of die [Slachtoffer D] zijn/is toegesneld/toegelopen en/of (daarbij) tegen die [Slachtoffer D] en/of die [Slachtoffer D] hebben/heeft geroepen/gezegd: "Ik wil geld, ik wil geld."althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of (toen die [Slachtoffer D] en/of die [Slachtoffer D] weg fietsten) die [Slachtoffer D] en/of die [Slachtoffer D] hebben/heeft achtervolgd en/of een pistool, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op die [Slachtoffer D] en/of die [Slachtoffer D] hebben/heeft gericht en/of gericht gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 WvSr

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Vaststaande feiten / aanleiding van het onderzoek

Op vrijdag 11 februari 2011 omstreeks 23.43 uur is er een melding bij de politie gedaan van poging tot straatroof. Twee jonge vrouwen waren per fiets op weg naar huis. Ter hoogte van de vijver in Wehl hebben zij twee mannen met bivakmutsen op gezien die op hen af kwamen rennen. Ze riepen dat ze geld wilden. De vrouwen zijn ontkomen door hard weg te fietsen. Zeven minuten later is er nogmaals een melding gedaan dat vijf personen in een rode auto, vermoedelijk van het merk Peugeot, een gewapende overval hadden gepleegd op 3 mensen op het fietspad bij de Loilseweg te Didam. Alle mannen waren tussen de 18 en 20 jaar oud. Er is met een vuurwapen gedreigd.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde afpersing in vereniging wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op de bekennende verklaring van verdachte, de aangiften en de verklaringen van de medeverdachten [Medeverdachte D] en [Verdachte B].

Standpunt van de verdachte / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van beide feiten te kunnen komen.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 is de rechtbank van oordeel dat op grond van de aangiften van [Slachtoffer A]2, [Slachtoffer C]3 en [Slachtoffer B]4, de bekennende verklaringen van verdachte bij de politie5 en ter terechtzitting, en de verklaring van medeverdachte [Verdachte A]6 tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde afpersing in vereniging kan worden gekomen.

Gelet op de omstandigheid dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft erkend, kan worden volstaan met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit komt de rechtbank tot een vrijspraak. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte de auto heeft bestuurd waarin hij onder meer zijn medeverdachten [Verdachte B] en [Verdachte A] heeft vervoerd, die hebben gepoogd [Slachtoffer D] en [Slachtoffer E] door bedreiging met geweld te dwingen tot de afgifte van geld door met een bivakmuts op hen toe te snellen en te roepen "ik wil geld" en hen hebben achtervolgd met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Blijkens de tekst van de tenlastelegging wordt de verdenking tegen verdachte verfeitelijkt door hem te verwijten dat hijzelf de blijkens de bewijsmiddelen door de medeverdachten gepleegde handelingen heeft verricht. Door deze wijze van ten laste leggen, kan in het geval van verdachte niet tot een bewezenverklaring worden gekomen van de onder 2 ten laste gelegde poging tot diefstal vergezeld van bedreiging met geweld in vereniging danwel poging tot afpersing in vereniging.

Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1

hij op 11 februari 2011 te Didam tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [Slachtoffer A] en [Slachtoffer B] heeft gedwongen tot de afgifte van geldbedragen, geheel toebehorende aan die [Slachtoffer A] en die [Slachtoffer B], welke bedreiging met geweld telkens hierin bestond dat zijn mededader met bivakmuts op die [Slachtoffer A] en [Slachtoffer C] en [Slachtoffer B] achterna is gerend en de vrije doorgang voor die [Slachtoffer A] en [Slachtoffer C] en [Slachtoffer B] heeft versperd en meermalen naar die [Slachtoffer A] en [Slachtoffer C] en [Slachtoffer B] heeft geroepen: "Ik wil geld " en daarbij een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp op die [Slachtoffer A] en [Slachtoffer B] heeft gericht(gehouden) en heeft geroepen: "Geef me je geld." en "Geef jullie geld", en de slede van dat wapen/voorwerp naar achteren heeft getrokken.

Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Naar de persoon van verdachte is een psychologisch onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van drs. B.Y. van Toorn (gezondheidszorgpsycholoog) van 6 juni 2011.

Van Toorn heeft aangegeven dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een zich vormende persoonlijkheidsstoornis, met voornamelijk afhankelijke en in mindere mate antisociale trekken. Er zou bij verdachte ook sprake kunnen zijn van een ziekelijke stoornis in de vorm van een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO. Verdachte is beïnvloedbaar door zijn vrienden en zijn omgeving op basis van zijn wankele zelfbeeld, zijn behoefte om erbij te horen, zijn zeer beperkte begrip van sociale situaties en de slechte integratie van zijn egogrenzen. Door de afhankelijke persoonlijkheidstrekken is verdachte onvoldoende in staat geweest om zich af te grenzen van het gedrag van zijn vrienden. Daarnaast heeft verdachte waarschijnlijk onvoldoende zicht gehad op de consequenties van zijn handelen door zijn beperkte sociale inzicht. Door zijn onvermogen om zich te verplaatsen in anderen zijn er onvoldoende interne remmingen op het gedrag geweest. Daar staat tegenover dat er op rationeel niveau wel besef geweest is van de wederrechtelijkheid van het handelen maar dat verdachte dit besef naast zich neergelegd heeft. Van Toorn adviseert verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Met de conclusie van de psycholoog dat verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, kan de rechtbank zich verenigen en zij neemt deze conclusie over.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Hierbij vordert de officier van justitie dat hieraan de bijzondere voorwaarde wordt gekoppeld dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd verdachte een taakstraf van 200 uur, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis op te leggen.

Bij haar strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en de straffen die zij heeft geëist tegen zijn medeverdachten.

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat aangevoerd dat een taakstraf van 200 uren mogelijk een te grote belasting zal opleveren voor verdachte. Verdachte is begonnen met een intensieve behandeling, hij zal contact moeten onderhouden met de reclassering, hij gaat naar school en heeft werk gevonden. Verdachte heeft ter zitting aangegeven wel een taakstraf te verdienen voor zijn daden.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich tezamen met zijn mededader schuldig heeft gemaakt aan een straatroof op willekeurig uitgekozen slachtoffers, waarbij door de medeverdachte, die een bivakmuts op had, een balletjespistool is getoond. De bij de straatroof gebruikte bivakmuts en balletjespistool waren afkomstig van verdachte en lagen bij hem in de auto. Verdachte heeft het gevoel van veiligheid van de slachtoffers aangetast. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke overvallen veelal daarvan langdurige en ernstige psychische gevolgen ondervinden. Straatroven veroorzaken ook in de maatschappij in het algemeen gevoelens van onrust en onveiligheid. Verdachte en zijn mededader hebben zich laten leiden door hun zucht naar financieel gewin zonder stil te staan bij de mogelijke ernstige gevolgen van hun handelen voor de slachtoffers. De rechtbank heeft rekening gehouden met de rol van verdachte bij dit strafbaar feit. De rechtbank rekent het verdachte evenwel zwaar aan dat hij medeverdachte niet heeft geprobeerd tegen te houden. De rechtbank zal ook rekening houden met de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en de risicotaxatie uit het psychologisch rapport, waaruit blijkt dat de recidivekans als matig wordt ingeschat. Tevens houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte.

Alles overwegende zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden opleggen, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Als bijzondere voorwaarde legt de rechtbank verdachte op dat hij zich dient te gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften van de reclassering, ook als dit inhoudt dat verdachte zich zal laten behandelen bij De Boog of een soortgelijke instelling. De rechtbank acht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank komt tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie is geëist aangezien verdachte van feit 2 is vrijgesproken.

Vordering tot schadevergoeding

Er hebben zich 3 benadeelde partijen met een vordering tot schadevergoeding gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Benadeelde partij [Slachtoffer A] heeft zich met een vordering van € 1.670,00 ter zake van immateriële schade gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde. De verdachte is voor de schade naar burgerlijk recht - hoofdelijk - aansprakelijk. Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft geleden. Uit de schadeonderbouwing blijkt dat benadeelde enkele maanden eerder ook onder bedreiging met een pistool geld heeft moeten afgeven. Om die reden kan niet worden uitgesloten dat een gedeelte van de gestelde schade niet direct voortvloeit uit het thans bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de immateriële schadevergoeding ten dele, tot een bedrag van € 1.000,--, toewijzen. Deze benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de verdere behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan derhalve het restant van haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 11 februari 2011.

Benadeelde partijen [Slachtoffer D] en [Slachtoffer E] hebben zich met ieder een vordering van € 500,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde. Deze benadeelde partijen zullen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, nu verdachte is vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde. Deze benadeelde partijen kunnen derhalve hun vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Schadevergoedingsmaatregel

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer. De rechtbank zal deze verplichting gelijk verdelen over de veroordeelden van dit feit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 47, 57, 310, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan;

* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

* verklaart verdachte strafbaar;

* veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

* bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

* stelt als bijzondere voorwaarde dat

- veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen en voorschriften die veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de reclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt, ook als dit inhoudt dat veroordeelde zich zal laten behandelen bij De Boog of een soortgelijke instelling;

- veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

* veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [Slachtoffer A], wonende aan de [adres] (bankrekeningnummer [nummer]), van een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2011 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

* verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

* legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [Slachtoffer A], een bedrag te betalen van € 500,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2011, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 10 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

* heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis;

Aldus gewezen door mrs. Roelvink, voorzitter, Troost en Moolenburgh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Oosting, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 juli 2011.

1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer BVH 2011032855 , Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Achterhoek, gesloten en ondertekend op 22 maart 2011.

2 Proces-verbaal van aangifte van [Slachtoffer A], p. 116-118

3 Proces-verbaal van aangifte van [Slachtoffer C], p. 122-124

4 Proces-verbaal van aangifte van [Slachtoffer B], p. 126-127, p. 130-132

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 183-187

6 Proces-verbaal verhoor medeverdachte [Verdachte A], p. 201-204