Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BR1647

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
11/146 en 11/147 RECLBL
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2012:BX7787, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres voert aan dat de verordening reclamebelasting van de gemeente Voorst onverbindend is en dat sprake is van een willekeurige belastingheffing. Gelet daarop is eiseres van mening dat de aanslagen voor de belastingjaren 2009 en 2010 vernietigd dienen te worden.

De rechtbank stelt vast, onder verwijzing naar haar uitspraak van 20 januari 2010 (LJN: BL8525), die is bevestigd door het Gerechtshof Arnhem bij uitspraak van 14 september 2010 (LJN: BN8815), dat het toegestaan is om de inkomsten uit de reclamebelasting, met gebruikmaking van een ondernemersfonds, uitsluitend te besteden aan de financiering van activiteiten en voorzieningen in de binnenstad, dat de individuele heffing niet hoeft te worden gerelateerd aan het profijt dat een individu heeft bij zijn openbare aankondiging, dat het toegestaan is de heffing te beperken tot de binnenstad en de mogelijkheid tot belastingheffing op voet van de Experimentenwet BI-zones niet uitsluit dat men kiest voor de heffing van reclamebelasting. Tevens is volgens de rechtbank geen sprake van een verkapte vorm van baat- of parkeerbelasting. Dat ook buurtbewoners en/of andere belastingplichtigen profiteren van de parkeergarage, wat daar verder ook van zij, noopt evenmin tot het oordeel dat de aanslagen onrechtmatig zijn opgelegd. Dit kan immers niet aan afdoen aan het feit dat de in het centrumgebied gevestigde belastingplichtigen op enigerlei wijze profijt hebben van het versterken en meer aantrekkelijk maken van het centrum. Bovendien is volgens de rechtbank niet in geschil dat alle belastingplichtigen in de heffing zijn betrokken, zodat geen sprake is van willekeurige belastingheffing. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2011/1983
Belastingblad 2011/1047
FutD 2011-1726
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige belastingkamer

Reg.nrs.: 11/146 en 11/147 RECLBL

Uitspraak in het geding tussen:

[eiseres] B.V.

gevestigd te Twello,

eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Voorst

verweerder.

1. Procesverloop

Bij afzonderlijke aanslagbiljetten van 31 mei 2010 (aanslagnummers 182041 en 182125) heeft verweerder aan eiseres aanslagen in de reclamebelasting opgelegd voor de jaren 2009 en 2010 ten bedrage van € 1.175 per belastingjaar. Eiseres heeft daartegen in één geschrift bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 17 december 2010 heeft verweerder in één geschrift het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslagen gehandhaafd.

Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van 25 mei 2011. Voor eiseres is verschenen mr. W.J.M. van Tongeren, advocaat te Twello. Verweerder – H. Olsman – is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E.G. Borghols.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres is gebruiker van het pand aan het [adres] te Twello.

2.2 Op grond van artikel 227 van de Gemeentewet kan ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg een reclamebelasting worden geheven.

2.3 Op 22 december 2008 heeft de raad van de gemeente Voorst de Verordening reclamebelasting Twello centrum 2009 (hierna: de Verordening) vastgesteld.

Artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening bepaalt dat onder een reclameobject wordt verstaan: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg.

Artikel 1, aanhef en onder b, van de Verordening bepaalt dat onder een vestiging wordt verstaan: een gebouw, of deel daarvan, dat door één organisatie of bedrijf wordt gebruikt.

In artikel 2 is het belastinggebied beperkt tot het daarbij aangegeven gebied, waaronder het Marktplein.

In artikel 5, eerste lid, is bepaald dat de reclamebelasting wordt geheven naar een vast bedrag per vestiging waar één of meer openbare aankondigingen zijn aangebracht of geplaatst. Volgens het derde lid bedraagt het tarief van de reclamebelasting € 1.175,--.

2.4 Eiseres stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat de Verordening onverbindend is en dat sprake is van onredelijke en willekeurige belastingheffing.

2.5 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Verordening verbindend is en dat de aanslagen rechtmatig zijn opgelegd.

2.6 De rechtbank stelt voorop dat bij uitspraak van deze rechtbank van 20 januari 2010 (LJN: BL8525) is geoordeeld dat, voor zover van belang, het is toegestaan dat de inkomsten uit reclamebelasting uitsluitend worden besteed aan de financiering van activiteiten en voorzieningen in de binnenstad, dat de individuele heffing niet hoeft te worden gerelateerd aan het profijt dat een individu heeft bij zijn openbare aankondiging en dat het is toegestaan de heffing te beperken tot de binnenstad. Bij uitspraak van het Hof Arnhem van

14 september 2010 (LJN: BN8815) is die uitspraak bevestigd. Het Hof heeft daarbij, voor zover van belang, nog overwogen:

“Belanghebbende stelt dat de reclamebelasting is ingevoerd ter bestrijding van

niet-overheidsuitgaven. Het Hof stelt voorop dat het de gemeente op grond van artikel 227 van de Gemeentewet vrij staat om een reclameheffing in te voeren en voorts niet verplicht is om de opbrengst aan te wenden voor een bepaald doel (vgl. Hoge Raad 21 juni 2000, nr. 33 816, LJN AA6253, BNB 2000/272 (Red.: BB Belastingblad 2000, p. 829, m.nt. Monsma). De heffing mag echter niet leiden tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad, dan wel anderszins in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel. Uit hetgeen hiervoor (…) is vermeld, leidt het Hof af dat het doel van de gemeente met de invoering van de reclamebelasting is om middelen te verwerven ter subsidiëring van activiteiten en voorzieningen in het centrumgebied waardoor het centrumgebied sterker zal worden. Een versterking van het centrumgebied is ook in het belang van de gemeente. Het Hof acht derhalve niet aannemelijk dat de reclamebelasting is ingevoerd ter bestrijding van niet-overheidsuitgaven. Daarmee faalt ook de klacht van belanghebbende dat er sprake is van een verkapte vorm van de heffing van lidmaatschapsgeld van A. Van détournement de pouvoir is geen sprake.

(…) Belanghebbende stelt verder dat de heffing van reclamebelasting niet had mogen worden beperkt tot het centrumgebied.

(…) Ingevolge artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet kunnen, behoudens het bepaalde in andere wetten dan de Gemeentewet en in de tweede en derde paragraaf van hoofdstuk XV van de Gemeentewet, de gemeentelijke belastingen worden geheven naar de in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.

(…) Laatstgenoemd artikellid maakt het mogelijk dat in het onderhavige geval reclamebelasting in het centrumgebied mag worden geheven, mits daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat (vgl. Hoge Raad 21 juni 2000, nr. 33 816, LJN AA6253, BNB 2000/272 en Kamerstukken II 2007/08, 31 430, nr. 6, p. 8). De Ambtenaar draagt voor dit laatste aan dat de opbrengst van de reclameheffing via een subsidie aan activiteiten en voorzieningen in het centrumgebied wordt besteed, hetgeen de in het centrumgebied gevestigde ondernemers profijt oplevert.

(…) Het Hof stelt voorop dat de gemeente - voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Verordening - de opbrengst van de onderhavige reclamebelasting mag bestemmen (Hoge Raad 21 juni 2000, nr. 33 816, LJN AA6253, BNB 2000/272). Naar het oordeel van het Hof is er in casu sprake van een objectieve en redelijke rechtvaardiging. De met de reclamebelasting te subsidiëren activiteiten en voorzieningen in het centrumgebied leiden tot een extra toeloop van publiek, daarmee van potentiële klanten en daarmee kan er voor de ondernemers in het centrumgebied profijt ontstaan. Hierbij kan in het midden blijven hoe groot dit profijt dan zou moeten zijn.”

2.7 In de voorgedragen beroepsgronden ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de Verordening onverbindend is. De rechtbank verwijst daartoe naar de in rechtsoverweging 2.6 vermelde uitspraken en de daarbij gegeven motivering. Dat de inkomsten uit de reclamebelasting door de gemeente ten dele worden gebruikt om de exploitatie van de parkeergarage in het centrumgebied van Twello te bekostigen, noopt niet tot het oordeel dat sprake is van een verkapte vorm van parkeerbelasting of een heffing van belasting die niet bij wet is voorzien. De rechtbank overweegt daarbij dat reclamebelasting als bedoeld in artikel 227 van de Gemeentewet een algemene, zakelijke belasting is en dat het aan de raad van de gemeente is te besluiten hoe en waaraan de opbrengsten uit die belasting worden besteed. Van strijd met het doel waarvoor de belastingbepalingen in de Gemeentewet zijn opgenomen is dan ook geen sprake.

Dat ook buurtbewoners en/of andere niet-belastingplichtigen profiteren van de parkeergarage, zoals eiseres onderbouwd heeft gesteld, noopt, wat daar verder van zij, evenmin tot het oordeel dat de aanslagen onrechtmatig zijn opgelegd, nu dat er niet aan kan afdoen dat in het centrumgebied gevestigde belastingplichtigen, zoals eiseres, op enigerlei wijze profijt hebben van het versterken en meer aantrekkelijk maken van het centrumgebied. De rechtbank overweegt daarbij nog dat een reclamebelasting, als thans in geding, wordt geheven ter zake van openbare aankondigingen en dat niet is in geschil is dat alle belastingplichtigen door verweerder in de heffing van reclamebelasting worden betrokken, zodat geen sprake is van willekeurige belastingheffing.

2.7.1 Met betrekking tot de voorgedragen beroepsgrond over het in de Verordening opgenomen vaste tarief, overweegt de rechtbank ten slotte dat het aan de gemeentelijke wetgever is de tarieven van gemeentelijke heffingen vast te stellen en dat de billijkheid van die tariefstelling als zodanig niet ter beoordeling staat van de belastingrechter.

Met verwijzing naar evenvermelde uitspraken van 20 januari 2010 van deze rechtbank en

14 september 2010 van het Hof Arnhem overweegt de rechtbank dat de gemeente de vrijheid heeft – ook in de situatie dat de (diverse ondernemingen van de) belastingplichtigen aanzienlijk van elkaar verschillen – om niet over te gaan tot een differentiatie van het tarief. De hoogte van het bij de Verordening vastgestelde tarief is evenmin zo uitzonderlijk dat moet worden geoordeeld dat sprake is van onredelijke belastingheffing.

2.8 De beroepen zijn ongegrond. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding. Ter informatie aan eiseres overweegt de rechtbank dat in deze zaak ten onrechte tweemaal griffierecht is geheven en dat het teveel betaalde griffierecht door de rechtbank zal worden gerestitueerd.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Baaren, voorzitter, en mr. E.H.T. Rademaker en

mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2011.