Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZUT:2011:BR1643

Instantie
Rechtbank Zutphen
Datum uitspraak
08-06-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
10/197 RECLBL
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres stelt dat de verordening reclamebelasting van de gemeente Voorst onverbindend is. Tevens is eiseres van mening dat sprake is van willekeurige belastingheffing. De rechtbank stelt voorop, onder verwijzing naar haar uitspraak van 20 januari 2010 (LJN: BL8525), die is bevestigd door het Gerechtshof Arnhem bij uitspraak van 14 september 2010 (LJN: BN8815), dat het is toegestaan om de inkomsten uit de reclamebelasting met gebruikmaking van een ondernemersfonds uitsluitend te besteden aan de financiering van activiteiten en voorzieningen in de binnenstad. Bovendien hoeft de individuele heffing niet te worden gerelateerd aan het profijt dat een individu heeft bij zijn openbare aankondiging. De door eiseres ingeroepen uitspraak van de Rechtbank Alkmaar van 20 november 2010 (LJN: BO5033) kan volgens de rechtbank niet leiden tot het oordeel dat de verordening onverbindend is. Dat de inkomsten van de reclamebelasting door de gemeente ten dele worden gebruikt om onbetaald parkeren en de exploitatie van de parkeergarage in het centrum van Twello te bekostigen, noopt volgens de rechtbank niet tot het oordeel dat sprake is van een verkapte vorm van baat- of parkeerbelasting. Ten aanzien van de door eiseres ingeroepen, op gebouwen aanwezige opschriften, die zijn geplaatst bij de ingang van een appartementencomplex of woonhuis, oordeelt de rechtbank dat deze, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 30 maart 2007 (LJN: AX2154) en de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 augustus 2009 (LJN: BN5744), geen openbare aankondigingen zijn in de zin van artikel 227 van de Gemeentewet. Ten slotte is de rechtbank van mening dat de gemeente de vrijheid heeft om niet over te gaan tot differentiatie van het tarief en is de hoogte daarvan, wat verder ook zij van de tariefstelling in andere gemeenten, evenmin van dien aard dat sprake is van een onredelijke belastingheffing. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2011-1726
V-N Vandaag 2011/1961
Belastingblad 2011/1026
V-N 2011/50.26.28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN

Sector Bestuursrecht

Meervoudige belastingkamer

Reg.nr.: 10/197 RECLBL

Uitspraak in het geding tussen:

A.S. Watson Property Continental Europe B.V.

gevestigd te Renswoude,

eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Voorst

verweerder.

1. Procesverloop

Bij aanslagbiljet van 21 juli 2009 (aanslagnummer 170758) heeft verweerder aan eiseres een aanslag in de reclamebelasting opgelegd voor het jaar 2009 ten bedrage van

€ 1.175. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van

28 december 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 25 mei 2011. Voor eiseres zijn verschenen J.C. van Ofwegen en M.H. van der Helm, werkzaam bij de Raad Nederlandse Detailhandel. Verweerder – H. Olsman – is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. E.G. Borghols.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres is, voor zover van belang, gebruiker van het pand aan het Marktplein 38 te Twello, waarin een filiaal van het Kruidvat is gevestigd.

2.2 Op grond van artikel 227 van de Gemeentewet kan ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg een reclamebelasting worden geheven.

2.3 Op 22 december 2008 heeft de raad van de gemeente Voorst de Verordening reclamebelasting Twello centrum 2009 (hierna: de Verordening) vastgesteld.

Artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening bepaalt dat onder een reclameobject wordt verstaan: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg.

Artikel 1, aanhef en onder b, van de Verordening bepaalt dat onder een vestiging wordt verstaan: een gebouw, of deel daarvan, dat door één organisatie of bedrijf wordt gebruikt.

In artikel 2 is het belastinggebied beperkt tot het daarbij aangegeven gebied, waaronder het Marktplein.

Artikel 3 bepaalt dat ter zake van openbare aankondigingen zichtbaar vanaf de openbare weg onder de titel “reclamebelasting” een belasting wordt geheven.

Artikel 4 bepaalt dat reclamebelasting wordt geheven van degene van wie, dan wel ten behoeve van wie, al dan niet met vergunning, een of meer openbare aankondigingen worden aangetroffen.

In artikel 5, eerste lid, is bepaald dat de reclamebelasting wordt geheven naar een vast bedrag per vestiging waar één of meer openbare aankondigingen zijn aangebracht of geplaatst. Volgens het derde lid bedraagt het tarief van de reclamebelasting € 1.175,--.

2.4 Eiseres stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat de Verordening onverbindend is en dat sprake is van onredelijke en willekeurige belastingheffing.

2.5 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de Verordening verbindend is en dat de aanslag rechtmatig is opgelegd.

2.6 De rechtbank stelt voorop dat bij uitspraak van deze rechtbank van 20 januari 2010 (LJN: BL8525) is geoordeeld dat, voor zover van belang, het is toegestaan dat de inkomsten uit reclamebelasting met gebruikmaking van een ondernemersfonds uitsluitend worden besteed aan de financiering van activiteiten en voorzieningen in de binnenstad, dat de individuele heffing niet hoeft te worden gerelateerd aan het profijt dat een individu heeft bij zijn openbare aankondiging, dat het is toegestaan de heffing te beperken tot de binnenstad en dat de mogelijkheid van belastingheffing op de voet van de Experimentenwet BI-zones niet uitsluit dat de gemeente kiest voor heffing van reclamebelasting. Bij uitspraak van het Hof Arnhem van 14 september 2010 (LJN: BN8815) is die uitspraak bevestigd. Het Hof heeft daarbij, voor zover van belang, nog overwogen:

“Belanghebbende stelt dat de reclamebelasting is ingevoerd ter bestrijding van

niet-overheidsuitgaven. Het Hof stelt voorop dat het de gemeente op grond van artikel 227 van de Gemeentewet vrij staat om een reclameheffing in te voeren en voorts niet verplicht is om de opbrengst aan te wenden voor een bepaald doel (vgl. Hoge Raad 21 juni 2000, nr. 33 816, LJN AA6253, BNB 2000/272 (Red.: BB Belastingblad 2000, p. 829, m.nt. Monsma). De heffing mag echter niet leiden tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad, dan wel anderszins in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel. Uit hetgeen hiervoor (…) is vermeld, leidt het Hof af dat het doel van de gemeente met de invoering van de reclamebelasting is om middelen te verwerven ter subsidiëring van activiteiten en voorzieningen in het centrumgebied waardoor het centrumgebied sterker zal worden. Een versterking van het centrumgebied is ook in het belang van de gemeente. Het Hof acht derhalve niet aannemelijk dat de reclamebelasting is ingevoerd ter bestrijding van niet-overheidsuitgaven. Daarmee faalt ook de klacht van belanghebbende dat er sprake is van een verkapte vorm van de heffing van lidmaatschapsgeld van A. Van détournement de pouvoir is geen sprake.

(…) Belanghebbende stelt verder dat de heffing van reclamebelasting niet had mogen worden beperkt tot het centrumgebied.

(…) Ingevolge artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet kunnen, behoudens het bepaalde in andere wetten dan de Gemeentewet en in de tweede en derde paragraaf van hoofdstuk XV van de Gemeentewet, de gemeentelijke belastingen worden geheven naar de in de belastingverordening te bepalen heffingsmaatstaven, met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.

(…) Laatstgenoemd artikellid maakt het mogelijk dat in het onderhavige geval reclamebelasting in het centrumgebied mag worden geheven, mits daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat (vgl. Hoge Raad 21 juni 2000, nr. 33 816, LJN AA6253, BNB 2000/272 en Kamerstukken II 2007/08, 31 430, nr. 6, p. 8). De Ambtenaar draagt voor dit laatste aan dat de opbrengst van de reclameheffing via een subsidie aan activiteiten en voorzieningen in het centrumgebied wordt besteed, hetgeen de in het centrumgebied gevestigde ondernemers profijt oplevert.

(…) Het Hof stelt voorop dat de gemeente - voorafgaande aan de inwerkingtreding van de Verordening - de opbrengst van de onderhavige reclamebelasting mag bestemmen (Hoge Raad 21 juni 2000, nr. 33 816, LJN AA6253, BNB 2000/272). Naar het oordeel van het Hof is er in casu sprake van een objectieve en redelijke rechtvaardiging. De met de reclamebelasting te subsidiëren activiteiten en voorzieningen in het centrumgebied leiden tot een extra toeloop van publiek, daarmee van potentiële klanten en daarmee kan er voor de ondernemers in het centrumgebied profijt ontstaan. Hierbij kan in het midden blijven hoe groot dit profijt dan zou moeten zijn.”

2.7 In de voorgedragen beroepsgronden ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de Verordening onverbindend is. De rechtbank verwijst daartoe naar de in rechtsoverweging 2.6 vermelde uitspraken en de daarbij gegeven motivering. De door eiseres ingeroepen uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 25 november 2010 (LJN: BO5033) kan daaraan niet afdoen. Dat de inkomsten uit de reclamebelasting door de gemeente ten dele worden gebruikt om onbetaald parkeren en, zoals verweerder ter zitting onderbouwd heeft gesteld, de exploitatie van de parkeergarage in het centrumgebied van Twello te bekostigen, noopt niet tot het oordeel dat sprake is van een verkapte vorm van baat- of parkeerbelasting. De rechtbank overweegt daarbij dat reclamebelasting een algemene, zakelijke belasting is en dat het aan de raad van de gemeente is te besluiten hoe en waaraan de opbrengsten uit die belasting worden besteed. Van strijd met het doel waarvoor de belastingbepalingen in de Gemeentewet zijn opgenomen is geen sprake.

2.7.1 Met betrekking tot de voorgedragen beroepsgrond dat openbare aankondigingen op gebouwen die niet kwalificeren als een vestiging, zoals bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Verordening, ten onrechte buiten de heffing blijven, overweegt de rechtbank als volgt.

Bij arrest van 30 maart 2007 (LJN: AX2154) heeft de Hoge Raad, voor zover van belang, als volgt overwogen:

“Het Hof heeft met juistheid vooropgesteld dat onder de term ‘openbare aankondigingen' dient te worden verstaan alle tot het publiek gerichte mededelingen welke erop zijn gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor hetgeen wordt aangekondigd.”

Bij uitspraak van 25 augustus 2009 (LJN: BN5744) heeft het Hof Den Haag, voor zover van belang, als volgt overwogen:

“Het wettelijke begrip ‘openbare aankondiging’ omvat niet slechts reclame in (…) engere zin, doch ziet meer in het algemeen op elke tot het publiek gerichte mededeling van commerciële dan wel ideële aard waarmee de aandacht wordt getrokken voor een dienst, een product of een boodschap. Slechts openbare aankondigingen in vorenbedoelde zin, (…), kunnen in de heffing van reclamebelasting worden betrokken.”

De beroepsgrond kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot het daarmee beoogde resultaat, reeds omdat de door eiseres bij brief van 6 mei 2011 ingeroepen opschriften, die zijn geplaatst bij de toegang van een appartementencomplex of woonhuis, gelet op bovengenoemde jurisprudentie, geen openbare aankondigingen zijn in de zin van artikel 227 van de Gemeentewet. De heffingsambtenaar heeft deze opschriften dan ook terecht niet betrokken in de reclamebelasting.

2.7.2 Met betrekking tot de voorgedragen beroepsgrond over het in de Verordening opgenomen vaste tarief, overweegt de rechtbank ten slotte dat het aan de gemeentelijke wetgever is de tarieven van gemeentelijke heffingen vast te stellen en dat de billijkheid van die tariefstelling als zodanig niet ter beoordeling staat van de belastingrechter. Met verwijzing naar evenvermelde uitspraken van 20 januari 2010 van deze rechtbank en

14 september 2010 van het Hof Arnhem overweegt de rechtbank dat de gemeente de vrijheid heeft om niet over te gaan tot een differentiatie van het tarief. De hoogte van het bij de Verordening vastgestelde tarief is, wat verder zij van de tariefstelling in andere gemeenten, evenmin van dien aard dat moet worden geoordeeld dat sprake is van onredelijke belastingheffing.

2.8 Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Baaren, voorzitter, en mr. E.H.T. Rademaker en

mr. A.L.M. Steinebach-deWit, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2011.